Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 december 2012
Hierbij bied ik u het verslag aan van de Informele Ministeriële Raad ten behoeve van
het cohesiebeleid op 6 november jl. te Nicosia, Cyprus. Tijdens deze bijeenkomst werd
stil gestaan bij de voortgang van de onderhandelingen over de concept-verordeningen
van het cohesiebeleid voor de programmaperiode 2014–2020. In het bijzonder werd ingegaan
op de effectiviteit en de governance van het cohesiebeleid. Het Cypriotisch voorzitterschap
heeft naar aanleiding van de gedachtewisseling tijdens de bijeenkomst voorzitterschapsconclusies
opgesteld. Deze conclusies zijn de visie van EU voorzitter Cyprus op de bijeenkomst
en vindt u in de bijlage1. Naast alle lidstaten en de Europese Commissie was namens het Europees Parlement
mevrouw Hubner aanwezig, voorzitter van de Regio-commissie. Tot slot was ook aankomend
lidstaat Kroatië aanwezig.
Effectiviteit van het cohesiebeleid
Het voorzitterschap riep op om vaart te maken met de onderhandelingen en deze nog
onder het Cypriotisch voorzitterschap af te ronden, financiële zaken uitgezonderd.
Ten behoeve van de discussie vroeg het Cypriotisch voorzitterschap de aanwezige lidstaten
en instellingen in te gaan op de verwachte effectiviteit van enkele nieuwe onderdelen
van het cohesiebeleid. Tot slot haalde de voorzitter het belang van partnerschap aan.
Eurocommissaris Hahn van Regionaal Beleid benadrukte het belang om de effectiviteit
van het cohesiebeleid te verhogen. Ten eerste biedt het «better spending» voorstel
drie goede mogelijkheden om de effectiviteit te verhogen. Zo is het belangrijk om
te bepalen wat we willen bereiken met de beschikbare middelen. Dit is ook gekoppeld
aan het tweede punt, dat lidstaten het maken van moeilijke keuzes niet uit de weg
moeten gaan. We hebben niet de luxe om overal geld in te steken, aldus de heer Hahn.
Als derde punt gaf de heer Hahn aan dat het kader met randvoorwaarden op orde moet
zijn, de zogenoemde ex ante conditionaliteiten. Dit is volgens hem essentieel om optimale
toegevoegde waarde te creeren met de investeringen. Een tweede belangrijk aspect waar
men aandacht aan moet geven zijn hervormingen en de aansluiting op het Europese Semester.
Zo moeten het Nationaal Hervormingsprogramma en de landenspecifieke aanbevelingen
het centrale uitgangspunt zijn van de partnerschapsovereenkomst en de Operationele
Programma´s (OP’s). Deze koppeling betekent niet dat deze jaarlijks aangepast dienen
te worden. Door betere coördinatie tussen de fondsen is synergie te behalen en te
benutten. De heer Hahn sloot zijn betoog af met te stellen dat het cohesiebeleid het
Europese investeringsinstrument voor bedrijven moet gaan worden.
Voorzitter van de Regio Commissie van het EP mevrouw Hubner omschreef het cohesiebeleid
als de pijler van de Europese investeringen. Het meer politiek maken van het cohesiebeleid
kan volgens haar bijdragen aan meer kwaliteit. Tot slot benadrukte mevrouw Hubner
het belang van flexibiliteit om in de verschillen overeenkomsten en programma´s rekening
te houden met de regionale uitdagingen.
Het overgrote merendeel van de lidstaten, evenals Nederland, gaven aan de nieuw overeengekomen
onderdelen zoals de ex ante conditionaliteit, prestatie raamwerk en het Gemeenschappelijk
Strategisch Kader te steunen en verwachten dat dit sterk bijdraagt aan de verbeterde
effectiviteit van het cohesiebeleid.
Nederland heeft het belang voor resultaten, prestatieindicatoren en de thematische
concentratie benadrukt. Als goede aanpak heeft Nederland het vroegtijdig betrekken
van de eindbegunstigde ingebracht. Door de toepassing van (meer) vraagsturing zijn
de programma’s en de interventies beter afgestemd op de behoeften van bedrijven en
kennisinstellingen. Dit heeft een hogere toegevoegde waarde als resultaat en wordt
er meer private investeringen uitgelokt. Tot slot beklemtoonde Nederland dat het bouwwerk
niet moet leiden tot meer administratieve en uitvoeringslasten en werd hierbij door
diverse landen gesteund, waaronder het Verenigd Koninkrijk.
Governance van het cohesiebeleid
Tijdens de werklunch is er gesproken over de governance van het cohesiebeleid. De
discussie ging vooral in op het voorstel van voorzitter Cyprus om halfjaarlijks op
Raadsniveau te spreken over de voortgang van het cohesiebeleid en de samenhang met
de Europa 2020 doelstellingen. Vrijwel alle lidstaten, waaronder ook Nederland, spraken
zich positief uit om te beginnen bij een jaarlijks overleg. Eurocommissaris Hahn merkte
op dat deze raadsvergaderingen dan niet alleen over de financiële stand van zaken
moet gaan, maar vooral over de impact van het beleid. Daarnaast werd door enkele lidstaten
aangetekend dat het overleg het juiste karakter moet behouden en niet dient te verwateren
of te technisch ingestoken moet worden. Tot slot was een vereiste dat het overleg
gebaseerd moet zijn op reeds beschikbare informatie en niet mag leiden tot extra rapportages.
Eurocommissaris Hahn onderschreef dit principe.
De staatssecretaris van Economische Zaken,
J.C. Verdaas