21 501-18
Sociale Raad

21 501-07
Ecofin-Raad

nr. 114
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 23 december 1999

De algemene commissie voor Europese Zaken1, de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 en de vaste commissie voor Financiën3 hebben op 25 november 1999 overleg gevoerd met minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, minister Zalm van Financiën en staatssecretaris Vermeend van Financiën over:

verslag Sociale Raad van 12 november 1999;

agenda Ecofinraad/Sociale Raad van 29 november 1999;

verslag Ecofinraad van 8 november 1999 (EU-99-222/Fin-99-645);

agenda Ecofinraad van 29 november 1999 (EU-99 229/Fin-99-668).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Verslag Sociale Raad van 12 november 1999

Agenda Ecofinraad/Sociale Raad van 29 november 1999

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Van den Burg (PvdA-Europees Parlement) was benieuwd hoe de regering aankijkt tegen de ontwikkeling van het sociaal-economisch overleg op Europees niveau.

Mevrouw Bussemaker (PvdA) wilde meer weten over de uitkomst van de macro-economische dialoog van 8 november jl. Commissaris Diamantopoulou heeft gemeld dat er zou worden bezien of er concrete actie mogelijk is op het terrein van de langdurige en structurele werkloosheid. Wat vindt de minister daarvan? Aan welke concrete acties denkt hij in Europees verband? De minister vindt het wenselijk de agenda van de Sociale Raad te verbreden met een aantal aanpalende dossiers, zoals armoedebestrijding, de follow-up van de Sociale top en het voorkomen van sociale uitsluiting en reactivering, maar hoe krijgt dit vorm? Wordt het perspectief van gelijke kansen daar ook bij betrokken? Artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam over antidiscriminatie en gelijke behandeling is heel belangrijk. De bestrijding van discriminatie op grond van ras/etnische herkomst heeft betrekking op vele terreinen, maar die ten aanzien van sekse geldt alleen voor de arbeidsmarkt. Is dat wel consistent? Wordt er gewacht op de voorstellen van de Europese Commissie, of neemt de regering zelf actie terzake? In een ANP-bericht staat dat er in de Europese Commissie al is gesproken over artikel 13. Een eerste voorstel op dat punt zou echter niet zijn goedgekeurd, onder andere omdat de heer Bolkestein daar bezwaren tegen zou hebben gehad. Klopt dat en zo ja, wat zijn de redenen daarvan? Wat is de taak van het nieuwe Comité voor de werkgelegenheid? Krijgt dat comité een andere samenstelling? Wie vertegenwoordigt Nederland daarin?

Mevrouw Bussemaker onderschreef de Nederlandse bedenkingen bij het nut van de resolutie over de sociale en arbeidsmarktdimensie van de informatiemaatschappij, vanwege de overlap met de reeds bestaande werkgelegenheidsrichtsnoeren. Ook zij vond het beter de aanwending van de ESF-gelden te beperken tot de vier pijlers van het Europese werkgelegenheidsbeleid. Toch stemt de regering op hoofdlijnen met de voorstellen in. Hoe kan dat?

Bij een Europese vennootschap is de bescherming van werknemersrechten van groot belang. Het is dus zaak de onderhandelingen tussen management en werknemersdelegaties goed vorm te geven. Eén land ligt echter nog steeds dwars. Er ligt een compromisvoorstel, waar verschillende Kamerfracties van hebben gezegd dat het niet nog minder moet worden. Er wordt nu opnieuw met dat land gesproken, maar waarover gaat het gesprek? Het compromisvoorstel mag in ieder geval niet verder worden verzwakt.

Mevrouw Örgü (VVD) stemde in met het, ter voorkoming van misinterpretaties, horen van de individuele lidstaten, met het oog op de analyse van de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid. De regering is in het kader van het Europese werkgelegenheidsbeleid met allerlei nieuwe onderwerpen gekomen, zonder duidelijk aan te geven wat zij exact wil en kan. Wat is de bedoeling daarvan? Welk traject wordt daarvoor uitgezet? Zij onderschreef de Nederlandse bedoeling om met de aanbevelingen een duidelijk politiek signaal af te geven, maar deze hebben juridisch geen bindend karakter.

