21 501-18
Sociale Raad

nr. 110
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 1999

Bijgaand doe ik u toekomen het verslag van de Sociale Raad van 12 november 1999.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

Verslag Sociale Raad 12 november 1999

Op 12 november jl. vond in Brussel een bijeenkomst plaats van de Sociale Raad. De Sociale Raad was in zijn geheel gewijd aan een inhoudelijke bespreking van het werkgelegenheidspakket dat de Europese Commissie in september jl. heeft gepresenteerd. Er zijn geen besluiten genomen.

Het werkgelegenheidspakket omvat de volgende drie onderdelen:

• Voorstel voor richtsnoeren voor de werkgelegenheid van de lidstaten voor 2000.

• Aanbeveling van de Commissie voor de aanbevelingen van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.

• Ontwerp van Gezamenlijk Verslag over de werkgelegenheid 1999.

Bij aanvang van de bespreking heeft de Portugese Minister Ferro Rodigues zeer kort verslag gedaan van de vertrouwelijke macro-economische dialoog van maandag 8 november (vanuit de Sociale Raad neemt het huidige en het inkomende Voorzitterschap aan de macro-economische dialoog deel). Voorts wees Commissaris Diamantopoulou op een aantal onderdelen van de inbreng van de Commissie in de dialoog, met name ten aanzien van het vraagstuk van de langdurige werkloosheid en het gewijzigde karakter van de structurele werkloosheid. Zij meldde dat bezien zal worden of er terreinen zijn waarop concrete actie mogelijk is, in samenwerking met de Ecofin-Raad.

De Voorzitter stelde als eerste de ontwerp-richtsnoeren 2000 aan de orde. Na een toelichting van de Voorzitter van het Employment and Labour Committee (ELC), de heer O'Morain, op het gemeenschappelijk advies van het ELC en het Economic Policy Committee (EPC) en een uiteenzetting van de Europees Commissaris over het belang van de voortgang van het proces van richtsnoeren, verzocht de Voorzitter de lidstaten die nog een reserve hadden ten aanzien van de richtsnoeren deze op te heffen. Een groot aantal lidstaten, waaronder Nederland, gaf aan de bestaande reserves te kunnen opheffen.

Nederland wees in zijn interventie op het grote belang dat Nederland hecht aan de Europese werkgelegenheidsstrategie. De nu gemaakte keuzes voor weinig inhoudelijke veranderingen en nadruk op continuïteit in de bestaande richtsnoeren werden door Nederland volledig onderschreven. Nederland was overigens wel van mening dat het wenselijk zou zijn het werkgelegenheidsproces «tegen het licht te houden» om te zien waar deze eventueel vereenvoudigd danwel verbeterd zou kunnen worden. Ook de komende jaren zou dit het uitgangspunt moeten blijven. Verder onderschreef Nederland het instrument van de landen-specifieke aanbevelingen, die naar hun aard wel eens pijnlijk kunnen uitvallen, maar dat deze, indien terecht, toch geslikt moeten worden. Dit is immers niets anders dan de door de Sociale Raad gewenste «peer pressure».

Wel pleitte Nederland ervoor in het proces rondom de Europese werkgelegenheidsstrategie het Verdrag nauwkeurig te volgen. Eerst zou, aan de hand van de respectieve nationale actieplannen voor de werkgelegenheid, een analyse opgesteld moeten worden. Bij die analyse worden de individuele lidstaten gehoord ter voorkoming van misinterpretaties ter correctie van fouten. Vervolgens dient deze analyse besproken te worden in de Sociale Raad, waaruit conclusies worden getrokken die de Commissie de mogelijkheid biedt aanbevelingen te formuleren.

