Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 116 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 116 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 februari 2000
Hierbij bied ik u het verslag aan van de Informele Sociale Raad, die op 11 februari jl. in Lissabon plaatsvond.
De Informele Sociale Raad sprak over twee onderwerpen:
• De voorbereiding van de bijzondere Europese Raad over «werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang; naar een Europa van innovatie en kennis» (Lissabon, 23 en 24 maart 2000)
• De bestrijding van sociale uitsluiting.
Verslag Informele Sociale Raad, 11 februari 2000
I. Voorbereiding van de bijzondere Europese Raad over werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang (Lissabon, 23 en 24 maart 2000)
Bij de aanvang van de Informele Sociale Raad memoreerde het voorzitterschap dat de belangrijkste drijfveer van de EU het waarborgen van vrijheid en democratie is. De strijd tegen intolerantie en racisme vormt het fundament van het Europees Verdrag. Het voorzitterschap wees hierbij in het bijzonder op artikel 6 van het EU-verdrag en riep de lidstaten op waakzaam te zijn tegen racisme, discriminatie en populistische demagogie.
Het voorzitterschap gaf aan dat de Lissabon-top concrete maatregelen wil nemen om het nieuwe strategisch doel van de EU te realiseren: namelijk om binnen 10 jaar 's werelds meest dynamische en competitieve economie te zijn. Het voorzitterschap wees erop dat de noodzaak van meer concurrentie tot toenemende risico's van sociale uitsluiting kan leiden. Daarom moeten economische hervormingen en vernieuwing van sociaal beleid hand in hand gaan. Dat vergt een nauwe betrokkenheid van de Sociale Raad bij de voorbereiding van deze bijzondere Eurotop.
Alle 15 lidstaten gaven er blijk van ingenomen te zijn met de uitgangspunten van het voorzitterschap.
Commissaris Diamantopoulou onderstreepte dat de EU behalve een monetaire en economische unie vooral een politieke unie is, die zich kenmerkt door het respecteren van de fundamentele waarden van vrijheid en mensenrechten. Het «artikel 13-pakket» (non-discriminatie) voegt hieraan een nieuwe dimensie toe; de onderhandelingen hierover in de raadswerkgroep sociale vraagstukken zijn daarom met voortvarendheid opgepakt. De Commissaris riep de lidstaten op dit pakket zo spoedig mogelijk te aanvaarden.
Volgens de Commissaris zal de extra Europese Top van Lissabon een geïntegreerde strategie van economisch en sociaal beleid vastleggen, waardoor de EU de concurrentie-achterstand ten opzichte van de VS kan inlopen. Daarvoor is nodig dat de EU pro-actief inspeelt op de nieuwe eisen die de kennis- en informatiemaatschappij stelt. De Lissabon-top moet die geïntegreerde strategie vertalen in concrete acties op nationaal én communautair niveau. Het is een zaak van de Sociale Raad dat de richtsnoeren voor de werkgelegenheid invulling geven aan die strategie. Voorts zal de Sociale Raad moeten inspelen op nieuwe vormen van sociale uitsluiting, die de kennis- en informatiemaatschappij met zich meebrengt. Sociale partners en NGO's zullen daar nauw bij betrokken worden.
In de discussie, waaraan ook vertegenwoordigers van sociale partners en van het Europees Parlement deelnamen, kwamen de volgende elementen naar voren:
• Er was brede steun voor de ambitie van de Lissabon-top dat de EU binnen afzienbare tijd 's werelds meest dynamische en competitie economie moet worden. Economische innovatie en de strijd tegen sociale uitsluiting moeten daartoe nauw met elkaar worden verbonden. In toenemende mate zal de EU economische en sociale wensen met elkaar moeten verzoenen, zoals de relatie tussen arbeid en zorg en de spanning tussen flexibiliteit en zekerheid.