Uit de toelichting op de geannoteerde agenda blijkt dat Nederland sommige onderdelen ervan overbodig vindt, maar wat doet de regering daarmee? Nederland neemt via het Comité voor de werkgelegenheid deel aan de voorbereiding van de macro-economische dialoog. Welk traject heeft de minister daarbij voor ogen? Er is sprake van een juridisch probleem bij het voorstel de personele werkingssfeer van de verordening betreffende de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels uit te breiden. Er moet nog een passende juridische grondslag worden gevonden. Kan de minister hier meer informatie over geven? Mevrouw Örgü had geen problemen met het uitwisselen van informatie en ervaringen, zo lang er niet wordt getornd aan de juridische kant van de kwestie.

Mevrouw Verburg (CDA) vroeg of de wijziging van het karakter van de structurele werkloosheid inmiddels is herkend en erkend. Als dat het geval is, heeft dit inmiddels tot bepaalde conclusies geleid? Zo ja, wat gebeurt daarmee? Kan dit op termijn gevolgen hebben voor accenten in de richtsnoeren, ook gelet op de nationale actieplannen? De landen moeten elkaar aanspreken op de vertaling hiervan. Zij moeten elkaar een zetje in de rug geven. Zij stemde in met de procedure, ook wat betreft de analyse, want daarmee kunnen misinterpretaties en misrangschikkingen worden voorkomen. Spelen het Europees Parlement en het Comité voor de werkgelegenheid nog een rol bij de richtsnoeren, de analyse van de actieplannen en de aanbevelingen per lidstaat?

Een aantal lidstaten komt nog met aanpassingsvoorstellen, maar waar gaat het concreet om? Als men de richtsnoeren wil aanpassen, welke status krijgen die dan? Wordt de vaststelling van die richtsnoeren dan uitgesteld, vanwege de terugkoppeling? Als er wederom uitvoerig moet worden gesproken over de vorm van de aanbevelingen en de wijze waarop per lidstaat tot aanbevelingen wordt gekomen, hoe staat het dan met de peer pressure? Als eerst alles moet worden gladgestreken, dan gaat de waarde daarvan een beetje verloren.

Mevrouw Verburg stemde in met de instelling van het Comité voor de werkgelegenheid. Zij ging ook akkoord met de resolutie over de informatiemaatschappij, al is er al sprake van een zekere doorwerking in de richtsnoeren en de nationale actieplannen. Heeft deze resolutie nog effecten op de besteding van de ESF-gelden? Hoe lang duurt de blokkade van het voorstel over de Europese vennootschap nog? Wat is het motief van het desbetreffende lidstaat? Wordt het geen tijd voor een serieuze poging in Europees verband om dit land over de streep te trekken?

De toelichting van het kabinet op het voorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van de verordening naar nieuwe categorieën van personen, zoals onderdanen van derde landen en niet-actieven, en naar nieuwe typen van uitkeringen of takken van sociale zekerheid is erg summier. Waar staat het kabinet in dit verband? Er is geen bezwaar tegen de uitbreiding van de werkingssfeer tot niet-actieven, maar over de andere categorieën wordt nauwelijks iets gezegd. Wat zijn de te verwachten gevolgen van een en ander? Zijn de sociale partners en andere relevante instellingen al geraadpleegd? Wat doet de minister met de resultaten daarvan in de Sociale Raad? Voor welke grondslag opteert de regering als het gaat om de uitbreiding naar onderdanen van derde landen? Ziet zij voorts mogelijkheden de problematiek van de grensarbeid in relatie tot sociale zekerheid op te lossen?

Wat is de status van het voorstel tot modernisering van de sociale bescherming? Hoe wordt daar in Europees verband handen en voeten aan gegeven? Wat is de rol van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties? Hoe verhoudt dit zich tot het werkgelegenheidsbeleid en de nationale actieplannen? Er moet worden opgepast voor dubbelingen, want diverse zaken, zoals het bevorderen van de sociale integratie, zijn al onderdeel van het werkgelegenheidsbeleid en de actieplannen. Ten slotte wilde mevrouw Verburg meer weten over de bestrijding van discriminatie.

De heer Vendrik (GroenLinks) was blij met de Nederlandse constatering dat het Europese werkgelegenheidsbeleid slechts een onderdeel is van het sociale beleid en dat het zaak is de agenda van de Sociale Raad te verbreden. De materiële betekenis van de macro-economische beleidsdialoog is niet altijd te vatten. Bij de bespreking van de agenda van de vorige Ecofinraad had hij de minister van Financiën verzocht om een eerste analyse van de ervaringen met de Euro. De minister stuurt de Kamer daar komend voorjaar een notitie over, maar wellicht kan de kwestie van de macro-economische beleidscoördinatie, in het licht van de werkgelegenheidspolitiek en de afspraken daarover in de vorm van richtsnoeren en aanbevelingen, worden meegenomen. Ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hierbij betrokken.