Vervolgens wees Nederland erop dat het Europese Werkgelegenheidsbeleid maar één onderdeel vormt van het sociale beleid en dat het wenselijk is de agenda van de Sociale Raad te verbreden, door ook een aantal aanpalende dossiers aan een gemeenschappelijke beschouwing te onderwerpen. Nederland noemde daarbij als voorbeelden armoedebestrijding, de follow-up van de Sociale Top (Kopenhagen +5), het voorkomen van sociale uitsluiting en reactivering. Tenslotte vroeg Nederland naar de voortgang die de Europese Commissie heeft geboekt met betrekking tot artikel 13 uit het Verdrag van Amsterdam (antidiscriminatie). Nederland sprak de hoop uit dat de onderhandelingen over de beloofde richtlijnvoorstellen met betrekking tot artikel 13 spoedig hun aanvang kunnen nemen.

Één lidstaat gaf bij dit onderdeel een beschouwing over de regionale werkloosheidsverschillen en vroeg aandacht voor een tussentijdse herziening van het richtsnoerenproces. Een andere lidstaat zou graag zien dat bij de beoordeling van het beleid van de lidstaten niet alleen naar realisatie wordt gekeken, maar ook naar wat lidstaten doen op het gebied van wetgeving terzake.

Een aantal lidstaten onderschreef het voorstel van Nederland van een verbreding van de agenda tot andere sociale onderwerpen. Een aantal andere lidstaten was van mening dat de door het Europees Parlement geformuleerde amendementen op de richtsnoeren 2000, gezien de gedetailleerdheid ervan, het algemene karakter van de richtsnoeren en de continuïteit van het proces aantasten. Ook werd door sommige lidstaten verwondering uitgesproken over het feit dat het EP geen advies had geschreven ten aanzien van het werkgelegenheidspakket maar zich had beperkt tot soms zeer gedetailleerde voorstellen voor aanpassingen op de concept-richtsnoeren. Andere lidstaten benadrukten tenslotte nog eens de wenselijkheid van de verdere ontwikkeling van indicatoren, teneinde de Commissie in staat te stellen de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid beter met elkaar te kunnen vergelijken.

Commissaris Diamantopoulou onderschreef in haar reactie deze laatste opmerking en stemde volledig in met het voorstel van Nederland inzake het verbreden van de agenda van de Sociale Raad met andere sociale onderwerpen.

De Voorzitter meldde verheugd te zijn met de grote mate van overeenstemming met betrekking tot de concept-richtsnoeren 2000 en gaf aan in de komende week met een aangepast voorstel van het Voorzitterschap te komen ten behoeve van de gezamenlijke Sociale en Ecofin-Raad van 29 november en ter doorgeleiding naar de Europese Raad van Helsinki. In dit laatste voorstel zal ook het advies van het EP meegenomen worden.

Vervolgens is kort gesproken over het Gezamenlijke Verslag inzake de werkgelegenheid. Na een korte toelichting van ELC-voorzitter O'Morain op het gemeenschappelijk ELC/EPC advies stelde de Voorzitter voor dit onderwerp te bespreken. Commissaris Diamantopoulou drong er in haar interventie op aan het min of meer dwingende karakter van het enige artikel van het ontwerp-besluit tot vaststelling van de aanbevelingen niet te verzwakken. In dit artikel wordt gesteld dat de lidstaten de aan de lidstaten gerichte aanbevelingen moeten implementeren (shall apply).

In reactie hierop merkte Nederland op dat het primair de bedoeling is met de aanbevelingen een duidelijk politiek signaal af te geven. Te suggereren dat de aanbevelingen, die gebaseerd zijn op de niet-bindende richtsnoeren (art. 128 lid 2 van het Verdrag van Amsterdam), toch een dwingend karakter hebben, doet volgens Nederland afbreuk aan dat politieke signaal. Mevrouw Diamantopoulou erkende het ontbreken van een juridisch bindend karakter.

Vrijwel alle lidstaten die hierna het woord voerden ondersteunden de opvatting van Nederland. Een aantal lidstaten meldde nog met een aantal wijzigingsvoorstellen te komen. De Voorzitter gaf aan dat het Voorzitterschap de komende dagen een compromistekst zal opstellen die in de volgende Raad ter bespreking voorligt en ter vaststelling in de direct daarop aansluitende Jumbo-Raad.

Naar boven