Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200021501-08 nr. 101

21 501-08
Milieuraad

nr. 101
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 1999

Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de Geannoteerde Agenda van de Raad van de Europese Unie (Milieu) van 12 oktober aanstaande te Luxemburg.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Geannoteerde agenda Milieu Raad d.d. 12 oktober 1999

De (voorlopige) agenda ziet er als volgt uit:

1. Aanneming van de agenda

2. A-punten

3. Beschikking houdende instelling van een communautair kader voor samenwerking op het gebied van de verontreiniging van de zee door ongevallen

4. Raadsconclusies inzake de onderhandelingen met JAMA en KAMA inzake reductie van CO2 emissies door personenauto's

5. Raadsconclusies inzake duurzame ontwikkeling en externe integratie.

6. Raadsconclusies inzake de EU Klimaatstrategie

7. Richtlijn inzake grenswaarden voor CO en benzeen

8. Voortgangsrapportage inzake de onderhandelingen over een Bioveiligheidsprotocol

9. Richtijn inzake nationale emissieplafonds

9b. Richtlijn inzake ozon

Evenals bij de Geannoteerde Agenda van de Milieu Raad van juni jl. zijn in het navolgende, conform de brief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, betreffende Informatievoorziening inzake Europese onderwerpen van 25 mei 1999 met kenmerk DIE/327/99, waar mogelijk de Commissienummers van voorstellen vermeld. In de korte inhoudsbeschrijving van de voorstellen is echter uitgegaan van de meest recent voorliggende (Voorzitterschaps-)voorstellen, aangezien deze immers ter behandeling voorliggen. De inhoud van deze Voorzitterschapsvoorstellen kan verschillen van de oorspronkelijke Commissiedocumenten. Ook bij toekomstige Geannoteerde Agenda's zal deze werkwijze worden gehanteerd.

Ad 3: Beschikking houdende instelling van een communautair kader voor samenwerking op het gebied van de verontreiniging van de zee door ongevallen, (COM) 1999 769 def.

Het Voorzitterschap streeft naar een Gemeenschappelijk Standpunt over het commissievoorstel voor een beschikking om te komen tot een communautair kader voor samenwerking tussen lidstaten in geval van vervuiling van de zee. De rechtsbasis is artikel 175, lid 1., besluitvorming vindt plaats bij gekwalificeerde meerderheid, met het Europees Parlement is de co-decisieprocedure van toepassing. Het Europees Parlement heeft inmiddels de eerste lezing gegeven van het voorstel.

Met de beschikking wordt beoogd een communautair kader te scheppen voor activiteiten die op basis van een eerdere resolutie al zijn begonnen. Het betreft een formalisering van bestaande vormen van samenwerking tussen experts van de lidstaten. Het is bedoeld om de acties van lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en onderlinge samenwerking te verbeteren. Deze task force voor praktische hulp bij coördinatie krijgt via het voorstel tevens enige financiële armslag (EUR 7 mln voor 7 jaar) door een bijdrage uit de Gemeenschapsbegroting. Deze middelen worden gebruikt voor het actualiseren van een database («Community Information System»), bij houden van een «roster of experts» waarop bij calamiteiten een beroep kan worden gedaan, het organiseren van cursussen, bijhouden van een website ed.

Bijkomend effect van het voorstel is dat via het voorgestelde EU-kader ook een aantal samenwerkingsvormen die bestaan als uitvloeisel van een aantal regionale overeenkomsten, worden geïntegreerd.

Ten aanzien van de voorgestelde financiering is het Nederlandse voorstel aanvaard om de budgetperiode van het voorgestelde samenwerkingsverband samen te laten vallen met de financiële perspectieven.

Ad 4: Raadsconclusies inzake de onderhandelingen met JAMA en KAMA inzake reductie van CO2 emissies door personenauto's

Het Voorzitterschap heeft, conform de Raadsconclusies hierover van de Milieu Raad van juni jl., opnieuw Raadsconclusies voorbereid betreffende de onderhandelingen met non-ACEA autofabrikanten inzake CO2 en auto's.

