21 501-08 Milieuraad

AL VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 juli 2025

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het verslag van de informele Milieuraad van 11 en 12 juli 2024. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brieven van 14 februari 2025 en 3 april 2025.

  • De antwoordbrief van 13 maart 2025.

Per abuis zijn de vragen op 3 april 2025 opnieuw ingediend en het verslag van dit nader schriftelijk overleg verlaat vastgesteld.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 14 februari 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben kennisgenomen van uw beantwoording, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu en de Minister van Klimaat en Groene Groei, inzake enkele vragen over het verslag van de informele Milieuraad van 11 en 12 juli 2024.2 Naar aanleiding van deze beantwoordingsbrief hebben de leden van de fractie van de BBB nog enkele vervolgvragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Op de vraag van de fractieleden van de BBB naar de manier waarop de normen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) zich verhouden tot die van de buurlanden antwoordt u:

Voor de stoffen die Nederland heeft genormeerd geldt dat de hoogte van de normen vaak verschilt met die van andere buurlanden en dat er geen structurele lijn waarneembaar is waarbij één land soepeler of strenger is dan andere landen. Dit is te verklaren door onder meer verschillen in methodologie en in lokale omstandigheden. Met betrekking tot nutriënten geldt ten slotte dat de Nederlandse normen relatief soepel zijn ten opzichte van het Europese gemiddelde en ook soepeler dan in buurland Duitsland. Ten opzichte van buurland België geldt dat de Nederlandse norm voor totaal-stikstof strenger is, maar dat België zijn norm weer zwaarder laat meewegen, waardoor in België minder snel aan het eindoordeel voor de parameter «nutriënten» wordt voldaan dan in Nederland.3

Na een beperkt onderzoek op internet vonden voornoemde leden dat Vlaanderen voor alle grensoverschrijdende wateren in de categorie Rivieren en Beken een soepelere norm heeft voor zowel N-tot als P-tot dan Nederland.4 Vlaanderen en Duitsland staan hogere percentages stikstof toe in het water dan Nederland. Dat leidt tot normoverschrijdingen in Zuid- en Oost-Nederland. Dit zijn de regio’s waar het buitenlandse water de grens overgaat en Nederland binnenstroomt. Voor grondwater hanteren Europese lidstaten dezelfde norm: maximaal 50 mg nitraat per liter. Voor het oppervlaktewater heeft Europa geen normen vastgelegd, deze worden door de lidstaten zelf bepaald. In Nederland ligt die normbepaling bij de waterschappen. Voor Nederlandse agrarische afwateringen ligt die doorgaans tussen 1.3 en 2.8 mg stikstof per liter (zomergemiddelde), afhankelijk van de regio. In Vlaanderen geldt voor afwateringen echter een veel ruimere norm: 4.0 mg N per liter (zomergemiddelde). Duitsland hanteert de norm van de Nitraatrichtlijn: 50 mg nitraat per liter (jaarrond gemiddelde). Dit is omgerekend 11.3 mg N per liter. Voor grensoverschrijdende rivieren is de Duitse streefwaarde lager: 3 tot 6 mg N per liter. Dat leidt tot normoverschrijdingen in Zuid- en Oost-Nederland, in de regio’s waar het buitenlandse water de grens overgaat en Nederland binnenstroomt.5

De fractieleden van de BBB vragen zich af wat maakt dat u van mening verschilt over het feit dat Nederland een strengere invulling geeft aan de KRW dan haar buurlanden en verzoeken u dit verschil van mening toe te lichten. Deze leden vragen verder of de KRW in de ons omringende landen ook in de wet vastgelegd is. Ook vragen zij of u het met hen eens bent dat een gelijk speelveld in Europa het uitgangspunt zou moeten zijn voor de Europese regelgeving en of u bereid bent hierover het gesprek aan te gaan met de Nederlandse buurlanden en met de rest van Europa. Tot slot vragen deze leden hoe hoog u het risico inschat dat er over de KRW straks rechtszaken gaan worden gevoerd door organisaties als Greenpeace zoals nu gebeurt met stikstof.

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze brief.

