Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 112 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 21501-18 nr. 112 |
Vastgesteld 2 december 1999
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 11 november 1999 overleg gevoerd met minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:
– verslag van de Sociale Raad van 22 oktober 1999;
– agenda van de Sociale Raad van 12 november 1999.
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Harrewijn (GroenLinks) vroeg of het verboden is, de namen van lidstaten in Europese verslagen te noemen. Hierdoor kan niet worden nagegaan wat de mening van Nederland is. Daarom vroeg hij of Nederland het pleidooi voor kwantificeerbare doelstellingen bij de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2000 heeft ondersteund. Welke positie nam Nederland in bij de modernisering van de sociale bescherming?
In richtsnoer 5 wordt voorgesteld, niet akkoord te gaan met het voorstel van de Commissie omdat de voorgestelde wijzigingen volledig de strekking van het richtsnoer veranderen aangezien de activiteiten van sociale partners worden toegespitst op het promoten van de employability van werklozen en inactieven. Wat is hier echter tegen? Bij de richtsnoeren gaat het namelijk om de werkgelegenheid en niet om employability in het algemeen.
De heer Harrewijn ondersteunde het standpunt van de regering bij richtsnoer 12. Niet alleen de publieke arbeidsvoorziening heeft in dezen een taak, maar ook de private. Nederland heeft hiervoor gekozen en het is consequent deze lijn te volgen. De Commissie spreekt nu niet meer over autoriteiten, maar over partners op regionaal en lokaal niveau. Waar is de rol van de overheden op lokaal en regionaal niveau in deze richtsnoer gebleven? Wellicht kan in een tweede wijziging worden voorgesteld, hier wel de overheden bij te noemen?
De regering wil in richtsnoer 16 de oorspronkelijke tekst handhaven. De heer Harrewijn vond het positief dat in de richtsnoer sprake is van een proces omdat dit meer veronderstelt dan alleen onderhandelingen tussen de sociale partners.
Nederland had aanbevolen, meer werk te maken van de prikkels die zijn ingebouwd in het belastingen- en uitkeringsstelsel, maar de reactie luidt dat men hier al mee doende is. De regering geeft prikkels in het belastingplan voor de 21ste eeuw om meer deel te nemen aan arbeid, maar hoe zit het met prikkels rondom het uitkeringsstelsel? Volgens de heer Harrewijn vindt men in Europa dat ons uitkeringsstelsel een wat soberder karakter kan krijgen, een mening waarmee hij zich uiteraard niet kan verenigen.
Mevrouw Örgü (VVD) merkte op dat in de Europese werkgelegenheidsstrategie 55 aanbevelingen worden gedaan met drie aanbevelingen voor Nederland. In het verslag is een correctie toegepast ten aanzien van het Nederlandse beleid, waardoor Nederland ingedeeld is in de eerste groep van de lidstaten. Dit alles was ontstaan door een communicatiestoornis. Kan een gezamenlijke werkmethode worden gecreëerd waarin dezelfde begrippen worden gebruik en waarin de statistieken op elkaar worden afgestemd? Het stemde haar positief dat gekozen is voor thema's in het actieprogramma gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Voor het terrein sociale bescherming zijn de lidstaten zelf verantwoordelijk. Wat wordt echter bedoeld met de opmerking dat de Commissie een aanzet heeft gegeven tot de ontwikkeling van een meer gemeenschappelijke visie op de sociale bescherming in de unie? Deze aanzet moet goed omschreven worden en mag niet leiden tot extra papier.
Uit een vorig overleg werd duidelijk dat de minister er tegen is om zelf drie richtsnoeren uit het totale pakket werkgelegenheidsrichtsnoeren te kiezen. Mevrouw Örgü bracht dit punt met het oog op het thema gelijke kansen voor mannen en vrouwen nogmaals onder de aandacht omdat hierdoor een meer effectieve handelwijze kan ontstaan.