De Milieuraad heeft in oktober 1998 overeenstemming bereikt over de Raadsconclusies betreft de vrijwillige overeenkomst van de Europese auto-industrie (ACEA) over de reductie van CO2 uitstoot tot een gemiddelde van 140 gram per kilometer voor alle in 2008 op de markt te brengen auto's.

Om concurrentieverstoring tegen te gaan voorzien deze conclusies ook in onderhandelingen van de Commissie met non-ACEA autofabrikanten, onder meer uit Japan (JAMA) en Korea (KAMA), met de bedoeling tot een vergelijkbare overeenkomst te komen. Tijdens de Milieu Raad van juni jl. lag reeds een overeenkomst met Korea voor die door de Raad is aanvaard. Inmiddels is ook een overeenkomst bereikt met Japan. Ook de overeenkomst met Japan strekt tot eenzelfde inspanning als door de Europese auto-industrie wordt geleverd voor het bereiken van de reductiedoelstelling voor CO2 door personenauto's. Nederland kan dan ook akkoord gaan met de Raadsconclusies. Wel is zorgvuldige monitoring vereist bij de uitvoering van de overeenkomsten.

Ad 5: Raadsconclusies inzake duurzame ontwikkeling en externe integratie

Met betrekking tot duurzame ontwikkeling en externe integratie streeft het Voorzitterschap naar het aannemen van Raadsconclusies.

Integratie van milieu in andere sectoren is een van de prioriteiten van het Voorzitterschap en zal onderwerp zijn van de Europese Raad in Helsinki in december. Tijdens de Europese Raad in Helsinki zullen door de Transport-, Energie-, en Landbouwraad strategieën voor externe integratie worden gepresenteerd. Daarnaast zullen de Industrie-, Interne Markt- en de Ontwikkelingsraad hierover rapporteren.

Het is belangrijk dat ook de Milieuraad een bijdrage levert aan dit integratieproces. Daartoe dienen deze Raadsconclusies die aan de Europese Raad kunnen worden aangeboden. De Raadsconclusies hebben niet het doel de andere raden voor te schrijven wat te doen. Het is de bedoeling om de betrokkenheid van de Milieuraad te laten blijken bij het integratieproces. In de Raadsconclusies worden belangrijke terreinen voor externe integratie genoemd, te weten «milieu en handel», «de uitbreiding van de EU» en de «EU Klimaatstrategie». Ook wordt een verbinding gelegd met het in ontwikkeling zijnde 6e Milieu-Actieprogramma.

Nederland heeft voorgesteld om een verwijzing naar milieutoets voor nieuwe Commissievoorstellen op te nemen. Een dergelijke Europese milieutoets als procedureel instrument, waarbij de verplichting om bij voorstellen met aanzienlijke milieugevolgen een toets te voegen van de positieve en negatieve effecten, kan in belangrijke mate bijdragen aan externe integratie.

Voorts hecht Nederland aan de ontwikkeling van een EU duurzame ontwikkelingsstrategie waarbij ontkoppeling het sleutelwoord zou moeten zijn. Essentieel hierbij is echter dat een dergelijke strategie gericht is op activiteiten van de EU zelf en dat niet zozeer een invulling van het begrip duurzame ontwikkeling voor andere landen wordt gegeven.

Ad 6: Raadsconclusies inzake de EU Klimaatstrategie

De bespreking van het agendapunt «klimaatverandering» staat in het teken van de voorbereiding van de EU op de vijfde conferentie van partijen bij het klimaatverdrag (COP V), eind oktober 1999 in Bonn en de strategie voor CoP-6. Daarnaast is aandacht voor de voortgang op het terrein van «common and coordinated policies and measures» en de communicatie van de commissie over de implementatie van het Kyoto Protocol. Het Voorzitterschap heeft Raadsconclusies voorbereid.

COP-V is een belangrijke stap op de weg naar een succesvolle COP-6. Aan de ene kant zal voortgang geboekt moeten worden op een aantal cruciale Protocol onderwerpen (nalevingsregime, Kyoto mechanismen), aan de andere kant zal voortgang geboekt moeten worden op onderwerpen die van belang zijn voor de ontwikkelingslanden (capaciteitsopbouw, technologieoverdracht). Ten aanzien van de Protocol onderwerpen is de inzet van de EU om tijdens CoP-5 concrete onderhandelingsteksten op te stellen. Tijdens CoP-5 zal ook een besluit worden genomen over de datum voor COP-6. Naar aller waarschijnlijkheid zal deze plaatsvinden in november 2000.