Een afschrift van deze brief zal tevens worden verzonden aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu en de Minister van Klimaat en Groene Groei.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Klimaat en Groene Groei

Den Haag, 3 april 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 17 december 2024 over de informele Milieuraad van 11 en 12 juli 2024.6 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal nadere vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Op de vraag van de fractieleden van de BBB naar hoe de normen voor de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) zich verhouden tot die van de buurlanden antwoordt u: «Voor de stoffen die Nederland heeft genormeerd geldt dat de hoogte van de normen vaak verschilt met die van andere buurlanden en dat er geen structurele lijn waarneembaar is waarbij één land soepeler of strenger is dan andere landen. Dit is te verklaren door onder meer verschillen in methodologie en in lokale omstandigheden. Met betrekking tot nutriënten geldt ten slotte dat de Nederlandse normen relatief soepel zijn ten opzichte van het Europese gemiddelde en ook soepeler dan in buurland Duitsland. Ten opzichte van buurland België geldt dat de Nederlandse norm voor totaal-stikstof strenger is, maar dat België zijn norm weer zwaarder laat meewegen, waardoor in België minder snel aan het eindoordeel voor de parameter «nutriënten» wordt voldaan dan in Nederland.»7

Na een beperkt onderzoek op internet vonden de fractieleden van de BBB dat Vlaanderen voor alle grensoverschrijdende wateren in de categorie Rivieren en Beken een soepelere norm heeft voor zowel het totaal van stikstof als fosfor dan Nederland.8 Vlaanderen en Duitsland staan hogere percentages stikstof toe in het water dan Nederland. «Voor grondwater hanteren Europese lidstaten dezelfde norm: maximaal 50 mg nitraat per liter. Voor het oppervlaktewater heeft Europa geen normen vastgelegd, deze worden door de lidstaten zelf bepaald. In Nederland ligt die normbepaling bij de waterschappen. Voor Nederlandse agrarische afwateringen ligt die doorgaans tussen 1.3 en 2.8 mg stikstof per liter (zomergemiddelde), afhankelijk van de regio. In Vlaanderen geldt voor afwateringen echter een veel ruimere norm: 4.0 mg stikstof per liter (zomergemiddelde). Duitsland hanteert de norm van de Nitraatrichtlijn: 50 mg nitraat per liter (jaarrond gemiddelde). Dit is omgerekend 11.3 mg stikstof per liter. Voor grensoverschrijdende rivieren is de Duitse streefwaarde lager: 3 tot 6 mg stikstof per liter.»9 «Dat leidt tot normoverschrijdingen in Zuid- en Oost-Nederland, in de regio’s waar het buitenlandse water de grens overgaat en Nederland binnenstroomt.»10

Wat maakt dat u met de fractieleden van de BBB van mening verschilt over het feit dat Nederland een strengere invulling geeft aan de KRW dan haar buurlanden? Deze leden ontvangen graag een toelichting hierop.

Is de KRW in de ons omringende landen ook in de wet vastgelegd?

Bent u het met de fractieleden van de BBB eens dat een gelijk speelveld in Europa het uitgangspunt zou moeten zijn voor de Europese regelgeving? Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met onze buurlanden? En met de rest van Europa?

Hoe hoog schat u het risico in dat er over de KRW straks rechtszaken gaan worden gevoerd door organisaties als Greenpeace net alsnu gebeurt met stikstof?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag binnen vier weken, na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2025

Naar aanleiding van mijn brief van 17 december 2024,11 waarin enkele vragen van de Kamer zijn beantwoord naar aanleiding van het verslag van de informele Milieuraad van 11 en 12 juli 2024, hebben leden van de Eerste Kamer op 14 februari 2025 vervolgvragen gesteld over de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).12

De fractieleden van de BBB vragen zich af wat maakt dat verschil van mening bestaat over de vraag of Nederland een strengere invulling geeft aan de KRW dan onze buurlanden en verzoeken dit verschil van mening toe te lichten. Deze leden vragen verder of de KRW in de ons omringende landen ook in de wet vastgelegd is. Ook vragen zij of een gelijk speelveld in Europa het uitgangspunt zou moeten zijn voor de Europese regelgeving en of er bereidheid is hierover het gesprek aan te gaan met de Nederlandse buurlanden en met de rest van Europa. Tot slot vragen deze leden hoe hoog het risico wordt ingeschat dat er over de KRW straks rechtszaken gaan worden gevoerd door organisaties als Greenpeace zoals nu gebeurt met stikstof.

Hieronder worden deze vragen beantwoord.