Mevrouw Verburg (CDA) had er behoefte aan in het verlengde van het verleden week gevoerde overleg, de minister een vraag te stellen over de vormgeving en uitvoering van het ESF-programma. De minister merkte eerder op dat een accountant doende is met een voorstel over het beheer en de aansturing, maar uit het programma zelf blijkt een zekere vorm van centralisatie. Wat heeft vestiging van het ESF-bureau in Amersfoort en de concentratie op zes regiobeoordelaars voor gevolgen van de toegankelijkheid en de aanvraagprocedure voor projecten in het kader van het ESF? Als de coördinatie bij de projecten verdwijnt, is het risico groot dat slechts enkele organisaties daarop een beroep kunnen doen, hetgeen in strijd zou zijn met de toegankelijkheidsnorm.
Kan de staatssecretaris mededelen wat is afgesproken tijdens de Sociale Raad van 14 oktober jl. over de gelijke beloning als speerpunt in het nieuwe programma van de EU? Op welke wijze krijgt dit punt een vervolg in de Sociale Raad van 12 november?
Tot slot vroeg mevrouw Verburg aan de bewindsman hoe het programma equal zal worden toegepast. Op welke wijze kan Nederland op het gebied van integratie en werkgelegenheid voor toegelaten allochtonen van andere lidstaten nog iets leren?
Mevrouw Schimmel (D66) sprak haar complimenten erover uit dat in het vijfde actieprogramma gelijke kansen voor mannen en vrouwen de Nederlandse punten duidelijk aandacht krijgen. Wordt de gelijke beloning nog een apart punt waaraan aandacht wordt besteed? Nederland is in verband met de modernisering van de sociale bescherming tevreden over de ontwikkeling van een meer gemeenschappelijke visie op de sociale bescherming. Een van de lidstaten was van oordeel dat voor het terrein van sociale bescherming eenzelfde exercitie moest worden opgezet als enkele jaren geleden voor de werkgelegenheid was gedaan. Deze lidstaat was van mening dat hierover een beleidsdiscussie op unieniveau moest worden gestart met een jaarlijkse rapportage, een bekende methodiek van peer review en peer pressure. Op het gebied van de werkgelegenheid blijkt dat deze aanpak tot een zekere structuur en inzicht leidt. Deelt Nederland deze mening?
Mevrouw Schimmel sloot zich aan bij de opmerking van de heer Harrewijn over richtsnoer 5. Zij deelde de mening van de bewindsman dat dit richtsnoer te veel wordt ingeperkt, maar wellicht is dit gebeurd omdat de andere richtsnoeren zich richten op inzetbaarheid van werkzoekenden. Zij vroeg de minister om een reactie op dit punt.
Mevrouw Bussemaker (PvdA) vroeg de minister om een toelichting op zijn opmerking dat Nederland er belang aan hecht dat de richtsnoeren een generiek karakter blijven behouden en dat specifieke invulling een zaak van individuele landen is. De richtsnoeren dienen zo effectief mogelijk te zijn. Waar kwantificeerbare doelstellingen zijn vastgelegd, zijn de prestaties verbeterd. De bewindsman stelt dat de richtsnoeren niet te gedetailleerd mogen worden, omdat ze dan niet effectief werken. Mevrouw Bussemaker meende dat gedetailleerde en kwantificeerbare doelstellingen extra effectief werken. Wil de minister hierop ingaan?
In richtsnoer 3 wordt het streefcijfer voor scholingsmaatregelen voor werklozen op 20% gezet. Het is de benchmark, gebaseerd op gemiddelde van de best presterende lidstaten. Inmiddels geldt echter dat voor de meeste landen dit doel bereikt is. Ligt het dan niet voor de hand om het streefcijfer iets hoger te stellen? Wil de minister dit inbrengen tijdens de volgende vergadering over de richtsnoeren?
Bij richtsnoer 5 keert de regering zich tegen de voorgestelde wijzigingen die beogen, de activiteiten van de sociale partners toe te spitsen op het bevorderen van inzetbaarheid van werklozen en activiteiten. Deze verantwoordelijkheid zal echter in eerste instantie de werknemers betreffen, zo stelt de regering. Volgens mevrouw Bussemaker zijn de inzetbaarheid en de employability de verantwoordelijkheid van werknemers én werkgevers. Kan de minister hierop een toelichting geven?
De verantwoordelijkheid van de sociale partners kan zich wel degelijk uitstrekken tot de groepen werklozen en inactieven. Het is echter beter, de verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de inzetbaarheid in het algemeen te formuleren zodat de bedoeling van het richtsnoer beter tot uitdrukking komt.