In de voorbereiding van de raadsconclusies is uitvoerig gesproken over de signalen die gegeven kunnen worden richting ontwikkelingslanden. Binnen de EU zijn een aantal lidstaten van mening dat voor de onderhandelingen op dit moment niets weggegeven mag worden. Dit kan pas tijdens CoP-6 wanneer het totale onderhandelingspakket wordt besproken. Andere lidstaten waaronder Nederland hebben aangegeven dat het voor de voortgang tijdens CoP-5 van belang is om nu al aan te geven dat de EU serieus nadenkt over de uitwerking van capaciteitsopbouw en technologieoverdracht. Capaciteitsopbouw is als apart agendapunt opgenomen voor CoP-5.

In de voorbereiding is ook uitvoerig stil gestaan bij de voortgang op het terrein van de «common and coordinated policies and measures». De voortgang is niet bevredigend omdat aan de ene kant andere formaties van de Raad niet tot besluitvorming komt en aan de andere kant de Commissie nog niet aan alle verzoeken van de Raad heeft voldaan. Met name de lidstaten die nog niet erin geslaagd zijn om nationale maatregelen te formuleren (België, Oostenrijk) hameren erop dat er voortgang geboekt moet worden en stellen ratificatie van het Protocol hiervan afhankelijk. Nederland heeft aangegeven dat het van belang is om jaarlijks de voortgang te evalueren (overeenkomstig eerdere raadsconclusies) en dat de voortgang als voorbeeld van integratie gemeld moet worden aan de Europese Raad in Helsinki. Op deze wijze kunnen regeringsleiders richting geven aan de verdere ontwikkeling.

Ad 7: Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht, (COM) 1999 591 def.

Over dit voorstel zal een oriënterend debat worden gevoerd. De rechtsbasis is artikel 175, lid 1., besluitvorming vindt plaats bij gekwalificeerde meerderheid, met het Europees Parlement is de co-decisieprocedure van toepassing. Het Europees Parlement heeft nog geen eerste lezing gegeven van het voorstel.

Het onderhavige voorstel vloeit voort uit het gestelde in artikel 4 van de Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit (96/62/EG). Deze richtlijn vormt het kader voor EG-regelgeving op het terrein van de luchtkwaliteit. De belangrijkste elementen van het voorstel zijn:

– grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide;

– data waarop aan bedoelde waarden moet zijn voldaan zijn: 2005 voor koolmonoxide en 2010 voor benzeen;

– een mogelijkheid voor uitstel van maximaal 5 jaar voor benzeen, in speciale gevallen met toestemming van de Commissie;

– gemeenschappelijke methoden en criteria van de wijze waarop concentraties van benzeen en koolmonoxide in de lucht in de Lidstaten moeten worden bepaald;

– informatieverplichtingen over de concentratie van benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht aan het publiek;

– de verplichting tot het nemen van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit in gebieden waar grenswaarden worden overschreden en het handhaven van luchtkwaliteit in gebieden waar deze goed is;

– verplichting voor de Commissie om uiterlijk 31 december 2004 een evaluatie betreffende de uitvoering van de richtlijn op te stellen en eventuele wijzigingen van de richtlijn voor te stellen.

In algemene zin is Nederland positief over het Commissievoorstel, waarbij de grenswaarden op het niveau van de advieswaarden van de World Health Organisation worden gelegd. Het voorstel zal tot een belangrijke verbetering van de Europese luchtkwaliteit leiden; omdat buitenlandse bronnen voor een belangrijk deel de Nederlandse luchtkwaliteit bepalen zal dit ook in Nederland tot een aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit leiden. Nederland kan instemmen met de hoogte van de grenswaarden en met de gestelde termijn voor het realiseren van de grenswaarden. Uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat de waarden voor CO en benzeen met het voorgenomen EU-auto-emissiebeleid in Nederland in resp. 2005 en 2010 haalbaar zijn. Wel worden vraagtekens gezet bij de geboden mogelijkheid om in bepaalde gevallen maximaal 5 jaar extra tijd te krijgen voor realisering van de benzeengrenswaarde.