• Centraal in de inbreng van vrijwel alle lidstaten en van de sociale partners stond de noodzaak voor meer aandacht voor onderwijs, scholing, beroepsopleiding en life-long-learning, met name op de terreinen van informatie- en kennistechnologie. Permanente educatie is in de kennismaatschappij de beste preventie tegen werkloosheid en sociale uitsluiting. In dit verband werd er van verschillende kanten op gewezen dat de nieuwe technologieën zowel kansen (nieuwe werkgelegenheid) als bedreigingen (nieuwe vormen van uitsluiting en sociale risico's) inhouden. Daarom is het noodzakelijk dat de ICT-investeringen op alle onderwijs-niveaus plaatsvinden, teneinde door te kunnen werken naar alle geledingen van de arbeidsmarkt. Eén lidstaat pleitte voor een pan-Europees netwerk van vacatures («on-line jobs and learning bank»), via Internet.
• De meeste lidstaten pleitten voor een zwaarder accent op het hanteren van concrete, vooral kwantitatieve, doelstellingen in het EU-werkgelegenheidsbeleid, zowel nationale als communautaire doelstellingen. De in het voorzitterschapsdocument neergelegde doelstelling van 3% economische groei in de EU werd door een aantal lidstaten gesteund. Eén lidstaat stelde expliciet dat een lager percentage toereikend is en wees erop dat niet de groei-doelstelling, maar vooral de instrumenten om de groei te bereiken, bepalend zijn.
• Verschillende lidstaten en de werkgeversvertegenwoordigers (UNICE) pleitten voor een intensivering van het proces van benchmarking. De benchmarks moeten concreter en vooral operationeler worden. Bijvoorbeeld: hoe krijgt «life long learning» gestalte in de bedrijven?; op welke wijze investeren bedrijven in «human resources»?; hoe krijgt het streven naar ICT-intensiveringen gestalte op scholen?
• De lidstaten, de sociale partners en het EP vonden dat de besluiten van de Lissabon-top over economische vernieuwing en innovatie, moeten worden geoperationaliseerd in de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Wel was er van verschillende kanten kritiek op het zware accent dat het voorzitterschapsdocument legt op de globale richtsnoeren voor economisch beleid. Men vond een hiërarchische relatie tussen Ecofin Raad en Sociale Raad ongewenst. Er werd gewezen op de afspraken van de top van Keulen om de globale richtsnoeren («voorjaarspakket») en de werkgelegenheidsrichtsnoeren («najaarspakket») op elkaar af te stemmen, door een gecoördineerde samenwerking tussen Sociale Raad en Ecofin Raad.
• De EP-vertegenwoordiger vond dat de Lissabon-top een belangrijke impuls moet geven aan de voortgang van de sociale dossiers. Naar het oordeel van het EP verloopt de voortgang van de sociale dossiers traag. Gewezen werd onder meer op het dossier inzake de Europese Vennootschap, het moeizame verloop van de richtlijnen met betrekking tot de informatie en consultatie van werknemers en de ingewikkelde compromissen bij de arbeidstijdendossiers, zoals de arbeidstijden van de artsen-in-opleiding. Voorts wil het EP een grotere betrokkenheid van het EP bij de macro-economische dialoog. Ook de werknemers (EVV) bekritiseerden het gebrek aan Europese regelgeving met betrekking tot de Europese bedrijven. In deze tijd van internationalisering, bedrijvenfusies en economische vernieuwing is een Europese Vennootschap dringend nodig. Het EVV gaf aan akkoorden uit te willen werken met betrekking tot o.m. telewerken en uitzendarbeid. Is dat niet mogelijk, dan is communautaire wetgeving wenselijk.
• Diverse lidstaten vroegen aandacht voor het versterken van de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers, zonder dat de Raad overigens uitvoerig op dit vraagstuk inging.
Het voorzitterschap gaf aan het bevorderen van sociale insluiting te willen «mainstreamen» in het werkgelegenheidsbeleid van de EU. Dit geschiedt via drie wegen: via de arbeidsmarkt, via de stelsels van sociale bescherming en via specifiek beleid om sociale insluiting te bevorderen.
Commissaris Diamantopoulou gaf aan dat de Lissabon-top belangrijke stappen zal zetten om de strijd tegen sociale uitsluiting te intensiveren. Kenmerk van sociale uitsluiting is volgens de Commissaris het ontbreken van toegang tot deelname aan de samenleving, zoals de toegang tot werk, communicatie (internet), scholing en de gezondheidszorg, alsmede het weigeren van toegang door discriminatie. Dat vraagt om een meervoudige aanpak, die meer inhoudt dan werk scheppen en het treffen van inkomensvoorzieningen. Het gaat erom de oorzaken van het gebrek aan toegang aan te pakken, zoals anti-discriminatie-beleid, investeringen in educatie en verbetering van (de toegang tot) de gezondheidszorg. Dat moet zijn vertaling krijgen in de werkgelegenheidsrichtsnoeren. De Commissaris wil op basis van een binnenkort door de Commissie te publiceren programma een publiek debat aangaan met de nationale parlementen, NGO's en maatschappelijke organisaties over het bevorderen van sociale insluiting.