Wat het werkgelegenheidspakket betreft is er sprake van een concept voor de aanbevelingen aan de lidstaten, dus ook voor Nederland. Wat houdt die aanbeveling precies in? Waar doet die pijn? Met betrekking tot de Europese vennootschap ligt Spanje nog steeds dwars. Binnenkort vinden daar verkiezingen plaats. Misschien is het zinnig nog even te wachten met het aannemen van de richtlijn terzake. Wordt die optie overwogen? Wellicht kan er ook met een kopgroep worden gewerkt.

Mevrouw Giskes (D66) vroeg om een toelichting op de begunstiging van de sociale en arbeidsmarktdimensie van de informatiemaatschappij bij de inzet van de ESF-middelen. Bij de begrotingsbehandeling is er door het ministerie op gewezen dat ESF-middelen ook worden ingezet voor het mogelijk maken van programma's op het gebied van de sluitende aanpak, gericht op de bemiddeling van langdurig werklozen. Hoe gaat dat precies? Met welke criteria wordt er dan gewerkt?

Het antwoord van de regering

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaf eerst antwoord op de eerder gestelde vragen van mevrouw Bussemaker over de geringe participatie van lager opgeleiden in de EU-scholingsprogramma's Socrates en Leonardo en de door het Europees Parlement geformuleerde amendementen op de richtsnoeren. Leonardo komt wat betreft de onderdelen mobiliteit en proefprojecten voor ongeveer 75% ten goede aan het onderwijs tot maximaal de BVE-sector en voor het resterende percentage aan het hoger onderwijs. Driekwart van de middelen komt dus ten goede aan lager opgeleiden.

De door het Europees Parlement ingediende amendementen zijn inmiddels besproken in de werkgroep sociale vraagstukken van de Sociale Raad en in de Coreper. Dit heeft geleid tot de overname van diverse amendementen in een compromistekst Richtsnoeren 2000. De regering heeft daar niet zoveel problemen mee. Met een aantal amendementen moet in dit stadium echter worden uitgekeken. In het amendement over de richtsnoer voor employability wordt gepleit voor een verhoging van het percentage langdurig werklozen van 20 naar 25. De implementatie van die beleidsdoelstelling vergt vooralsnog te veel tijd. Ook omdat het beleid terzake min of meer op de rails staat, zijn de lidstaten van mening dat die kwestie volgend jaar maar moet terugkomen. Nederland stemt ook in met de doelstellingen op het gebied van de verhoging van de participatie van kansarmen en de kinderopvang, maar de manier waarop de Commissie deze targets wil afdwingen, druist in tegen het huidige beleid van de verschillende lidstaten. Daar komt bij dat de voorstellen moeten worden voorbereid met de sociale partners. De minister zou proberen om, voordat de Raad begint, daarover nog contact met zijn collega's te hebben.

Desgevraagd, zegde de minister toe de Kamer volgend jaar zo vroeg mogelijk, maar nadat het voorbereidende ambtelijke werk is afgerond, een brief te sturen over de bestaande richtsnoeren en de richtsnoeren die er wellicht aan komen, met daarbij een passage over welke richtsnoeren volgens het kabinet kunnen worden aangescherpt. Dan kan de Kamer zich tijdig buigen over de resultaten ervan, bijvoorbeeld op het punt van employability of kinderopvang. Voorts zou de minister de Kamer een overzicht sturen van de procedures om te komen tot afspraken over de nieuwe richtsnoeren.

Nederland heeft de totstandkoming van het sociaal-economisch overleg op Europees niveau krachtig bevorderd, maar er is nog slechts sprake van een begin. Deze maand is voor het eerst de macro-economische dialoog gehouden, eerst technisch en vervolgens op het institutionele niveau. Dit beraad is echter vertrouwelijk. Als daarover iets wordt gemeld aan de regering, dan hoort de Kamer daar ook van. Er wordt echter geen verslag van het beraad gemaakt. Er is gesproken over de effecten van het monetaire en economische beleid op het structurele karakter van de werkloosheid. Commissaris Diamantopoulou heeft er vervolgens in de Sociale Raad nog iets over gezegd. Er kan echter nooit veel nieuws zijn besproken, want het probleem van de werkloosheid is welbekend in Europa.

Het is buitengewoon belangrijk de aanpalende dossiers ook te betrekken bij de werkgelegenheidsdiscussie. Wellicht kan via dezelfde methodiek ook op die terreinen tot meer inzicht worden gekomen. Daardoor worden zaken die sociaal van groot belang zijn, wellicht ook meetbaar. De komende tijd wordt geprobeerd de agenda van de Sociale Raad te verbreden. Commissaris Diamantopoulou komt met een voorzet.

Het beraad van de Commissie over artikel 13 is vertrouwelijk. De minister kon daar dus geen mededelingen over doen. Hij was niet op de hoogte van het ANP-bericht, maar hij wees er wel op dat een door Nederland voorgedragen commissaris niet de verlengde arm van de regering is. Maandag komt er meer duidelijkheid over wat de Commissie op dit punt van plan is. Hij en staatssecretaris Verstand hebben er de laatste tijd bij verschillende gelegenheden sterk op aangedrongen dat de Commissie zo snel mogelijk met een uitgewerkt voorstel komt.

De minister meldde dat het Comité voor de werkgelegenheid, als opvolger van de Employment and Labour Committee, inmiddels een status heeft gekregen. Dat was ook overeengekomen in het verdrag.

De resolutie over de informatiemaatschappij heeft vooralsnog geen groot effect op de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Het is daarom zinnig te bekijken of terreinen als onderwijs en employabilitybevordering wel voldoende worden gecoverd. Wellicht is hier en daar nog aanscherping mogelijk. Het is nog niet duidelijk of de resolutie zal leiden tot een herprioritering van de besteding van de ESF-middelen. Vooralsnog is er sprake van een flexibele prioritering, maar de minister geloofde niet dat de resolutie qua inzet tot een fundamenteel andere werking zal leiden, zeker niet in Nederland. De Commissie is overigens nog bezig met het programmeringdocument voor de inzet van de ESF-gelden. Dat kan nog bepaalde consequenties hebben in de richting van de resolutie.

Het probleem met het voorstel over de Europese vennootschap heeft te maken met het verzet van Spanje. Die kwestie speelt al decennia. Het gaat Spanje onder andere om het garantieniveau voor minimumparticipatie van werknemers. In de richtlijn ligt dat niveau hoger dan in Spanje zelf. Spanje wil dat niet. Speculeren op de uitslag van de verkiezingen in Spanje heeft geen zin. De uitkomst daarvan moet worden afgewacht, maar zo lang Spanje dwars blijft liggen, wordt de richtlijn niet vastgesteld. Ook voelt niemand voor het maken van een uitzondering voor Spanje. De inzet van het Finse voorzitterschap is erop gericht Spanje over de streep te trekken. Deze lijn wordt gesteund door de grootst mogelijke meerderheid van de landen. Het ligt niet voor de hand met een kopgroep te werken, want zo gauw je start met het verder coördineren van het vennootschapsrecht tussen een aantal lidstaten, ebt de ambitie weg om het Europees te doen. Veel landen kruipen dan terug naar hun nationale posities, waarna de onderhandelingen opnieuw kunnen beginnen.

De meeste landen stemmen in met de door Nederland aangegeven volgorde, waarin tot aanbevelingen over het werkgelegenheidsonderdeel wordt gekomen. De richtsnoeren hebben geen bindend karakter. De conclusie van het voorzitterschap dat een aanbeveling dus ook geen bindend karakter heeft, al moet die wel zeer serieus worden genomen, is door vrijwel alle landen ondersteund.

De minister zegde toe dat hij de Kamer schriftelijk zou informeren over het voorstel tot uitbreiding van de werkingssfeer van de verordening op het punt van de sociale zekerheid, de onderdanen van derde landen, niet-actieven en nieuwe typen van uitkeringen. Er moet in ieder geval een nieuwe rechtsgrond komen voor de onderdanen van derde landen, want de huidige is niet deugdelijk. De eventuele relatie met grensarbeid wordt dan ook toegelicht. Er wordt maandag in ieder geval nog niet over dit voorstel beslist, want daarvoor is unanimiteit nodig. Het gaat er meer om het voorzitterschap politieke guidance te geven over hoe er verder moet worden omgegaan met dit dossier.