Ad 8. Voortgangsrapportage inzake de onderhandelingen over een Bioveiligheidsprotocol

Het Voorzitterschap zal ten aanzien van de onderhandelingen inzake het Biosafety Protocol rapporteren over de huidige stand van zaken en de verdere procedures.

Van 14 t/m 19 februari 1999 heeft in Cartagena, Colombia, de zesde en laatste onderhandelingsronde van de open ended Working Group on Biosafety (BSWG) plaatsgevonden. De BSWG is in 1995 door de Conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag ingesteld met als opdracht in drie jaar een Biosafety Protocol voor te bereiden inzake grensoverschrijdend verkeer van «Living Modified Organisms» (LMOs ofwel GGO's).

Tijdens de laatste onderhandelingen in Cartagena kon echter geen overeenstemming worden bereikt. Het belangrijkste knelpunt bleek te zijn de vraag of en hoe «commodities» (bulkgoederen voor verwerking zoals graan) onder het protocol moeten worden meegenomen. Kort gezegd kwam het er op neer dat een groep van commodities producerende landen (Canada, VS, Argentinië, Chili, Uruguay en Australië) verzameld in de zogeheten «Miami groep» commodities niet onder het protocol wilde laten vallen, dit in sterke tegenstelling tot de meeste ontwikkelingslanden vertegenwoordigd in de zgn. «Like-minded groep». De EU was en is van mening dat commodities wel onder het protocol dienen te vallen en heeft in Cartagena compromisvoorstellen gedaan over de wijze waarop dat zou kunnen. Die voorstellen waren aanvaardbaar voor alle andere onderhandelingsgroepen met uitzondering van de Miami groep. Een ander belangrijk knelpunt in Cartagena was de zogeheten «savings clause» ofwel een bepaling waaruit zou blijken dat het Biosafety Protocol ondergeschikt zou zijn aan de WTO. De EU heeft zich hiertegen van meet af aan tegen verzet, omdat zij van mening is dat er geen hiërarchische relatie is tussen milieuverdragen en andere verdragen.

Tijdens de Milieu Raad van juni 1999 zijn over de verdere onderhandelingen inzake een Bioveiligheidsprotocol Raadsconclusies aanvaard. In de Raadsconclusies wordt het belang van succesvolle afronding van de onderhandelingen benadrukt. De laatste onderhandelingsronde zou ruimschoots voor de volgende Conference of Parties bij het Biodiversiteitsverdrag (mei 2000) plaats moeten hebben.

Van 15–19 september jl heeft in Wenen een «Informele consultatie» van partijen plaatsgevonden waarin onder leiding van de milieuminister van Colombia op informele basis is onderzocht of op de bovengenoemde «core issues» voldoende beweegruimte bij partijen is om de formele onderhandelingen te hervatten. In deze consultatie is gebleken dat er bij alle partijen de politieke wil aanwezig is om het Protocol tot stand te brengen en dat er mogelijkheden zijn om voor alle partijen aanvaardbare compromisvoorstellen te formuleren voor de «core issues». Tegen deze achtergrond is besloten dat de formele onderhandelingen zullen worden hervat van 20 tot 28 januari 2000. Tijdens de informele consultatie is overigens ook gebleken dat de hervatting van de onderhandelingen zeker geen eenvoudige zaak zal zijn, want naast het bereiken van overeenstemming over een aanvaardbare tekst voor de «core issues», zal voorts overeenstemming moeten worden bereikt over een aantal andere belangrijke onderwerpen (zoals de opname in het Protocol van de Voorzorgsbenadering) en een aantal technische punten.

De inzet van Nederland in de EU zal zijn om actief bij te dragen aan het daadwerkelijk tot stand brengen van een werkbaar Protocol in januari 2000 door in EU verband compromissen te formuleren voor de openstaande punten, zoals:

– voorstellen voor commodities waarbij zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de wens van de Like Minded groep om de import van commodities vooraf te kunnen beoordelen,

– voorstellen waarmee opname van de Voorzorgsbenadering in het Protocol behouden blijft;

Overigens blijft het voor de EU een vast uitgangspunt dat er geen hiërarchie is tussen milieuverdragen en andere verdragen.