Belangrijkste discussie-thema was de vraag naar de wenselijkheid van sociale indicatoren voor het monitoren van de ontwikkelingen in de lidstaten met betrekking tot integratie en sociale insluiting. In het verlengde hiervan werd gediscussieerd over de wenselijkheid van «benchmarking» en de uitwisseling van «best practices» om de prestaties van de lidstaten te kunnen beoordelen.
Sommige lidstaten waren enigszins terughoudend over het ontwikkelen van al dan niet Europese indicatoren, gezien de diversiteit van de problematiek in de lidstaten. Daartegenover stonden delegaties die nauwomschreven doelstellingen en indicatoren wensten, teneinde benchmarking beter mogelijk te maken. Deze lidstaten legden een verband met het voorstel uit het voorzitterschapsdocument om op de Lissabon-top afspraken te maken over een sociaal «scorebord». Zij bepleitten dat de recent opgerichte High Level Group sociale bescherming – in nauwe samenwerking met de Europese Commissie – voorstellen ontwikkelt voor indicatoren die onderdeel uitmaken van het «scorebord».
Alle lidstaten waren het er evenwel over eens dat de uiteindelijke beleidsintensiveringen met betrekking tot sociale insluiting zijn vertaling moet krijgen in het Luxemburg-proces, dat daartoe verbreed en verdiept moet worden. Aan nieuwe processen had geen enkele lidstaat behoefte.
Eén lidstaat vroeg de Commissie te voorkómen dat het nieuwe programma ter bevordering van sociale insluiting tot geïsoleerde initiatieven en projecten leidt. Deze lidstaat vroeg om een nauwkeurige omschrijving door de Commissie van het begrippenkader en de ambities van de Commissie, alsmede om een duidelijk tijdpad.
Enkele lidstaten wilden prioriteit leggen bij de bestrijding van armoede onder kinderen. Andere lidstaten vonden dat evenwel een verkeerde focus, omdat dit niet een probleem is dat in alle lidstaten speelt.
Andere zaken die aan de orde kwamen waren onder andere het pleidooi van een lidstaat om de werkgevers nauw(er) te betrekken bij het bevorderen van sociale insluiting, alsmede het pleidooi van enkele lidstaten voor het hanteren van minimum-standaarden voor sociaal beleid.
Op basis van de door het kabinet vastgestelde prioriteiten voor de Lissabon-top (vgl brief van de staatssecretaris van Europese Zaken d.d. 14 februari 2000), kenmerkte de Nederlandse inbreng zich door een nauwe samenhang tussen de beide agenda-punten van deze Raad.
Nederland pleitte voor een verbreding van de Europese sociale agenda, zodanig dat de economische vernieuwing kan worden ondersteund door een activerend sociaal beleid. Daarvoor zijn benchmarks op economisch én sociaal terrein nodig. Volgens Nederland moeten aan de bestaande – op een betere werking van de arbeidsmarkt gerichte – richtsnoeren nieuwe elementen worden toegevoegd, teneinde het EU-innovatieproces te versterken. In dit verband pleitte Nederland in het bijzonder voor een intensivering van de integratie van allochtonen en etnische minderheden. Nederland vroeg de Commissie de situatie van allochtonen en etnische minderheden beter in kaart brengen, zodat juist op dit terrein«benchmarking» en de uitwisseling van «goede praktijken» beter mogelijk is. Deze beleidsintensivering dient in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid tot uitdrukking te komen. Omdat deze intensivering nauw samenhangt met het anti-discriminatiebeleid van de EU sloot Nederland zich aan bij het pleidooi van Commissaris Diamantopoulou om het artikel-13-pakket zo spoedig mogelijk af te ronden. Nederland achtte het gewenst dat zo mogelijk al op de Europese Top in juni een politiek akkoord op hoofdlijnen kan worden bereikt, zodat een krachtig signaal kan worden gegeven aan de lidstaten tot intensivering van het anti-discriminatiebeleid.