De regering is het niet eens met de wijzigingen in richtsnoer 16. Zij geeft er de voorkeur aan, aan te sluiten bij de oorspronkelijke tekst aangezien deze meer aansluit bij de praktijk. Mevrouw Bussemaker was het hiermee enerzijds eens, anderzijds had zij er begrip voor dat de nieuwe formulering bedoeld is om de lidstaten krachtiger te vragen de zaken te regelen, mede gelet op het feit dat thans expliciete voorbeelden worden gegeven. De oorspronkelijke formulering is vager: «De sociale partners wordt verzocht op alle gepaste niveaus, door middel van onderhandelingen overeenstemming te bereiken.» Ook hierop hoorde mevrouw Bussemaker graag een reactie.
Tijdens het laatste overleg vroeg zij naar het vergroten van kansen voor mobiliteit en het volgen van onderwijs voor lager opgeleiden. Kan de minister deze vraag nu beantwoorden? Bij die gelegenheid kwamen de aanbevelingen van de Commissie aan de orde. Voor prikkels ter bevordering van arbeidsparticipatie wordt verwezen naar de belastingen en de sociale zekerheid. De minister merkte op dat dit punt bij het belastingplan moet worden ingebracht, maar ligt het niet voor de hand uit een oogpunt van inzetbaarheid van de doelstellingen voor het gelijkekansenbeleid, waarop de richtsnoeren gebaseerd zijn, ook voor deeltijders met kleine banen prikkels af te geven, zodat die de arbeidsmarkt opgaan? Zij krijgen, met andere woorden, dan een arbeidskorting. In dat kader kan ook de positie van alfahulpen worden verbeterd.
De heer Melkert hield de afgelopen week in Helsinki een lezing over het nationale armoedebeleid in relatie tot Europa. Hij merkte op dat het nationale werkgelegenheidsbeleid door de richtsnoeren een meerwaarde heeft gekregen. Hij stelde voor een Europees sociaal model te ontwikkelen waarin gemeenschappelijke kwaliteitscriteria zijn opgenomen ter versterking van nationaal beleid in lidstaten. Het kan hierbij gaan om analfabetisme, minimumgaranties voor bestaanszekerheid, verzorging van ouderen, ondersteuning van alleenstaande ouders en arme gezinnen. Deze richtsnoeren zouden dan geselecteerd moeten worden conform de nationale behoefte. Een Europees comité armoedebeleid en sociale uitsluiting zou aanbevelingen aan de Europese Commissie kunnen doen. Mevrouw Bussemaker vroeg de minister om een reactie in het geval het punt armoede zou worden toegevoegd aan de richtsnoeren over werkgelegenheid, scholing, aanpassing aan de arbeidsmarkt en gelijke kansen.
Onder verwijzing naar het algemene overleg van verleden week vroeg zij beide bewindslieden, het punt omtrent gelijke beloning, daar waar mogelijk, te blijven agenderen. Dus niet alleen in het kader van het Actieprogramma gelijke kansen, maar ook in vergaderingen van de Sociale Raad. Tot slot merkte mevrouw Bussemaker op dat zij de positie van vrouwelijke vluchtelingen mist in het actieprogramma. Kan de staatssecretaris toelichten hoe de discussie over dat programma is verlopen?