Ad 9: Richtijn inzake nationale emissieplafonds (COM) 1999 125 def.

Over dit voorstel zal een oriënterend debat worden gevoerd. De rechtsbasis is artikel 175, lid 1., besluitvorming vindt plaats bij gekwalificeerde meerderheid, met het Europees Parlement is de co-decisieprocedure van toepassing. Het Europees Parlement heeft nog geen eerste lezing gegeven van het voorstel.

In twee internationale kaders (Verenigde Naties/Economische Commissie voor Europa -UN/ECE en de Europese Unie) wordt momenteel gewerkt aan afspraken om drie effecten zo veel mogelijk terug te brengen:

1. verzuring (door SO2, NOx en NH3);

2. vermesting (door NOx en NH3), en

3. ozonvorming (door NOx en Vluchtige Organische Stoffen (VOS)).

Recent zijn in UN/ECE-kader de onderhandelingen gevoerd om te komen tot een nieuw protocol onder de «Convention on Longe Range Transboundary Air Pollution».

Op dit moment wordt voorzien dat het protocol eind november 1999 in Göteborg wordt ondertekend door de ministers van de betrokken landen. Bij dit protocol is op een vergelijkbare wijze als bij de onderhavige richtlijn Nationale Emissieplafonds gekomen tot de berekening van nationale emissieplafonds.

De richtlijn Nationale Emissieplafonds is een uitwerking van de in december 1997 vastgestelde Raadsconclusies inzake de EU-verzuringsstrategie, waarin is vastgelegd dat ernaar wordt gestreefd voor het gehele EU-gebied te komen tot een halvering van het areaal met overschrijding van de kritische depositiewaarde voor verzuring. Dit doel is als tussenstap geformuleerd naar een situatie waarbij de kritische belasting voor verzuring en de kritische niveau's voor ozonvorming niet meer worden overschreden. Het doel van de richtlijn is de drie genoemde effecten zo veel mogelijk terug te brengen naar duurzame niveau's voor ecosystemen en volksgezondheid door het op een kosteneffectieve wijze terugbrengen van de emissie van de vier stoffen (NOx, SO2, NH3 en VOS) die deze effecten veroorzaken.

In onderstaande tabel zijn de in de onderhavige richtlijn voor het jaar 2010 door de Europese Commissie voorgestelde emissieplafonds afgezet tegen de in UN/ECE-kader voor Nederland overeengekomen emissieplafonds, de bestaande NMP-3 doelen en de emissieniveau's in 1990 in 1997 voor de vier betrokken stoffen.

(in kton)SO2NOxVOSNH3
Emissies 1990201542490233
Emissies 1997124470340145
Doelstelling NMP-3 voor 20105612011754
Emissieplafond in UN/ECE-protocol voor 201050266191128
Voorstel emissieplafond Europese Commissie voor 201050238156104

Het resultaat van de besprekingen van het Göteborg-protocol voldoet niet aan de ambitie die de Europese Commissie bij het opstellen van de richtlijn Nationale Emissieplafonds heeft geformuleerd en aan de ambitie uit de genoemde Raadsconclusies inzake de EU-verzuringsstrategie. Daarbij gaat het om twee samenhangende ambities. Enerzijds gaat het om de ambities ten aanzien van het bestrijden van de drie genoemde effecten (verzuring, vermesting en ozonvorming) en anderzijds, en daarmee samenhangend, om de ambities ten aanzien van de voorgestelde emissieplafonds voor de vier betrokken stoffen.

Wanneer de resultaten van het Göteborg-protocol worden gelegd naast de door de Europese Commissie voorgestelde ambitieniveau's ten aanzien van de effecten en de emissieplafonds voor Nederland dan blijkt het volgende.

1. Voor wat betreft de effecten geldt dat met name het areaal in Nederland, dat een hogere depositie ondervindt dan het kritische niveau voor verzuring, niet wordt teruggebracht van 89% in 1990 tot 24% in 2010 (voorstel Europese Commissie), maar slechts tot 51% (resultaat Göteborg-protocol). Ook de gezondheidseffecten door ozonvorming zullen in het jaar 2010 aanzienlijk hoger zijn dan wanneer aan de emissieplafonds in de richtlijn Nationale Emissieplafonds wordt voldaan.

