21 501-16
Landbouwraad

nr. 326
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 april 2002

Van 27 tot en met 30 april vindt in Murcia, Spanje de informele Landbouwraad plaats. Deze Raad staat in het teken van de toekomst van het Europese plattelandsbeleid. Ten behoeve van de discussie heeft het Voorzitterschap een werkdocument gepresenteerd met als titel «Rural Development and Agriculture». In het Werkdocument zijn een aantal vragen opgenomen om het debat in de Raad te structureren.

Rural Development and European Agriculture

In het werkdocument gaat het Voorzitterschap in op de verschillende stadia die te onderscheiden zijn bij de totstandkoming van het Europese plattelandsbeleid. Doel van Agenda 2000 is het bereiken van een landbouw die meer efficiënt en marktgericht werkt, tevens voldoet aan verhoogde eisen ten aanzien van voedselveiligheid, milieu, maatschapij en landschap, en het bevorderen van extensievere manieren van landbouwbedrijven. Ten einde dat doel te bereiken, is plattelandsontwikkelingsbeleid onderdeel van het GLB.

De financiering van het plattelandsbeleid lopen via het EOGFL-garantiefonds en het EOGFL-oriëntatiefonds, afhankelijk van het type actie maar in ieder geval met cofinanciering. Bij het in het leven roepen van het EOGFL-Fonds werd oorspronkelijk een verdeling van 2/3 – 1/3 nagestreefd tussen gelden voor de afdelingen Garantie en Oriëntatie. In de praktijk is deze verdeling nooit gehaald.

In Agenda 2000 is meer nadruk komen te liggen op aspecten ten aanzien van voedselveiligheid, kwaliteit, oorsprong (traceerbaarheid), productiemethoden en de bescherming van dierenwelzijn. Ook inkomensstabiliteit blijft één van de doelen van het GLB. De belangrijkste vernieuwing van Agenda 2000 is de Kaderverordening Plattelandsontwikkeling die lidstaten de mogelijkheid biedt programma's te ontwikkelen voor het verlenen van directe steun aan boeren.

Deze programma's mogen – binnen de daarvoor gestelde kaders – toegesneden zijn op de nationale behoeften. Lidstaten hebben inmiddels – tailor made – plattelandsontwikkelingsplannen ter goedkeuring bij de Europese Commissie ingediend, zo somt het Voorzitterschap op.

Vragenlijst

De vragen die het Voorzitterschap voorgelegd heeft, zijn niet verrassend en liggen in lijn met de onderwerpen die ik op donderdag jongstleden met uw Kamer besproken heb.

Meer inhoudelijk verwijs ik u gemakshalve dan ook naar mijn brief aan uw Kamer van 27 maart jongstleden over het Plattelandsontwikkelingsprogramma Nederland (kenmerk DL. 2002/894).

In mijn inbreng tijdens de Informele Raad zal ik naar voren brengen dat in de Nederlandse situatie het accent van plattelandsbeleid meer ligt op instandhouding van de kwaliteit van het landelijk gebied in een stedelijke omgeving, waarin de landbouw een belangrijke rol speelt als beheerder van het landelijk gebied. In het Europese beleid dient daarvoor de juiste balans gevonden te worden tussen maatregelen die op EU-niveau gelden en anderzijds de flexibiliteit in zich hebben om in de lidstaten maatwerk te kunnen bieden in het platteland. Een selectie van een aantal EU-kernmaatregelen is derhalve gewenst. De huidige 22 gedetailleerd omschreven maatregelen is te veel. Ik zal verder aangeven dat Nederland voorstander is van nationale cofinanciering. Plattelandsbeleid wordt daarmee uitdrukkelijk een verantwoordelijkheid van de lidstaat zelf. Hierbij dient evenwel zoveel mogelijk vermeden te worden dat met deze maatregelen de productie ondersteund wordt. Dit zou immers WTO-repercussies tot gevolg kunnen hebben.

Een ander element waar ik belang aan hecht, is dat er een geleidelijke afbouw van de steun in de eerste pijler van het GLB plaatsvindt ten gunste van de tweede pijler. Welke verdeling uiteindelijk de meest wenselijke is, dient nader bestudeerd te worden.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst

Naar boven