De minister merkte op dat de lidstaten er geen prijs op stellen als met naam en toenaam hun inbreng in de vergaderingen wordt weergegeven. Nederland zorgt er wel voor dat de Kamer weet wat zijn inbreng is. Reagerend op de vragen over richtsnoer 5 merkte hij op dat het niet de bedoeling is dat werknemers de verantwoordelijkheid moeten dragen voor employability. De Nederlandse regering is van mening dat de employabilityagenda, zoals die in het bedrijfsleven tussen sociale partners ontwikkeld wordt, allereerst betrekking moet hebben op de werknemers die nog actief zijn. Daarnaast kan de hoop worden uitgesproken dat de sociale partners ook kansen bieden aan mensen die niet actief zijn. De ontwikkeling van deze richtlijn loopt weg van de zittende werknemers en verplaatst zich naar de werklozen. De bewindsman meende dat beide aspecten een plaats daarin moeten hebben. Hij lichtte toe dat onder employability wordt verstaan dat werknemers zelf, met hulp van werkgevers, vanuit het perspectief dat het in de toekomst niet zozeer gaat om de zekerheid van een baan, maar meer om werkzekerheid, in staat moeten zijn om de ontwikkelingen mee te maken. De employabilityagenda is erop gericht, ervoor te zorgen dat mensen niet uit het arbeidsproces vallen omdat ze de aansluiting op nieuwe ontwikkelingen missen. Dit neemt echter niet weg dat de regering het zeer toejuicht als de sociale partners een rol spelen in de richting van werklozen. Desgevraagd legde hij uit dat de employability-inspanning zich vooral richt op werknemers en niet op werklozen. Hij weerlegde de opmerking dat er in het richtsnoer sprake is van een verantwoordelijkheidsverdeling. Het bezwaar van de regering tegen de voorgestelde wijziging is dat de aandacht voor de werkenden die het employabilitybeleid moeten ondergaan en daar onderwerp van zijn dreigt weg te vallen, zodat het alleen over de werklozen lijkt te gaan. De bewindsman benadrukte dat de regering het belangrijk vindt dat de werkenden zich verder kunnen bekwamen. Verder juicht de regering het van harte toe als de sociale partners dit niet alleen betrekken op de werkenden, maar ook op werklozen. In antwoord op de vraag of Nederland kan bewerkstelligen dat specifiek de werklozen in het richtsnoer worden opgenomen, merkte de bewindsman op dat het zeer moeilijk is om tijdens dat soort vergaderingen in Brussel een tekst te wijzigen. Verder zei hij dat de tekst van het richtsnoer geen pijn doet; de regering heeft alleen laten weten dat daar een aantekening bij past.
Ten aanzien van richtsnoer 12 zei hij dat de autoriteiten niet worden uitgesloten. In Europa vindt de laatste jaren de introductie van sociale partners plaats en soms lijkt het erop dat de regeringen, die aan het woord zijn, de sociale partners als instrument van hun eigen beleid zien en ze als het ware nationaliseren, hetgeen niet de bedoeling is. De Nederlandse regering ziet sociale partners als organisaties die grote verantwoordelijkheden dragen, maar los van de overheid met een eigen verantwoordelijkheid.
In het belastingstelsel wordt meer werk van de prikkels gemaakt. Dit kan echter niet worden bereikt door degenen die nu aan de onderkant van het inkomensgebouw zitten minder te laten ontvangen omdat de afstand groter wordt. Er moeten faciliteiten komen die ervoor zorgen dat het werk meer loont. De Kamer bespreekt dit punt bij het arbeidskostenforfait. Vanuit Europa meent men echter dat hieraan meer kan worden gedaan. De complexiteit van de armoedeval is bekend. Er is sprake van een zekere verleiding om, zoals de uitkeringsorganisaties vragen, werken meer lonend te maken. Dan volgt echter een discussie over de vraag of dit eerlijk is, omdat de afstand te groot wordt. Op de vraag of de bewindsman bereid is uit te spreken dat het feit dat de arbeidskorting pas ingaat bij 50% van het wettelijk minimumloon een belemmering kan zijn om uitvoering te geven aan het advies van de Europese Commissie, antwoordde hij negatief. Hij verwees naar een wetsvoorstel dat bij de Kamer ligt waarin het kabinet zijn opvattingen heeft neergelegd. De Kamer zal ruimschoots de gelegenheid krijgen daarop te reageren.
De opmerkingen over betere statistieken en werkmethodes onderschreef de bewindsman. Het op elkaar afstemmen van statistieken is een continu probleem en het is onderwerp van voortdurend overleg in de ambtelijke werkgroepen. Uit de stukken blijkt dat er ook voor Nederland een probleem bestaat met de productie van cijfers. Er wordt echter naarstig naar een oplossing gezocht.
Inderdaad zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de sociale bescherming, maar ook anderen hebben belangstelling voor dit onderwerp. Enige jaren geleden begon men met het proces van de richtsnoeren voor werkgelegenheid dat met enorme scepsis omgeven was. Het is thans goed te constateren dat in Europa een discussie ontstaat over andere onderdelen van de Sociale agenda. De minister sprak de verwachting uit dat het Portugese voorzitterschap hier veel aan gaat doen. Men is voornemens om de sociale cohesie, ook in bijzondere vergaderingen, scherp te agenderen.