De laatste aanpassingsvoorstellen op de richtsnoeren komen maandag aan de orde. Dat is ook de laatste gelegenheid, want de bespreking van aanstaande maandag vormt de afronding van de voorbereidingen voor Helsinki. Na er maandagmorgen eerst in de Sociale Raad over te hebben gesproken, komt een en ander 's middags in de Jumbo aan de orde. Daarmee is de top in Helsinki voorbereid. Vervolgens komt in Helsinki de laatste versie aan de orde, want de aanbevelingen worden door de Raad vastgesteld.

De vorm van de aanbevelingen is een springend punt, want de zo gewenste peer pressure en de integriteit van het proces mogen niet worden aangetast. Het komt echter voor – Nederland heeft dat zelf ook ervaren – dat bij het bestuderen van de nationale actieplannen niet direct wordt begrepen wat er in een lidstaat gebeurt. Dat kan leiden tot aanbevelingen of classificaties die niet terecht zijn. Nederland heeft er daarom voor gepleit, als de aanbevelingen en de rapportage in concept klaar zijn, om een lidstaat in de gelegenheid te stellen een reactie te geven. Op die manier kunnen evidente misverstanden worden voorkomen.

Bij sociale bescherming moet inderdaad worden opgepast voor dubbelingen, maar de modernisering hiervan heeft veel meer om het lijf. De Europese discussie hierover wordt geleidelijk aan ingevuld, maar het volgende voorzitterschap is sterk gemotiveerd om hier invulling aan te geven. De minister had al een afspraak gemaakt met zijn Portugese collega om daarover van gedachten te wisselen. Er zullen voorts allerlei bijeenkomsten worden belegd over dit onderwerp. Een aantal elementen uit het voorstel kan deel uitmaken van de nationale actieplannen, maar in dit voorstel komen die op een andere manier aan de orde. Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderwerp van de pensioenen. Ook dat leidt tot een verbreding van de agenda. Desgevraagd, zegde de minister toe dat hij zijn Portugese collega maandag zou vragen wanneer deze met een plan terzake zou komen.

De minister zou over de analyse van de ervaringen met een jaar euro contact opnemen de minister van Financiën, want ook hij vond het zinnig om een en ander te belichten vanuit de macro-economische kant. De rapportages over de richtsnoeren, verband houdend met de sociale component, zijn inmiddels aan de orde geweest in de werkgroep sociale zaken. In de aanbeveling aan Nederland wordt opgemerkt dat in het belasting- en het socialezekerheidsstelsel alhier weinig prikkels zitten om mensen tot activiteiten te bewegen. Nederland onderkent dit enigszins. Via het nieuwe belastingstelsel wordt geprobeerd om daar wat aan te doen, want het moet interessanter worden om te werken. Op die manier wordt er ook iets gedaan aan de problematiek van de armoedeval. Ook staat in de aanbeveling dat Nederland veel beter moet monitoren. Inmiddels is de regering bezig te komen tot een integrale aanpak van de gegevensverschaffing. Zodra deze aanbeveling is vastgesteld in Helsinki, wordt de Kamer geïnformeerd over hoe de regering daarmee denkt om te gaan.

Er is gekozen voor het flexibel inzetten van de ESF-middelen voor de bevordering van de werking van de arbeidsmarkt. Dat maakt het mogelijk de prioriteiten de komende zes jaar af te stemmen op de meest urgente behoeften. Door de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt kan het merendeel van de ESF-middelen de komende jaren worden besteed aan het bestrijden van de langdurige werkloosheid. Zodra dat mogelijk is, wordt er gekanteld naar het systeem van de sluitende aanpak. Daarmee is het probleem van de langdurige werkloosheid voor een belangrijk deel gecoverd. Het resterende deel kan met andere middelen worden tegemoet getreden. De Europese Commissie moet er nog wel mee instemmen.

Verslag Ecofinraad van 8 november 1999 (EU-99-222/Fin-99-645)

Agenda Ecofinraad van 29 november 1999 (EU-99229/Fin-99-668)

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Crone (PvdA) ging ervan uit de bewindslieden hun uiterste best zouden doen het compromisvoorstel over de energiebelasting toch aanvaard te krijgen. Hij was voorstander van zoveel mogelijk vooruitgang op dit gebied. Hoe taxeren de bewindslieden de politieke stand van zaken met betrekking tot de algemene belastingdossiers?