Gelijk speelveld

Gevraagd wordt of een gelijk speelveld in Europa het uitgangspunt zou moeten zijn. Inderdaad geldt dat gelijke omstandigheden een gelijke aanpak vergen. Daarom zijn de normen voor de chemische toestand van milieuvreemde stoffen op Europees niveau vastgesteld en gelijk voor alle lidstaten. Wat de ecologische waterkwaliteit betreft is echter van belang dat juist de omstandigheden tussen waterlichamen en tussen landen verschillen. Een beek in de Alpen is anders dan een laaglandbeek. Hierbij geldt dat de biologische KRW-doelen voor lidstaten met vergelijkbare waterlichamen zoveel mogelijk op Europees niveau geharmoniseerd zijn. Voor vergelijkbare laaglandbeken geldt dus dat de biologische doelen voor die beken in natuurlijke staat vergelijkbaar zijn in Nederland, België, Duitsland, Denemarken en andere lidstaten waar die beken voorkomen.

De overige parameters waar een waterlichaam aan moet voldoen zijn door de lidstaten afgeleid van die (geharmoniseerde) biologische doelen. Deze parameters, zoals zuurstofgehalte, zuurgraad en nutriënten, worden toegesneden op specifieke waterlichamen en de bijbehorende ecologische omstandigheden. Daarom kunnen normen dus verschillen tussen beken, rivieren of kustwateren.

Wat de ondersteunende parameter nutriënten betreft, heeft de Europese Commissie in 2011 – naar aanleiding van een intercalibratie – aanbevolen dat Nederland die norm zou aanscherpen, omdat die te soepel was in verhouding tot andere landen. Nederland heeft toen opvolging gegeven aan die aanbeveling, om ook voor deze parameter zoveel mogelijk een gelijk speelveld te creëren. Vlaanderen heeft die aanbeveling echter niet opgevolgd. De Europese Commissie constateert dit ook in haar recente beoordeling van de stroomgebiedbeheer-plannen.13

Strengere/soepeler normen

Gevraagd wordt naar een verklaring waarom in de eerdere beantwoording van vragen niet wordt meegegaan in de stelling dat Nederland een strengere invulling geeft aan de KRW dan onze buurlanden. Het gaat de vraagstellers specifiek om de parameter nutriënten. Hieronder wordt in meer detail dan in de Kamerbrief van 17 december jl. aangegeven waarom het onjuist is dat Nederland generiek een strengere invulling geeft aan de nutriëntnormen. De gegevens waarop deze analyse gebaseerd is, vindt u in de bijlage bij deze brief.

Complexiteit bij vergelijken

Allereerst moet opgemerkt worden dat het überhaupt erg moeilijk is om nutriëntnormen tussen landen te vergelijken, doordat lidstaten op een verschillende manier omgaan met deze parameter. Zo zijn er verschillende keuzes gemaakt ten aanzien van:

  • het soort nutriënten waarnaar wordt gekeken (stikstof, fosfor, beide);

  • de verschijningsvormen daarvan (verschillende componenten in de waterfase zoals de totale hoeveelheid of een opgeloste fractie); en

  • de periode van toetsen (zoals jaargemiddelde of een gemiddelde over een deel van een jaar).

Waar Nederland voor rivieren, meren en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen bijvoorbeeld totaal-stikstof normeert (als zomergemiddelde), normeert Duitsland ammonium, ammoniak en nitriet (als jaargemiddelde) en nitraat (als 90-percentielwaarde). Figuur 1 in de bijlage bevat een overzicht van de verschillende soorten nutriëntnormen in Nederland en onze buurlanden.

Door deze verschillen kunnen niet simpelweg getalswaarden vergeleken worden. Zo is de norm van 2,4 milligram per liter (mg/l) voor totaal-stikstof die Nederland in sommige oppervlaktewaterlichamen als zomergemiddelde hanteert ongeveer gelijk te stellen aan de norm van 2,8 mg/l die Duitsland in sommige oppervlaktewaterlichamen als jaargemiddelde hanteert.

Ten slotte geldt dat Nederland afwijkt van andere lidstaten in de wijze van beoordelen of de parameter nutriënten aan de KRW voldoet. In Nederland voldoet de parameter nutriënten zodra óf stikstof óf fosfor aan de norm voldoet («one-in, all-in»). Dit geeft een veel soepeler oordeel dan wanneer beide componenten aan de norm moeten voldoen («one-out, all-out»), wat bijvoorbeeld in België en Duitsland gehanteerd wordt.

