Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 21501-08 nr. AF |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 21501-08 nr. AF |
Vastgesteld 30 april 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu over het verslag van de Milieuraad van 17 december 2024. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 25 februari 2025.
• De antwoordbrief van 23 april 2025.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu
Den Haag, 25 februari 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft kennisgenomen van het verslag van de Milieuraad van 17 december 2024, door de Minister van Klimaat en Groene Groei en uzelf aangeboden bij brief van 21 januari 20252 en tevens van de als bijlage bij deze brief gevoegde impactanalyse van het voorstel voor een richtlijn inzake bodemmonitoring en -veerkracht (richtlijn bodemmonitoring).3 De leden van de fractie van de BBB hebben de regering inzake bedoeld voorstel en de in de impactanalyse gemelde inspanningsverplichtingen die voornamelijk een monitoringskarakter hebben, de navolgende vragen te stellen. Ook hebben deze leden enkele vragen over de Verordening ter voorkoming van pelletverlies om microplasticsvervuiling te verminderen4 en over de Fit-for-55 wetgeving.
1. De leden van de fractie van de BBB stellen voorop dat het streefdoel van bedoelde richtlijn – inhoudende dat de bodem in 2050 gezond moet zijn – helder is. Kan de regering de technische vereisten toelichten die specificeren in welk geval een bodem gezond is?
2. Kan de regering aangeven op welke wijze zij voornemens is om aan het vereiste van een gezonde bodem in 2050 te voldoen? Welke instrumenten is de regering van plan voor deze doelstelling in te zetten?
3. Welke inspanningsverplichtingen gelden er specifiek voor Nederland? En wordt in elke regio en voor elke grondsoort dezelfde inspanning verwacht?
4. Is deze inspanningsverplichting in wetgeving verankerd? Zo ja, in welk wetsartikel? Zo nee, waar is deze inspanningsverplichting dan verankerd?
5. Wie moet deze inspanning monitoren?
6. Wie is verantwoordelijk voor de financiële lasten van deze monitoring en worden zij gecompenseerd?
7. Zijn er door de regering financiële reserveringen gedaan om deze verplichting uit te voeren? Zo ja, ten laste van welke partijen komen deze reserveringen?
8. De leden van de fractie van de BBB merken op dat inzake de Verordening ter voorkoming van pelletverlies om microplasticsvervuiling te verminderen Nederland pleit voor de inclusie van de maritieme sector.5 Nederland verwelkomde zelfs de opname van een herzieningsclausule om de drempelwaarde van 1.000 ton voor certificeringsverplichtingen in de toekomst te heroverwegen. Wat betekent dit voor de maritieme sector in het kader van een gelijk speelveld? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering.
9. De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat bij de invoering van voormelde verordening er bij de Europese Commissie zorgen bestaan over de administratieve lasten voor bedrijven. Daarnaast twijfelt de Europese Commissie aan de uitvoerbaarheid van deze maatregel en zal zij inzetten op een versimpeling tijdens de triloogonderhandeling met de Raad en het Europees Parlement.6 In hoeverre is uitstel mogelijk tot de resultaten van de versoepeling duidelijk zijn?
10. De leden van de fractie van de BBB constateren dat landen in Oost- en Zuid-Europa hebben aangeven problemen te hebben met verschillende onderdelen van de Fit-for-55 wetgeving. Dit betreft afspraken zoals het Emission Trade System (ETS) voor de gebouwde omgeving en wegtransport (ETS2), het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) enzovoorts.7 Nederland geeft in dit kader aan te willen vasthouden aan de normen. In hoeverre is een dergelijke houding verstandig in het kader van normen waar Nederland zelf problemen mee heeft zoals het geval is bij de Kaderrichtlijn Water (KRW), zo vragen deze leden. Deze leden ontvangen hierop graag een nadere toelichting van de regering.
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Kemperman
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 april 2025
Hierbij bied ik u de beantwoording aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door leden van de Eerste Kamer op 25 februari 2025 over het verslag van de Milieuraad van 17 december 2024.8
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, Ch.A. Jansen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
1.
De leden van de fractie van de BBB stellen voorop dat het streefdoel van bedoelde richtlijn – inhoudende dat de bodem in 2050 gezond moet zijn – helder is. Kan de regering de technische vereisten toelichten die specificeren in welk geval een bodem gezond is?
Antwoord
Een bodem is gezond als deze in een goede fysische, en chemische en biologische toestand verkeert en daardoor blijvend in staat is om zoveel mogelijk ecosysteemdiensten te leveren. Hierbij gaat het om de voedselproductie, het reguleren en zuiveren van water, het vastleggen van koolstof, de biodiversiteit en het hergebruik van voedingsstoffen. Conform de conceptrichtlijn9 wordt de bodemgezondheid beoordeeld via een aantal in de richtlijn opgenomen parameters (descriptoren). Voor een deel zijn hiervoor op EU-niveau criteria vastgelegd, bij een deel kunnen deze op nationaal niveau worden vastgesteld. Deze criteria hebben de status van een niet-bindende duurzame streefwaarde (non binding sustainable target value). Daarnaast zijn er parameters, bijvoorbeeld voor biodiversiteit, die zonder (getalsmatige) criteria meer kwalitatief onderdeel van de beoordeling van bodemgezondheid worden. Hierdoor kan in de latere uitwerking bijvoorbeeld rekening gehouden worden met bodemtype en bodemgebruik. De beoordeling van ruimtebeslag en bodemafdekking is geen onderdeel van de beoordeling bodemgezondheid.
2.
Kan de regering aangeven op welke wijze zij voornemens is om aan het vereiste van een gezonde bodem in 2050 te voldoen? Welke instrumenten is de regering van plan voor deze doelstelling in te zetten?
Antwoord
De conceptrichtlijn heeft geen verplichting tot het maken van een eigen maatregelenprogramma; het gaat om het stimuleren van mogelijke maatregelen. Voor landbouwbodems is er sinds 2019 het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL). De doelstellingen van het NPL zijn dat in 2030 alle landbouwbodems in Nederland duurzaam worden beheerd en dat vanaf 2030 jaarlijks 0,5 Mton CO2-equivalent extra wordt vastgelegd in minerale landbouwbodems. Via het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) wordt samen met de agrarische sector op vrijwillige, maar niet vrijblijvende wijze gewerkt aan het verbeteren van bodem- en waterkwaliteit. Een gezonde bodem is ook onderdeel van het in ontwikkeling zijnde beleidsprogramma «Bodem, Ondergrond en Grondwater». Daarnaast kan synergie gezocht worden met maatregelen die genomen worden voor onder andere de Kaderrichtlijn Water, de Natuurherstelverordening en de richtlijn Overstromingsrisico’s.
3.
Welke inspanningsverplichtingen gelden er specifiek voor Nederland? En wordt in elke regio en voor elke grondsoort dezelfde inspanning verwacht?
Antwoord
De concept Bodemmonitoringsrichtlijn bevat een verplichting om alle bodems elke zes jaar te monitoren op biologische, fysische en chemische indicatoren. Het nemen van maatregelen om tot een gezonde bodem te komen is opgenomen als inspanningsverplichting. Deze verplichting geldt voor alle EU-lidstaten en dus ook Nederland. Omdat dit maatwerk is, is het aan de landen zelf om hier invulling aan te geven. Dat maatwerk zit bijvoorbeeld ook in de maatregelen die in het kader van het Nationaal Programma Landbouwbodems zijn uitgezocht in het programma Slim Landgebruik. Er gelden niet bindende duurzame streefwaarden (zie ook beantwoording vraag 1). Deze kunnen afhangen van type bodem en bodemgebruik.
Voor ruimtebeslag en bodemafdekking geldt de inspanningsverplichting om rekening te houden met een aantal mitigerende principes zoals hergebruik van bestaande bebouwing en redelijkerwijs het verlies van de bodem om ecosysteemdiensten te leveren te compenseren. Hoe en op welk schaalniveau is aan lidstaten zelf. Er gelden geen specifieke doelen en daarnaast is bodemafdekking ook geen onderdeel van de beoordeling bodemgezondheid.
4.
Is deze inspanningsverplichting in wetgeving verankerd? Zo ja, in welk wetsartikel? Zo nee, waar is deze inspanningsverplichting dan verankerd?
Antwoord
De onderhandelingen over de richtlijn zijn nog niet afgerond. Onder het Pools voorzitterschap is een voorlopige overeenstemming over de richtlijn bereikt in de triloogonderhandelingen (tussen de Raad van EU-ministers, het Europees Parlement en de Europese Commissie) van 9 april jl. Definitieve bekrachtiging moet nog plaatsvinden in het Europees Parlement en de Raad. Er is zodoende nog geen zekerheid of en hoe deze inspanningsverplichting in de richtlijn wordt verankerd. De implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving start op het moment van publicatie in het Europese publicatieblad. Voor Nederland zal dit waarschijnlijk in de Omgevingswet zijn. Gezien de huidige stand van zaken wordt de publicatie van de richtlijn eind zomer 2025 verwacht.
5.
Wie moet deze inspanning monitoren?
Antwoord
De Ministeries van IenW en LVVN zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de richtlijn. De verantwoordelijkheid voor de fysieke monitoring ligt bij lidstaten en de, nog aan te wijzen, bevoegde autoriteiten en niet bij individuele landeigenaren. Voor landbouwbodems bestaat er al een door LVVN gefinancierde monitoring. Landbouwbodems worden in Nederland sinds 2018 elke 5–6 jaar op inmiddels 1.800 locaties gemonitord. Voor de implementatie van de richtlijn zal de monitoring door de Ministeries van IenW en LVVN in overleg met andere overheden moeten worden uitgebreid naar alle bodems. Mogelijke scenario’s, inclusief kosten, voor de grootte van het monitoringsprogramma en relatie met bestaande monitoringnetwerken (ook voor bijvoorbeeld bodemverontreiniging) worden verder uitgewerkt als de richtlijn definitief van kracht is.
6.