Op de vraag of een onderwerp als armoede op Europees niveau aandacht moet krijgen, antwoordde de minister dat zeker de aanpak van andere landen van de armoedebestrijding aandacht verdient. Het zou goed zijn, als andere lidstaten oplossingen aandragen omdat dan de behoefte bestaat dit probleem zo accuraat mogelijk te omschrijven. De bewindsman verwacht dat onder het Portugese voorzitterschap – en hij zal hieraan een bijdrage leveren – deze agenda nader wordt uitgewerkt. Hij zou het op prijs stellen als ook in Europees verband besproken wordt wat elk land op het gebied van armoedebestrijding, armoedeval en activering onderneemt. De bewindsman wil graag als soortgelijke punten worden geagendeerd of zich andere activiteiten onder het Portugese voorzitterschap ontplooien, de Kamer daarvan op de hoogte stellen.
De minister stelde voor, na de Sociale Raad terug te komen op de vragen die mevrouw Verburg over de ESF heeft gesteld. Dit geldt ook voor vragen over de lager opgeleiden en de mobiliteit. In antwoord op vragen naar het generieke en specifieke karakter van de richtsnoeren merkte de minister op dat voorkomen moet worden dat Europa voorschrijft welke instrumenten en organisaties moeten worden ingezet. Wel is het interessant, uit te vinden langs welke wegen de beste resultaten bereikt kunnen worden. De vraag over scholingsmaatregelen voor werklozen kan de bewindsman thans niet precies beantwoorden. Het is mogelijk dat via de vele reïntegratiebudgetten, de WIW en een te verwachten intensivering via nieuwe ESF-gelden de percentages veranderen. De bewindsman zegde toe hierop te zijner tijd meer gedetailleerd te zullen terugkomen. De richtsnoeren voor volgend jaar kennen een lang traject. Zodra dit is afgerond, worden de discussies daarover onmiddellijk gestart. Reagerend op de vraag of de norm van 20% verhoogd kan worden, antwoordde hij dat eerst bezien dient te worden wat voor andere lidstaten dragelijk is. Volgend jaar zal de bewindsman bekijken of de benchmark op dit punt kan worden aangescherpt.
De staatssecretaris merkte op dat zij omtrent de concretisering van doelstellingen de opvatting van een lidstaat heeft onderschreven. Zij heeft actief ingebracht het op elkaar afstemmen van data en statistieken, zodat in de unie een betere vergelijking mogelijk wordt. De kwestie van de equal pay heeft de staatssecretaris ingebracht bij het vijfde actieprogramma. Op dit terrein is zij eveneens actief geweest tijdens de ministeriële conferentie in Zweden waar zij meegeholpen heeft, een aantal lijnen uit te zetten, hetgeen mede te maken heeft met het voorzitterschap van dit land in 2001. Op deze wijze wordt getracht, het onderwerp gelijke betaling duidelijker op de Europese agenda te zetten. Ook voor Nederland is zij doende, te bezien hoe de verschillen in betaling kunnen worden teruggedrongen.
De staatssecretaris benadrukte naar aanleiding van een vraag over de positie van vrouwelijke vluchtelingen dat dit punt onderdeel dient uit te maken van het vluchtelingenbeleid. In die zin is dit onderwerp in Tampere aan de orde geweest. Het kan dus niet tussen de wal en het schip vallen. Ook bij de verantwoordelijke bewindspersonen is dit punt aan de orde gesteld.
Zij merkte op dat zij als enige in Luxemburg actief een aantal punten heeft ingebracht voor het vijfde actieprogramma dat nader door de Commissie zal worden uitgewerkt. Ook heeft zij het mainstreamen van het emancipatiebeleid benadrukt. Hiervoor is een goede ondersteunende structuur nodig. Zo dient het tweesporenbeleid te worden voortgezet alsmede het ontwikkelen van specifiek emancipatiebeleid. Ook het tweede spoor, het gender mainstreamen, dient nader te worden ontwikkeld. Het onderwerp vrouwelijke vluchtelingen dient volgens de staatssecretaris te worden ondergebracht bij het gender mainstreamen.