Vergelijking van getalswaarden

Kijkend naar alle waterlichamen in Nederland (dus de grensoverschrijdende waterlopen, maar ook de binnenlandse rivieren, meren en beken) heeft Nederland veelal soepele nutriëntnormen in vergelijking met de andere lidstaten. In de figuren in de bijlage is de vergelijking gemaakt voor fosfor respectievelijk stikstof in meren (figuren 2 en 3) en rivieren (figuren 4 en 5). De Nederlandse normen zijn steeds rood omlijnd. Hieruit blijkt dat de Nederlandse normen in de meren steeds tot de soepelste behoren, ook soepeler dan België en Duitsland.14 In rivieren heeft Nederland relatief soepele normen voor totaal-fosfor (minder streng dan Duitsland, maar strenger dan België) en relatief strenge normen voor totaal-stikstof (strenger dan België, met Duitsland kon in het betreffende rapport geen vergelijking gemaakt worden15). Specifiek in de grensoverschrijdende waterlopen (figuur 6) geldt voor stikstof dat de Nederlandse norm vaak strenger is dan in België, in de regionale wateren ongeveer gelijk is aan die in Duitsland en in de rijkswateren soepeler.16 Voor fosfor geldt in de grensoverschrijdende waterlopen dat de Nederlandse norm in de rijkswateren gelijk is aan de Belgische norm en in de regionale wateren veelal iets strenger, en dat de Nederlandse normen soepeler zijn dan die in Duitsland.

Specifieke voorbeelden

Waar dus sprake is van een breed spectrum aan normen waarbij – over het geheel genomen – niet gezegd kan worden dat één land generiek strenger of soepeler is dan een ander land, wijzen de leden van de BBB-factie op twee specifieke gevallen waarin de stikstof-normen in Nederland strenger zouden zijn en stellen zij dat dit leidt tot normoverschrijdingen in Zuid- en Oost-Nederland.

Zo wijzen zij ten eerste op de normen voor totaal-stikstof en totaal-fosfor die in Vlaamse grensoverschrijdende waterlopen, soepeler zouden zijn dan de Nederlandse normen. Zoals hierboven en in de Kamerbrief van 17 december jl. al is aangegeven, is de Nederlandse norm voor totaal-stikstof op dit punt inderdaad strenger.17 Dit is verklaarbaar omdat – zoals hierboven is aangegeven – Vlaanderen op dit punt geen gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Europese Commissie naar aanleiding van de intercalibratie, en Nederland wel. Deze soepeler Vlaamse norm betekent overigens niet dat de KRW-opgave voor Vlaanderen in die waterlichamen kleiner is, omdat ook daar de biologische doelen gehaald moeten worden, ongeacht de norm voor stikstof. Tegelijk heeft Vlaanderen – zoals hierboven genoemd – een strengere systematiek waarbij in elk waterlichaam zowel aan de norm voor stikstof als die voor fosfor voldaan moet zijn («one-out, all-out»), terwijl het in Nederland voldoende is als aan één van die parameters is voldaan.

De leden van de BBB-fractie wijzen ten tweede specifiek op de Duitse norm van (omgerekend) 11,3 mg/l totaal-stikstof en geven aan dat die veel soepeler is dan de Nederlandse norm. Dat klopt, maar die Duitse norm is niet gebaseerd op de doelen voor de biologische kwaliteitselementen. Dit betekent dat Duitsland bovenop deze stikstofnorm een aanvullende opgave heeft die dus niet per se kleiner is dan de Nederlandse opgave. Zoals hierboven is aangegeven moeten bovendien veel Duitse grenswateren voldoen aan een aanvullende norm voor stikstof, die vergelijkbaar is met de Nederlandse norm. Hierdoor zouden normverschillen dus meestal niet de reden moeten zijn dat water dat vanuit Duitsland Nederland binnenkomt onze norm al overschrijdt. Dat water overschrijdt dan in de regel ook de Duitse norm al en daar moet dus ook aan Duitse zijde al iets aan gebeuren.