Wie is verantwoordelijk voor de financiële lasten van deze monitoring en worden zij gecompenseerd?
Antwoord
De financiële lasten van de monitoring zullen voornamelijk bij de verantwoordelijke ministeries voor deze richtlijn liggen, de Ministeries van IenW en LVVN, en moeten passen binnen de eigen begroting.
7.
Zijn er door de regering financiële reserveringen gedaan om deze verplichting uit te voeren? Zo ja, ten laste van welke partijen komen deze reserveringen?
Antwoord
De eerste monitoring conform de richtlijn moet vijf jaar na vaststelling van de richtlijn worden uitgevoerd. Financiële reserveringen hiervoor moeten in de betreffende begrotingen van IenW en LVVN worden vastgelegd.
Microplastics
8.
De leden van de fractie van de BBB merken op dat inzake de Verordening ter voorkoming van pelletverlies om microplasticsvervuiling te verminderen Nederland pleit voor de inclusie van de maritieme sector. Nederland verwelkomde zelfs de opname van een herzieningsclausule om de drempelwaarde van 1.000 ton voor certificeringsverplichtingen in de toekomst te heroverwegen. Wat betekent dit voor de maritieme sector in het kader van een gelijk speelveld? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering.
Antwoord
Het kabinet heeft zich sinds het begin van de onderhandelingen ingezet voor het opnemen van verplichtingen voor de maritieme sector. Door ook de maritieme sector verplichtingen op te leggen ontstaat er een eerlijker en gelijk speelveld met andere vormen van transport. Zowel EU vervoerders als niet-EU vervoerders vallen onder deze bepaling. Het tekstvoorstel uit de Raadspositie, die is aangenomen tijdens de Milieuraad van 17 december 2024, bevat zulke verplichtingen en is gebaseerd op richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
9.
De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat bij de invoering van voormelde verordening er bij de Europese Commissie zorgen bestaan over de administratieve lasten voor bedrijven. Daarnaast twijfelt de Europese Commissie aan de uitvoerbaarheid van deze maatregel en zal zij inzetten op een versimpeling tijdens de triloogonderhandeling met de Raad en het Europees Parlement. In hoeverre is uitstel mogelijk tot de resultaten van de versoepeling duidelijk zijn?
Antwoord
Allereerst is de categorie (zeer) kleine bedrijven nog steeds uitgezonderd van de zwaardere (administratieve) verplichtingen. De zwaardere verplichtingen, zoals certificering, gelden pas wanneer met meer dan 1.000 ton pellets per jaar wordt gewerkt. Ter vergelijking: Frankrijk heeft al een vergelijkbaar systeem op nationaal niveau geïmplementeerd en daar geldt een certificeringsplicht voor alle bedrijven die met meer dan 5 ton plastic pellets per jaar werken. Dit Franse systeem is in consultatie met de sector opgezet. Het kabinet oordeelt mede daarom dat het onwaarschijnlijk is dat de lastendruk van deze Europese maatregel te hoog zal zijn. Het kabinet is niet bekend met mogelijk uitstel en ziet daar om voorgenoemde reden ook geen noodzaak toe.
Fit for 55-wetgeving
10.
De leden van de fractie van de BBB constateren dat landen in Oost- en Zuid-Europa hebben aangeven problemen te hebben met verschillende onderdelen van de Fit-for-55 wetgeving. Dit betreft afspraken zoals het Emission Trade System (ETS) voor de gebouwde omgeving en wegtransport (ETS2), het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) enzovoorts. Nederland geeft in dit kader aan te willen vasthouden aan de normen. In hoeverre is een dergelijke houding verstandig in het kader van normen waar Nederland zelf problemen mee heeft zoals het geval is bij de Kaderrichtlijn Water (KRW), zo vragen deze leden. Deze leden ontvangen hierop graag een nadere toelichting van de regering.
Antwoord
Dit kabinet houdt vast aan de bestaande klimaat- en energiedoelen. Hiervoor is het van belang dat we bestaande afspraken uitvoeren, zoals vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord en Regeerprogramma, zowel op Europees als nationaal niveau. De Fit for 55-regelgeving is essentieel voor het behalen van de doelen vastgelegd in de Europese Klimaatwet en de nationale Klimaatwet. Het kabinet is daarom geen voorstander van het loslaten van de Fit for 55-regelgeving. De lopende onderhandelingen over de KRW en de richtlijnen over prioritaire stoffen en grondwater zijn tussen lidstaten afgerond10 en momenteel bevinden zich deze in de triloogfase tussen de Raad (onder Pools voorzitterschap), de Europese Commissie en het Europees Parlement. De lidstaten hebben hiervoor reeds ingestemd met de Raadspositie en worden vertegenwoordigd door het zittend Voorzitterschap.
Samenstelling:
Croll (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Griffioen (BBB), Karimi (GroenLinks-PvdA), Lagas (BBB), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Kaljouw (VVD), Meijer (VVD), Van Toorenburg (CDA), Bakker-Klein (CDA), Dittrich (D66), Aerdts (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Nanninga (JA21), Janssen (SP), Huizinga-Heringa (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-08-AF.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.