Wat betreft de algemene economische coördinatie en de vooruitzichten terzake was de heer Crone benieuwd naar de mening van de regering over de recente rapporten over de diverse economische ontwikkelingen. Gelukkig is de EMU een succes, ook als het gaat om de eenwording en de convergentie. Er is sprake van inflatieverschillen in de afzonderlijke lidstaten, maar ook hij vond dat geen reden tot zorg, want binnen één muntblok mogen er verschillen zijn. De economische groei zet door. Voor Nederland wordt tot en met 2001 een groei van boven de 3% geraamd. Wat vindt de minister daarvan, ook gelet op de belastingmeevallers? Wat heeft dat voor gevolgen voor de uitgavenkant? Eerder werd uitgegaan van een lagere economische groei. Desondanks blijft het uitgangspunt behoedzaam ramen, ook bij de toetsing van de stabiliteitprogramma's.

De heer Crone wilde een toelichting op het gestelde over de lopenderekeningonevenwichtigheden op mondiaal niveau en het probleem van de kwetsbaarheid van economieën voor plotselinge veranderingen. Hoe staat het wat dat betreft met de Verenigde Staten? Daar kampt men met een groot tekort. Welke discussie verwacht de minister hierover? Het toezicht op de financiële markten wordt ook voortgezet. Er worden steeds meer praktische toezichtvragen gesteld, als gevolg van het toenemend belang van internationale financiële conglomeraten. Wat vindt de minister daarvan? Vindt de minister ook, net als de heer Duisenberg dat er wat dit betreft beter moet worden gecoördineerd?

In het jaarverslag van de Europese Rekenkamer staat dat het foutenpercentage met betrekking tot de betalingen niet is verbeterd. Hoe wordt daarmee omgegaan?

De heer Vendrik (GroenLinks) vroeg of het klopt dat de Ecofinraad moet adviseren over het verlenen van kwijting voor het jaarverslag 1998 van de Rekenkamer. Als dat het geval is, dan biedt dat de Ecofinraad formeel de mogelijkheid om een oordeel uit te spreken over de wijze waarop het begrotingsjaar is afgewerkt. Hoe wordt die kwijtingprocedure politiek benut? Ook hij was benieuwd naar de reactie van de minister op de jongste schattingen over de Nederlandse economische groei. Kan het rapport over de economische beleidscoördinatie worden toegevoegd aan de analyse over één jaar euro? Wellicht kan het verschil in economische ontwikkelingen in de Europese landen daarbij worden meegenomen.

Er wordt vrijwel geen voortgang meer geboekt met het compromisvoorstel over de energiebelasting, want dat is voor een aantal landen niet aanvaardbaar. Dat wil zeggen dat het kopgroepmodel, het maken van afspraken met een zo groot mogelijke kopgroep van gelijkgezinde landen, dichterbij komt. De heer Vendrik vond dat prima, want zijn fractie wil een Europese energieheffing. Pas dan wordt het concurrentieprobleem met betrekking tot de invoering van een nationale energieheffing weggenomen. Welk traject wordt hierbij gevolgd? Wanneer wordt daar met de Kamer over gesproken?

De Kamer heeft al vertrouwelijk gesproken met de staatssecretaris over het Primarolorapport. Het staat ook op de agenda van de Ecofinraad. Welke politieke positie neemt de regering op dat punt in, ook gelet op de mening van de Britten over het fiscale EU-akkoord? Wat geeft dan de doorslag? Het Nederlandse voordeel in de verschillende richtlijnvoorstellen of het nadeel van het als schadelijk aanmerken van een aantal Nederlandse belastingregelingen? Het leek hem goed deze politieke kwestie zoveel mogelijk in de openbaarheid te bespreken.

Het deed mevrouw Giskes (D66) deugd dat een bepaald land in de verslagen met naam en toenaam wordt genoemd. Zij constateerde met genoegen dat Nederland al heel ver is met de introductie van de euro, met name wat betreft de munten en de termijn van twee weken.