Het Equalprogramma bestaat nog maar in conceptvorm. Dit belet de staatssecretaris echter niet, nu al na te denken over de vraag hoe daarmee transnationaal kan worden gewerkt. In die zin heeft zij de conferentie in Zweden benut.
De heer Harrewijn (GroenLinks) toonde zich tevreden over het enthousiasme van de minister ten aanzien van de sociale bescherming en de cohesie. Armoedebestrijding zal hiervan een belangrijk onderdeel uitmaken. Hij herhaalde zijn vraag over richtsnoer 16 betreffende de positie van de sociale partners.
Mevrouw Örgü (VVD) vroeg of de minister kon mededelen welke concrete maatregelen hij in gedachten heeft ten aanzien van de armoedebestrijding.
Mevrouw Verburg (CDA) lichtte haar vraag over het Equalprogramma nader toe. Nederland kan leren van andere lidstaten die in staat zijn, allochtonen en vluchtelingen met een verblijfstatus in de arbeidsmarkt en, in min of meerdere mate, de samenleving op te nemen. Is de minister bereid, hierover van gedachten te wisselen met collega's? Welke afspraken zijn tijdens het lunchgesprek van 22 oktober met de heer Somavia over de Europese samenwerking met de ILO gemaakt?
Mevrouw Schimmel (D66) was nieuwsgierig naar de uitwerking van de gesprekken over de gelijke beloning op nationaal niveau.
Mevrouw Bussemaker (PvdA) was verheugd over de opmerking van de minister over het armoedepunt. Zij is benieuwd welke resultaten het Portugese voorzitterschap op dit gebied zal opleveren. Zij sloot zich aan bij de vraag van de heer Harrewijn over richtsnoer 16. Kan de minister nog ingaan op de beoogde gelijkwaardige relatie tussen de Sociale Raad en de Ecofin-raad? Kan hij toezeggen dat de Kamer geïnformeerd wordt over de macro-economische dialoog die onlangs heeft plaatsgevonden?
De minister merkte op ingaande op de vragen over het thema sociale bescherming dat hij naarmate de agendering hiervan dichterbij komt nadere gedachten zal ontwikkelen. Hij was tevreden over de gelijkwaardige relatie tussen de Sociale Raad en de Ecofin-raad. Binnenkort voert hij hierover overleg met zijn collega Zalm. Er komt een jumbo en hij had geen klachten over de voorbereiding daarvan. Desgevraagd lichtte hij toe dat hij bij een bijeenkomst in Finland zijn ongenoegen had geuit, omdat het er toen op leek dat er onzekerheid bestond over wat eerder besproken was over de gelijkwaardigheid van beide eerder genoemde raden bij de voorbereiding van richtsnoeren en de macro-economische dialoog. Later bleek dat zijn angst op dat punt was weggenomen.
De bewindsman beschikte nog niet over een verslag van de macro-economische dialoog. Indien dit beschikbaar is, ontvangt de Kamer een afschrift.
Met richtsnoer 16 is, zo zei de minister, niets aan de hand. Zijn enige bezwaar is dat lidstaten, die recent de sociale partners ontdekt hebben, bepaalde formuleringen opstellen in de trant van: sociale partners wordt dringend verzocht een proces goed te keuren en uit te voeren.
De door mevrouw Verburg genoemde punten komen aan de orde, maar men kan niet bij elke vergadering punten agenderen. De Europese agenda ligt in een bepaalde context vast.
De staatssecretaris merkte tot slot op dat het lunchgesprek met de heer Somavia informatief verlopen is. Er zijn geen conclusies getrokken.
Samenstelling: Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Patijn (VVD), voorzitter, Van den Akker (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Weekers (VVD), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA) en Van Baalen (VVD).
Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Voorhoeve (VVD), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Verbugt (VVD), Balkenende (CDA), Mosterd (CDA), M. B. Vos (GroenLinks), Feenstra (PvdA), Zijlstra (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Crone (PvdA), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Örgü (VVD) en Gortzak (PvdA).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Kalsbeek (PvdA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Balkenende (CDA), De Wit (SP), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA) en Wilders (VVD).
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hamer (PvdA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Hofstra (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Klein Molekamp (VVD), Stroeken (CDA), Mosterd (CDA), Marijnissen (SP), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA) en De Vries (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-18-112.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.