Voor beide voorbeelden geldt ten slotte nog dat waar toch grensoverschrijdende belasting optreedt die onze normen overschrijdt, dit op diverse manieren wordt aangepakt. Zo brengen waterschappen deze grensoverschrijdende belasting in kaart door waar nodig in te zetten op aanvullende monitoring en worden normoverschrijdingen in de bilaterale gesprekken op verschillende niveaus aangekaart. Aan de Tweede Kamer is eerder toegezegd dat hierover voor de zomer een eerste beeld wordt gegeven.18 Waar Nederlandse normen niet gehaald kunnen worden door grensoverschrijdende belasting is er aan Nederlandse zijde ten slotte nog de mogelijkheid om in 2027 een legitieme uitzondering in te roepen op grond van de KRW.

Juridische risico’s

Gevraagd wordt hoe hoog het risico wordt ingeschat dat er over de KRW straks rechtszaken gaan worden gevoerd door organisaties als Greenpeace, zoals nu gebeurt met stikstof.

Het lijkt een zekerheid dat over de KRW rechtszaken gevoerd gaan worden. De stichting Mobilisation for the Environment heeft dit al aangekondigd. Onduidelijk is nog of die ook het karakter zullen hebben van de Greenpeace-zaak over stikstof.

In de Greenpeace-uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Staat onvoldoende doet om de natuurdoelen te halen, waarbij de rechter specifiek wijst op onder meer het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het Transitiefonds als medeoorzaak. De rechter heeft de Staat bevolen om de natuurdoelen alsnog te halen en een dwangsom opgelegd voor als dat niet gebeurt. Deze uitspraak laat zien waar het toe kan komen als wettelijk vastgestelde doelen niet tijdig worden bereikt. Zo’n scenario is ook voor de KRW mogelijk.

Het is niet op voorhand te zeggen hoe groot dit risico precies is. Wel kan gewezen worden op de vergelijkbare omstandigheden. Net als voor stikstofdepositie zijn omgevingswaarden vastgesteld voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Net als bij stikstof gaat het om resultaatsverplichtingen die op een concrete datum moeten zijn behaald. En net als bij stikstof vormden ook het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het Transitiefonds belangrijke elementen om KRW-doelbereik dichterbij te brengen. Anders dan bij stikstof, is er echter niet sprake van een enkele stof, maar van veel verschillende doelen die per type waterlichaam kunnen verschillen, en geldt bovendien niet voor al die doelen als ze niet op tijd gehaald zouden worden of dan gesteld kan worden dat dit komt door een gebrek aan inspanning.

Het is daarom lastig te voorspellen waar een juridische procedure precies op zal zien en hoe deze zal verlopen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener

BIJLAGE

Onderstaande figuur 1 is afkomstig uit het rapport Vergelijking KRW-normen Nederland en buurlanden, Royal HaskoningDHV, 12 juli 202219.

Figuur 1: verschillende soorten nutriëntnormen

Figuur 1: verschillende soorten nutriëntnormen

De onderstaande figuren 2 tot en met 5 zijn ontleend aan het rapport Comparison Nutrient Boundaries uit 2016 20.

Figuur 2: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-fosfor in meren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 2: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-fosfor in meren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 3: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-stikstof in meren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 3: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-stikstof in meren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 4: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-fosfor in rivieren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 4: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-fosfor in rivieren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 5: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-stikstof in rivieren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

Figuur 5: Vergelijking van de normwaarden voor totaal-stikstof in rivieren. Bereik van a) hoge/goed en b) goed/matig grenzen, gerangschikt op basis van de mediane waarde van de grenzen per land. De lijnen geven de 25e, 50e en 75e percentielwaarden weer.

De onderstaande figuur 6 bevat de meest-voorkomende waarden voor stikstof en fosfor in de Vlaamse, Duitse en Nederlandse grensoverschrijdende waterlopen en is gebaseerd op onderstaande figuren 7, 8 en 9 die afkomstig zijn uit het rapport Vergelijking KRW-normen Nederland en buurlanden, Royal Haskoning DHV, 12 juli 2022.

Figuur 6: Vergelijking van meest-voorkomende normwaarden in de grenswateren

(concentratie in mg/l)

Stikstof

Fosfor

Nederland

2,31/2,82

0,113/0,144

Vlaanderen

4

0,14

Duitsland

2,85

0,10

X Noot
1

Meest voorkomend in de regionale wateren.

X Noot
2

Meest voorkomend in de rijkswateren.

X Noot
3

Meest voorkomend in de regionale wateren.

X Noot
4

Meest voorkomend in de rijkswateren.