De reactie van de bewindslieden

De minister van Financiën wees erop dat één land, het Verenigd Koninkrijk, voor één keer met de naam is genoemd, omdat dit ook is gebeurd in de conclusies van de voorzitter. Het Verenigd Koninkrijk blokkeert de overeenstemming over de fiscale behandeling van rente uit spaartegoeden en de informatie-uitwisseling daarover. Alle landen zien het belastingpakket echter als één samenhangend pakket. Dat wil zeggen dat hiermee voorlopig geen voortgang wordt geboekt, want het ziet er niet naar uit dat Britten snel zullen buigen. Dat komt mede, omdat de oppositie aldaar, als er wel wordt ingestemd met het pakket, de Britse regering ervan zal beschuldigen dat de belangen van het Verenigd Koninkrijk worden verkwanseld ten behoeve van die van Europa. Nederland volgt de eenpakketbenadering. Het is van essentieel belang dat dit pakket door alle vijftien lidstaten wordt geaccordeerd, want dan kan de Unie, vanwege de vertoonde eenheid, bij andere landen ook weer bepaalde zaken op dit punt bewerkstelligen. De laatste tijd zijn er wel stapjes vooruit gezet, bijvoorbeeld als het gaat om de afschaffing van de taxfreebepaling en de verlaging van de BTW op arbeidsintensieve diensten, maar voor de rest ligt het stil. Desgevraagd, bevestigde de minister dat hij met zijn Duitse collega heeft gesproken over het belastingpakket en de vorderingen daarmee. Ook deze weet dat de eenpakketgedachte breed gedragen wordt. Als dat pakket er vooralsnog niet in zit, dan wordt er wat Nederland betreft überhaupt niet toegekomen aan de diverse onderdelen van het Primarolorapport. De minister was bereid om bilateraal met Duitsland te spreken over onderdelen uit de Nederlandse belastingwetgeving die wellicht voor irritatie zorgen, maar het blijft een feit dat er onevenwichtigheden in het Primarolorapport zitten. Daarover is een brief aan de voorzitter van deze commissie geschreven. Als er volgende week geen vorderingen worden gemaakt met het belastingpakket, dan moet een en ander maar even betijen. Dan kan men wellicht via de achterdeur verder praten. Te zijner tijd doet zich waarschijnlijk wel weer een kans voor een en ander weer in beweging te krijgen.

De najaarsramingen, opgesteld door de Commissie, zien er voor Nederland niet slecht uit, al zijn ze voor een aantal andere landen, zoals Oostenrijk, somberder. Dat wil zeggen dat Oostenrijk in zijn stabiliteitprogramma waarschijnlijk te optimistisch is geweest over de prognoses. De prognoses van de OESO zijn weer wat voorzichtiger. Het wachten is op de nieuwe ramingen van het CPB in maart, april volgend jaar. De CBS-cijfers over het derde kwartaal van 1999 zijn overigens onverwacht mooi. Daar kunnen de meevallende belastingopbrengsten uit worden verklaard.

Uit de notitie over de lopenderekeningonevenwichtigheden op mondiaal niveau blijkt dat je op basis van betalingsbalansonevenwichtigheden alleen niet meer kunt concluderen dat het mis gaat. Dat kon vroeger wel. De ontwikkeling van de internationale kapitaalmarkt is namelijk steeds verder gegaan. De vraag of is er sprake is van een houdbare verhouding en het vertrouwen daarin wordt steeds crucialer. Dat stelt eisen aan de vertrouwenwekkendheid van het overheidsbeleid. Er worden waarschijnlijk nog geen beleidsconclusies getrokken. Overigens is er ook sprake van een conjunctureel element als het gaat om de betalingsbalansverhoudingen van dit moment, maar er is geen reden om de noodklok te luiden. Een en ander wordt wel op de voet gevolgd. In de Euro-11 wordt er ook regelmatig over gesproken.

Op aandrang van Nederland wordt er momenteel gekeken naar de intersectorale en internationale fusies, dit met het oog op het ontstaan van financiële conglomeraten, ook vanwege de toezichtverhoudingen. Bij een dergelijke fusie is het van groot belang goede afspraken te maken tussen de toezichthouders van beide landen. Daarbovenop wordt nog een checklist gemaakt.

Ook de minister werd zo langzamerhand een beetje treurig van de cijfers in het verslag van de Europese Rekenkamer over 1998. Er is veel voortgang geboekt, bijvoorbeeld op het punt van de financiëlesanctiemogelijkheden, maar dat heeft nog geen positief resultaat voor de cijfers gehad. Het streven is er nu op gericht de Commissie toezeggingen terzake te ontlokken en meetbare prestatieafspraken te maken over verbeteringen. Wat wel meespeelt, is dat er vaak meer wordt geconstateerd als er dieper wordt gegraven. De kwaliteit van de controle wordt beter, maar daardoor kun je tot hetzelfde foutenpercentage komen of zelfs tot een hoger percentage. De minister sprak de hoop uit dat deze scherpere controle het begin is van een daadwerkelijke daling. Van onderop wordt er steeds meer verbeterd. Ook bij het kwijtingoverleg in maart over de aanbeveling terzake in de Ecofinraad zal worden geprobeerd de Commissie de duimschroeven aan te draaien. De Nederlandse Rekenkamer wordt overigens ook bevoegd verklaard.