2. Voor wat betreft de emissieplafonds geldt dat het voorstel van de Europese Commissie voor de stoffen NOx, NH3 en VOS een lager emissieplafond voor 2010 inhoudt, dan in het Göteborg-protocol is overeengekomen.

De Nederlandse inzet voor wat betreft de effecten is dat er naar gestreefd wordt de tussentijdse doelstelling, zoals die is vastgelegd in de Raadconclusies inzake de EU-verzuringsstrategie van december 1997, zoveel mogelijk te realiseren.

Voor wat betreft de emissieplafonds wordt het niet wenselijk geacht om de huidige NMP3-doelstellingen als Nederlandse inzet te kiezen bij voorbereidingen van de EU-richtlijn Nationale Emissieplafonds, omdat Nederland zich dan op onhaalbare internationale resultaatsverplichtingen zou vastleggen. Overigens betekent het internationaal vastleggen op emissieplafonds niet dat daarmee ook de nationale ambities (doelstellingen) zouden zijn vastgelegd. Deze ambities (inspanningsverplichtingen), die zullen worden vastgelegd in het NMP-4, zullen mogelijk verder reiken.

Nederland kan instemmen met de emissieplafonds, zoals die zijn overeengekomen in het Göteborg-protocol, te weten 50 kton voor SO2, 266 kton voor NO, 191 kton voor VOS en 128 kton voor NH3. Nederland is bereid om, in het licht van de destijds vastgestelde ambities in het NMP3, te bezien of verder gegaan zou kunnen worden (lagere emissieplafonds) mits ook andere EU-landen, en met name onze buurlanden, zich ook ambitieus opstellen.

Ad 9b: Richtlijn inzake ozon, (COM) 1999 125 def.

Het voorstel is gezamenlijk met de bovenbeschreven voorstel voor richtlijn inzake nationale emissieplafonds aangeboden aan de Raad en vloeit voort uit het gestelde in artikel 4 van de kaderrichtlijn luchtkwaliteit (96/62/EG). Het voorstel betreft luchtkwaliteitsdoelstellingen voor ozon (smog) die gelden voor de gehele Europese Unie. Het wordt aan de Lidstaten overgelaten welke specifieke maatregelen noodzakelijk zijn in lokale omstandigheden. De luchtkwaliteitsdoelstellingen liggen op een niveau dat bij implementatie van de concept-richtlijn inzake nationale emissieplafonds wordt gehaald.

Het voorste bevat de volgende elementen:

– lange termijndoelstellingen, streefwaarden, een informatie- en alarmdrempel voor ozon ter vermindering en voorkoming van schadelijke effecten op mens en milieu;

– gemeenschappelijke methoden en criteria voor de vaststelling van de concentraties van ozon en precursorstoffen;

– informatievoorziening over ozonconcentraties zodaning dat deze toegankelijk is voor de bevolking;

– de verplichting tot verbetering van de luchtkwaliteit met betrekking tot ozon. Naast structurele maatregelen voorziet de ozondochterrichtlijn ook in tijdelijke maatregelen bij episoden met hoge concentraties, mits deze maatregelen effectief zijn om de concentraties te verlagen.

Nederland is op zich voorstander van het vaststellen van streefwaarden voor ozon, maar vindt de thans voorgestelde niveaus niet zinvol, immers deze hebben geen meerwaarde ten opzichte van de emissieplafonds uit de betreffende richtlijn. Verdergaande maatregelen voor Nederland, maar ook voor andere lidstaten, zijn namelijk zeer moeilijk haalbaar. Alleen op communautair niveau is verdere actie mogelijk. Nederland wil streefwaarden op het niveau van de door de Commissie voorgestelde lange termijndoelstellingen zonder harde verplichting deze binnen bepaalde periode zo veel mogelijk te moeten halen. Aangezien nu reeds duidelijk is dat tijdelijke maatregelen nauwelijks effect ressorteren (zeker althans in Noord-West Europa) is Nederland tegen de verplichting dit alsnog aan te tonen.