X Noot
5

In Duitsland is de situatie erg complex. De hier vermelde waarde geldt niet in alle gevallen maar wel in de meeste grenswateren. Zie Vergelijking KRW-normen Nederland en buurlanden, Royal HaskoningDHV, 12 juli 2022, p. 8–9.

Figuur 7: Vergelijking normwaarden met België, regionale grenswateren

Figuur 7: Vergelijking normwaarden met België, regionale grenswateren

Figuur 8: Vergelijking normwaarden met Duitsland, regionale grenswateren

Figuur 8: Vergelijking normwaarden met Duitsland, regionale grenswateren

Figuur 9: Vergelijking normwaarden met Duitsland en België, rijkswateren aan de grens

Figuur 9: Vergelijking normwaarden met Duitsland en België, rijkswateren aan de grens

X Noot
1

Samenstelling:

Van Gasteren (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Crone (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Van de Sanden (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Strien, (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie- Kemperman)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2024/25, 21 501-08, AA; Kamerstukken I 2023/24, 21 501-08, Y.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2024/25, 21 501-08, AA, p. 5.

X Noot
4

Bijlage «Vergelijking KRW-normen Nederland en buurlanden» bij: Kamerstukken II 2022/23, 27 625, nr. 590, p. 7.

X Noot
5

Stichting Agrifacts, «Stikstofnormen boerensloten veel strenger in Nederland», gepubliceerd op 7 november 2021, geraadpleegd op 6 februari 2025, website: https://stichtingagrifacts.nl/stikstofnormen-boerensloten-veel-strenger-in-nederland/

X Noot
6

Kamerstukken I 2024/25, 21 501-08, AA.

X Noot
7

Kamerstukken I 2024/25, 21 501-08, AA, p.5.

X Noot
8

Rapport Royal Haskoning, «Vergelijking KRW-normen Nederland en buurlanden vergelijking», geraadpleegd op www.venw.nl, p. 4.

X Noot
9

Stichting Agrifacts, «Stikstofnormen boerensloten veel strenger in Nederland», geraadpleegd op www.agrifacts.nl.

X Noot
10

Ibidem

X Noot
11

Kamerstukken I 2024/25, nr. 21 501-08, AA.

X Noot
12

Uw kenmerk: 175573.01U.

X Noot
13

Zie voor een beoordeling door de Commissie van alle stroomgebiedbeheerplannen: https://environment.ec.europa.eu/topics/water/water-framework-directive/implementation-reports_en

X Noot
14

Figuren afkomstig uit het rapport Comparison Nutrient Boundaries uit 2016. Voor stikstof in meren is voor Duitsland geen waarde opgenomen, omdat daar andere componenten van stikstof genormeerd zijn. In te zien via https://circabc.europa.eu/sd/a/37778f00-5a8a-4198-9ff3-8b15360ba975/ComparisonNutrientBoundaries_2016J_FINAL%20for%20CIRCABC(0).pdf

X Noot
15

De situatie in Duitsland is erg complex. Zoals is aangegeven worden daar verschillende stikstofcomponenten genormeerd. Die normen gelden echter niet in alle waterlichamen. Waar in alle waterlichamen een norm geldt van 50 mg/l voor nitraat (omgerekend 11,3 mg/l voor totaal-stikstof, wat bijvoorbeeld veel ruimer is dan de Nederlandse norm van 2,4 mg/l voor totaal-stikstof), geldt in veel grenswaterlichamen een aanvullende norm van 2,8 mg/l voor totaal-stikstof (jaargemiddeld, wat dus inhoudelijk ongeveer hetzelfde is als de Nederlandse zomergemiddelde norm). De Duitse deelstaten gaan hier bovendien verschillend mee om. Waar in Nedersaksen die aanvullende norm in nagenoeg alle grenswateren geldt, is dat in Noordrijn-Westfalen alleen zo in de grotere grenswateren.

X Noot
16

De getalswaarden voor totaal-stikstof in de Nederlandse rijkswateren zijn gelijk met die in Duitsland, maar in Nederland gaat het om een zomergemiddelde en in Duitsland om een jaargemiddelde.

X Noot
17

De Nederlandse norm voor totaal-fosfor is alleen in de regionale wateren strenger dan in Vlaanderen.

X Noot
18

Kamerstukken II 2024/25, 27 625, nr. 696.

Naar boven