De minister zegde toe dat de openbare rapporten over de economische beleidscoördinatie zullen worden toegevoegd aan de analyse van één jaar euro. Uit rapporten die niet openbaar zijn, zal zoveel mogelijk worden geput. Er zal ook worden ingegaan op de divergentie van de economische ontwikkelingen. Inmiddels is in de praktijk gebleken dat er niet alleen sprake is van catching up bij reële economische ontwikkeling, maar ook bij inflatie. Bij landen met een snelle economische groei gaat het loonniveau in de dienstensector veel sterker omhoog dan in andere landen, vanwege de productiviteitswinst. De prijsstijging in de dienstensector zal in die landen dus ook veel sterker zijn. In landen met een lage economische ontwikkeling die met catching up bezig zijn, krijg je vervolgens ook een hogere prijsstijging, zonder dat dit schadelijk is voor de concurrentieverhoudingen.

De mogelijkheid van een kopgroepmodel voor de energiebelasting gaat worden onderzocht. Duitsland heeft belangstelling om daar samen met Nederland aan te trekken. Wel moet er nog een vorm worden gekozen. Ook moeten er medestanders worden gevonden, want met een kleine groep kom je niet ver.

De staatssecretaris van Financiën ging ervan uit dat de meeste landen de eenpakketgedachte blijven benadrukken, al zullen sommige landen proberen om die uit te kleden, afhankelijk van de diverse belangen. Nederland houdt vast aan de eenpakketgedachte, aan de belastingcoördinatie.

De Commissie-Primaloro heeft haar mandaat overschreden. De regering heeft haar mening over het rapport inmiddels al kenbaar gemaakt. Er is met name onvoldoende rekening gehouden met de standpunten van kleinere landen, vooral als het gaat om de fiscale concurrentie. Zo staan sommige Engelse regelingen niet op de lijst, terwijl Nederlandse regelingen, vrijwel identiek daaraan, wel zijn opgenomen. Dat is niet acceptabel. Er moet sprake blijven van evenwicht. Er is ook onderscheidgemaakt tussen regelingen die betrekking hebben op het financiële gebeuren en de niet-financiële regelingen. De laatste hadden ook moeten worden meegenomen, maar dat is niet gebeurd. Doordat er met een deelsector is begonnen, wordt een en ander ondoorzichtig. Daardoor is een inhoudelijke, evenwichtige afweging niet goed mogelijk. Ook de discussie over de vergelijking van de effectieve druk is even achter de horizon verdwenen. Bovendien is Nederland het niet eens met een aantal conclusies. Op die punten is daarom een algemeen voorbehoud gemaakt. Er wordt in het rapport ook niet aangegeven wat er met de conclusies moet gebeuren. Het is moeilijk in te schatten wat er verder met het rapport gebeurt. Omdat het echter deel uitmaakt van het belastingpakket, is het voor Nederland niet acceptabel als het rapport eruit wordt gelicht. Er wordt geprobeerd een en ander naar de Europese top te krijgen, maar het is afwachten of dat lukt. Nederland blijft dan uiteraard bij zijn standpunt.

Op verzoek van Duitsland is de richtlijn over de Europese ecotaks aan de agenda toegevoegd. Blijkbaar wil Duitsland die politiek bespreekbaar maken. Nederland zal Duitsland daarin steunen.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA) en Van Baalen (VVD).

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Wilders (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD) en Gortzak (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Kalsbeek (PvdA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Balkenende (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA) en Wilders (VVD).

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hamer (PvdA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA) en De Vries (VVD).

XNoot
3

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), De Vries (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Balkenende (CDA), Stroeken (CDA), Patijn (VVD), Van Beek (VVD), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Remak (VVD), Wijn (CDA) en Kuijper (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Hofstra (VVD), De Wit (SP), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Dankers (CDA), Bijleveld-Schouten (CDA), Hillen (CDA), Blok (VVD), Weekers (VVD), Rabbae (GroenLinks), Hindriks (PvdA), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA) en Timmermans (PvdA).

Naar boven