Om economische innovatie mogelijk te maken, moeten volgens Nederland het economisch en sociaal beleid van de EU hand in hand gaan. Economische vernieuwing vergt een sterke sociale infrastructuur. Daarvoor is nodig dat in de huidige coördinatie-processen van de EU ook de sociale ontwikkelingen in de lidstaten worden betrokken. Dat vergt nauwe samenwerking tussen Ecofin Raad en Sociale Raad, op basis van gelijkwaardigheid.
Nederland wees op de potentiële spanning tussen het investeren in ICT en sociale cohesie. De inspanningen op het terrein van ICT zullen met name de bovenkant van de arbeidsmarkt versterken. Dat is een goede zaak is, maar het houdt het risico in dat de onderkant achterblijft. Meer waardering voor eenvoudig werk, tot uitdrukking komend in een onderkant-vriendelijk belasting- en premiebeleid, is daarom wenselijk. Nederland vond het daarom nodig dat in het EU-beleid, de werkgelegenheidsrichtsnoeren voorop, beter tot uitdrukking komt dat werk lonend moet worden. Daarom is het wenselijk dat ook in Europees verband de armoedeval wordt aangepakt, teneinde inactiviteit terug te dringen.
Met enkele andere lidstaten vond Nederland dat de inzet van Europa voor onderwijsvernieuwing en «een leven lang leren» nog te langzaam gaat. Nederland pleitte er ook voor dat de EU meer aandacht besteedt aan het bevorderen van de arbeidsmobiliteit.
Nederland en België tekenden bezwaar aan tegen het talenregime van deze Raad. De Raad hanteerde het zogenoemde «11-7»-talenregime, een talenregime waarvan de Nederlandse en Scandinavische talen zijn uitgesloten. Het Nederlandse standpunt is:
• ook op informele bijeenkomsten moeten alle EU-talen («11-11»-regime) kunnen worden gesproken en aangehoord;
• uit praktische overwegingen kan Nederland een beperkt talenregime accepteren (= Engels en Frans; eventueel Duits als derde taal; plus de taal van het voorzitterschap);
• indien er extra vertalingen worden toegevoegd kan dat acceptabel zijn als die behoefte voortvloeit uit linguïstische motieven (beperkte talenkennis bewindspersoon). Komt de behoefte voort uit politieke motieven dan insisteert Nederland op toevoeging van het Nederlands;
• indien naast het Engels, Frans en Duits zowel naar het Spaans als Italiaans («5-11»-regime) wordt vertaald, zal Nederland altijd om vertaling naar het Nederlands vragen, ongeacht de motieven.
Deze Informele Sociale Raad was de eerste EU-bijeenkomst in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de nieuwe Oostenrijkse regering. In verband hiermee heeft het voorzitterschap het informele gedeelte van Raad geschrapt en is afgezien van de gebruikelijke foto van de aanwezige ministers. Twee lidstaten legden aan het begin van de Informele Sociale Raad een verklaring af, waarin zij stelling namen tegen deelname van de FPÖ aan de Oostenrijkse regeringscoalitie. Zij verlieten de vergaderzaal voordat de Oostenrijkse minister het woord kreeg.
Oostenrijk gaf in zijn interventie aan de kernwaarden van de democratie geëngageerd uit te dragen en sloot zich aan in de oproep van het voorzitterschap tot waakzaamheid tegen vreemdelingenhaat en racisme. Volgens Oostenrijk neemt zowel het nieuwe regeringsprogramma als het partijprogramma van de FPÖ stelling tegen racisme en intolerantie. Oostenrijk was bezorgd over de samenwerkingsbereidheid van de EU. Oostenrijk wees op de gemeenschappelijke humanistische traditie die Oostenrijk en de EU hebben. Het gaf aan een geëngageerd lid van de EU te zijn en verzocht de EU-lidstaten om een faire en open dialoog. Het verzocht de lidstaten Oostenrijk op zijn daden te beoordelen en gaf aan de recente aanbevelingen van de Europese Commissie met betrekking tot de werkgelegenheid ter harte te nemen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-116.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.