Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-08 nr. 677

21 501-08 Milieuraad

Nr. 677 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 mei 2017

Hierbij ontvangt u, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, het verslag van de informele bijeenkomst voor milieuministers die op 25-26 april jl. plaatsvond op Malta. In verband met het reces werd Nederland tijdens deze bijeenkomst hoogambtelijk vertegenwoordigd. Op de agenda stonden klimaatadaptatie, oceaanbeleid in relatie tot klimaatbeleid, en marien zwerfvuil.

Klimaatadaptatie

De discussie over klimaatadaptatie vond plaats in het licht van het Parijs Akkoord: het Maltees Voorzitterschap vroeg delegaties hoe zij verder inhoud willen geven aan de adaptatieafspraken die daarin gemaakt zijn, en in welke sectoren en op welk niveau acties het meest urgent zijn.

Lidstaten noemden met name landbouw en watermanagement, maar ook o.a. toerisme, bosbeheer en infrastructuur, als sectoren die specifiek aandacht moeten krijgen bij klimaatadaptatie. Veel lidstaten benadrukten dat samenwerking nodig is tussen de verschillende belanghebbende partijen. Vooral lokale overheden, zoals steden, moeten een grote rol spelen bij klimaatadaptatie. Enkele lidstaten waarschuwden dat het uitstellen van maatregelen kan leiden tot hogere kosten op de lange termijn. Tevens werd naar voren gebracht dat, naast samenwerking op Europees niveau, het van groot belang is om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het vergroten van hun weerbaarheid. In het Parijs Akkoord zijn hier al afspraken over gemaakt.

Net als Nederland benadrukten veel lidstaten dat de EU Adaptatiestrategie een belangrijk instrument is om ervoor te zorgen dat acties van verschillende lidstaten elkaar en Europees beleid goed aanvullen. Veel lidstaten steunen een herziening van de strategie, zodat de nieuwste inzichten (bijvoorbeeld van het Intergovernmental Panel on Climate Change) hierin verwerkt kunnen worden.

Lidstaten benadrukten dat de effecten van klimaatverandering sterk verschillen per regio, waardoor een one size fits all-benadering niet mogelijk is. Vrijwel alle lidstaten hebben daarom inmiddels een nationale klimaatadaptatiestrategie met bijhorende actieplannen ontwikkeld. De Commissie zou zich moeten blijven richten op de ondersteuning van lidstaten (i.e. advies voor het opstellen van nationale klimaatadaptatiestrategieën en het beschikbaar stellen van financiering) en op het integreren van klimaatadaptatie in andere beleidsterreinen en kennisdeling.

In het kader van kennisdeling heeft Nederland aandacht gevraagd voor het Global Centre of Excellence on Climate Adaptation, een initiatief van Nederland, Japan en de VN. Dit centrum moet dé plek worden waar de kennis over klimaatadaptatie vanuit een breed netwerk aan partijen, waaronder onderzoeksinstituten, lokale en nationale overheden, internationale organisaties en de financiële sector, samenkomt. Het centrum zal geleerde lessen uit recent uitgevoerde projecten omzetten in handreikingen voor verschillende sectoren en regio’s. Hiermee moeten projecten vaker en sneller aan financiering, ook van private partijen, geholpen kunnen worden. Nederland nodigde de andere lidstaten uit om zich aan te sluiten bij dit initiatief.

Oceanen – Raakvlak tussen klimaat- en milieubeleid

De mariene omgeving is één van de speerpunten van het Maltees EU Voorzitterschap. Malta had dan ook een discussie over de relatie tussen duurzaam oceaanbeheer met klimaat- en milieubeleid geagendeerd.

Veel lidstaten benadrukten dat oceaanbeleid en klimaatbeleid hand in hand moeten gaan. Omdat mariene ecosystemen koolstof opnemen uit de atmosfeer, draagt de bescherming hiervan bij aan de strijd tegen klimaatverandering. Ook bieden zeeën en oceanen mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie, zoals golfenergie en windenergie op zee. In dit kader werd ook de samenwerking tussen de landen rondom de Noordzee, waaronder Nederland, aan windenergie op zee ter sprake gebracht.

Veel lidstaten onderstreepten dat gezonde oceanen van belang zijn voor een sterke blauwe economie, waarin economische groei en bescherming van ecosystemen hand in hand gaan. Visserij en toerisme zijn daarin belangrijke sectoren. Tot slot benadrukte een aantal lidstaten dat binnen de International Maritime Organization maatregelen genomen moeten worden om de CO2-emissies van de (internationale) scheepvaart te reduceren.

Marien zwerfvuil en de nieuwe Plastics Strategy

Ten slotte is er gesproken over de aanpak van marien zwerfvuil en de rol die de Plastics Strategy, die de Commissie eind 2017 wil publiceren, hierin zou kunnen spelen. In de in juni 2016 onder Nederlands Voorzitterschap aangenomen Raadsconclusies hadden lidstaten al eerder hun steun uitgesproken voor een significante reductie van marien zwerfvuil in 2020.

Lidstaten benadrukten tijdens deze bijeenkomst dat de focus moet liggen op de preventie van plastic afval op het land, omdat 80% van het marien zwerfvuil vanaf het land afkomstig is. De Commissie werd dan ook opgeroepen om met een ambitieuze plasticstrategie te komen. Net als Nederland noemde een aantal lidstaten het wegnemen van barrières voor recycling als belangrijk aandachtspunt hierbij, onder andere door het uitfaseren van milieuschadelijke stoffen in plastics en het creëren van een markt voor gerecycled plastic. In Nederland worden deze zaken opgepakt binnen de transitieagenda kunststoffen, die onderdeel uitmaakt van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.

Volgens veel lidstaten moeten ook economische prikkels een rol krijgen in de plasticstrategie. Zo hebben veel lidstaten, waaronder Nederland, ervaren dat het invoeren van een verplichte prijs op plastic tasjes grote effecten heeft op het aantal tasjes dat verbruikt wordt. Nederland en andere lidstaten spraken daarnaast hun steun uit voor een Europees verbod op het gebruik van plastic microbeads in verzorgingsproducten.

Tot slot wees een aantal lidstaten op het belang van monitoring, waarbij lidstaten zoveel mogelijk dezelfde data en indicatoren zouden moeten gebruiken om samenwerking te vergemakkelijken.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma