21 501-07
Ecofin-Raad

21 501-20
Europese Raad

25 107
Derde fase EMU

nr. 221
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 mei 1998

Mede namens de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken, reageer ik hierbij op de tijdens de regeling van werkzaamheden van de Tweede Kamer d.d. 7 mei jl. door verschillende afgevaardigden gestelde vragen over de benoeming van de directie van de ECB, in het bijzonder de benoeming van de eerste president van de ECB. Voor een algemeen verslag van de verschillende Raden die in het weekend van 1, 2 en 3 mei hebben plaatsgevonden zij verwezen naar het algemene verslag van het weekend dat u heden separaat is toegegaan, maar dat ook als bijlage van deze brief is toegevoegd.

Allereerst kan worden opgemerkt dat de Nederlandse inzet eruit bestond om de heer Duisenberg te benoemen tot eerste president van de ECB. Dit vanzelfsprekend in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in het Verdrag en in de Statuten van de ECB/ESCB. Deze inzet werd realistisch geacht omdat in de aanloop naar het weekend van 1, 2 en 3 mei was gebleken dat een grote meerderheid van lidstaten de kandidatuur van de heer Duisenberg zou ondersteunen. Randvoorwaarde was dat het Verdrag zou worden gerespecteerd. Concreet betekende dit dat Nederland niet akkoord zou kunnen gaan met een benoeming van de president van de ECB voor een periode korter dan acht jaar. Wel moest in de besprekingen – die nodig bleken te zijn omdat Frankrijk een eigen kandidaat naar voren had geschoven – rekening worden gehouden met het gegeven dat de heer Duisenberg al eerder te kennen had gegeven dat, gelet op zijn leeftijd, het onwaarschijnlijk zou zijn dat hij bij een eventuele benoeming als eerste president van de ECB de volledige termijn zou uitdienen. Ook stond Nederland op het standpunt dat een eventuele afspraak dat een andere lidstaat de mogelijkheid zou krijgen om de volgende president voor te dragen, niet door Nederland zou hoeven te worden geblokkeerd, mede gelet op de in het Verdrag opgenomen waarborgen ten aanzien van de kwaliteitsvereisten voor te benoemen directieleden.

Ten aanzien van de gevolgde procedure kan worden opgemerkt dat het Verdrag voorschrijft dat de leden van de eerste directie in onderlinge overeenstemming worden benoemd door de regeringen van de (deelnemende) lidstaten op aanbeveling van de Raad en na raadpleging van het EMI en het Europees parlement. In de aanloop naar het besluitvormingsweekend bleek dat deze kwestie alleen op het hoogste niveau kon worden opgelost, met als gevolg dat in de Ecofin geen bereidheid bestond om tot een aanbeveling te komen voordat er een politieke consensus tussen de regeringsleiders en staatshoofden zou bestaan over de kandidatuur voor het presidentschap van de ECB.

Zoals aangegeven had Frankrijk een eigen kandidaat gesteld voor het eerste presidentschap van de ECB. Uiteindelijk is afgesproken dat de heer Duisenberg voor een volledige termijn van acht jaar zal worden benoemd. Tevens bestaat er overeenstemming over dat voor de opvolging van de heer Duisenberg door Frankrijk een kandidaat zal worden voorgedragen. De Raad heeft kennis genomen van de mededeling van President Chirac dat deze kandidaat de heer Trichet zal zijn.

Wat betreft de procedure voor de benoeming van de volgende president van de ECB geldt dat de benoeming zal plaatsvinden op aanbeveling van de Ecofin en dat het Europees Parlement en de ECB geraadpleegd zullen worden. Hierbij blijft onverlet dat ook de volgende president moet voldoen aan de eisen en voorwaarden die het Verdrag stelt aan leden van de directie van de ECB, namelijk dat zij worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied. Het is daarbij in eerste instantie aan de Ecofin, en vervolgens aan de ECB, het EP en de regeringen van de lidstaten, om te beoordelen of de voorgedragen kandidaat aan deze kwaliteitsvereisten voldoet.

Ten aanzien van de juridische implicaties van het genomen besluit, inclusief de verklaring van de heer Duisenberg, is een aantal elementen van belang. De benoeming van de heer Duisenberg is voor een periode van acht jaar en derhalve in overeenstemming met het Verdrag. De persoonlijke verklaring van de heer Duisenberg dat hij, gelet op zijn leeftijd, de volledige termijn niet wil uitdienen doet hier niets aan af1. De heer Duisenberg heeft hierbij uitgesproken dat hij tenminste aanblijft gedurende de periode waarin euro-munten en bankbiljetten in omloop worden gebracht en nationale munten en bankbiljetten uit circulatie worden gehaald. Het tijdstip van aftreden wordt door hem bepaald en door niemand anders. Op basis van deze persoonlijke verklaring kan derhalve geen tijdstip worden aangegeven waarop de heer Duisenberg zal aftreden.

Gelet op bovenstaande kan de ECB onder de leiding van de heer Duisenberg een geloofwaardige start maken bij het vestigen van een solide reputatie van de euro.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

BIJLAGE

Datum: 08-05-98, IMZ 98/1367

Onderwerp: verslag EMU weekend d.d. 1, 2 en 3 mei 1998

Onderstaand volgt een verslag van de beraadslagingen in het «EMU-weekend» van 1, 2 en 3 mei. In dit weekend hebben vier vergaderingen plaatsgevonden:

A Ecofin d.d. 1 mei 1998

B Raad in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders d.d. 2 mei 1998

C Ecofin d.d. 3 mei 1998

D Informele bijeenkomst van de Ministers van de Ecofin, de Commissie en de presidenten van de nationale centrale banken en het EMI

Voorafgaand aan de formele Raad (in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders) heeft een (informele) lunch plaatsgevonden.

A Ecofin d.d. 1 mei

De Ecofin komt op vrijdag 1 mei om 18.30 uur bijeen om te spreken over de volgende onderwerpen.

1 Intrekking buitensporige tekorten

2 Aanbeveling van de Ecofin inzake toetreding tot de muntunie

3 Verklaring van de Ecofin

4 Verklaring inzake Griekse toetreding

5 Verordening inzake denominaties en technische specificatie euro-muntstukken

1 Intrekking buitensporige tekorten

De Europese Commissie heeft op 25 maart jl. een aanbeveling opgesteld voor de intrekking van het buitensporig-tekortoordeel van negen lidstaten: België, Duitsland, Italië, Frankrijk, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. De Commissie licht toe tot dit oordeel te zijn gekomen op basis van de budgettaire uitkomsten over 1997 en de vooruitzichten voor 1998 en daarna. Voor alle negen lidstaten geldt dat het overheidstekort in 1997 onder de 3% BBP is uitgekomen en dat voor 1998 een verdere daling is voorzien. Voor het schuldniveau geldt voor België en Italië dat deze zich op een hoog niveau bevindt, maar dat deze lidstaten hun primaire overschotten op een voldoende hoog niveau zullen houden om een verdergaande duidelijke daling van de schuldquote te bereiken. Voor vijf lidstaten geldt dat geen sprake is van een buitensporig tekort. Ten aanzien van Griekenland geldt dat veel voortgang is geboekt op het terrein van de budgettaire convergentie, maar dat additionele inspanningen nodig zijn voor intrekking van het tekortoordeel.

De voorzitter van het Monetair Comité, Wicks, zegt dat hij weinig heeft toe te voegen aan de aanbeveling. Hij benadrukt dat in de aanbeveling wordt aangegeven dat vooral de bereikte convergentie in 1997 van belang is en dat met name voor België en Italië de committeringen voor 1998 en daarna ook relevant zijn voor de beoordeling.

Voorzitter Brown concludeert dat er sprake is van een unaniem besluit van de Ecofin voor intrekking van het tekortoordeel van de negen genoemde lidstaten.

2 Aanbeveling inzake toetreding tot de muntunie

De Commissie geeft in haar inleiding aan dat zij een positief oordeel heeft ten aanzien van de Ecofin-aanbeveling dat elf lidstaten voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden voor de aanname van de gemeenschappelijke munt. Het proces van convergentie is echter nog niet voltooid; dit geldt vooral voor lidstaten met een zeer hoge schuld. In dit opzicht is de Commissie verheugd over de verklaring inzake budgettaire consolidatie die verder op de agenda staat.

Ook het EMI, bij monde van zijn president de heer Duisenberg, geeft aan dat naast het voldoen aan de criteria, ook de houdbaarheid van de convergentie van groot belang is. Voor een gezonde monetaire unie zijn goed functionerende goederen- en arbeidsmarkten dienstig, terwijl het evenzeer van belang is dat lidstaten hun begrotingsaldo terugbrengen tot nabij evenwicht of in overschot teneinde budgettaire ruimte te creëren onder het tekortplafond van 3% BBP voor tijden van economische tegenwind. Ten aanzien van lidstaten met een zeer hoge schuld zijn duidelijke begrotingsoverschotten noodzakelijk.

Enkele sprekers geven vervolgens aan de boodschappen van de Commissie en het EMI te ondersteunen. Minister Zalm zegt dat de rapporten van de Commissie en het EMI duidelijk aangeven dat veel is bereikt op het gebied van economische convergentie. Het is nu zaak dat de bereikte convergentie verder wordt verankerd en uitgebouwd conform het Stabiliteitsen Groeipact. Hij besluit met een persoonlijke noot in het Italiaans gericht aan zijn collega Ciampi. Minister Ciampi reageert onmiddellijk en dankt Zalm hartelijk voor zijn vriendelijke woorden.

Voorzitter Brown concludeert dat sprake is van een unanieme aanbeveling van de Ecofin dat elf lidstaten voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden voor deelname aan de muntunie.

3 Verklaring van de Ecofin over budgettaire consolidatie

Wicks geeft aan dat het Monetair Comité een verklaring heeft uitgewerkt waarin een aantal fundamentele principes om volledige profijt van de muntunie te kunnen trekken, krachtig worden bevestigd. Voor de overheidsfinanciën geeft zij aan hoe het Stabiliteitspact op de meest effectieve wijze kan worden geïmplementeerd. Daarnaast verwijst de verklaring naar de informele bijeenkomsten van de ministers van de deelnemende lidstaten, zoals afgesproken in de conclusies van Luxemburg. De notie in de verklaring dat de EMU geen reden mag zijn voor additionele transfers, betekent niet dat op enigerlei wijze wordt vooruitgelopen op de uitkomsten van besprekingen in het kader van Agenda 2000. De wederzijdse koppeling tussen gezonde overheidsfinanciën, groei van de werkgelegenheid en structurele hervormingen wordt door allen onderkend en ondersteund. De Ecofin aanvaardt deze verklaring unaniem en zonder verdere discussie.

4 Verklaring Griekenland

De Ecofin besluit, op Grieks verzoek, een verklaring aan te nemen waarin kennis wordt genomen van de intentie van de Griekse regering om per 1 januari 2001 toe te treden tot de muntunie. Gesteld wordt dat Griekenland op dat moment op dezelfde wijze wordt beoordeeld als de lidstaten die per 1 januari 1999 zullen toetreden tot de muntunie.

5 Verordening denominaties en technische specificatie euro-muntstukken

De verordening inzake de technische specificatie van euro-munten wordt aangenomen. Ter vergadering geeft Duitsland aan zorg te hebben over de precieze specificaties van de munten van 20 en 50 cent, omdat automaten deze munten moeilijk van elkaar zouden kunnen onderscheiden. De Commissie zegt toe na te gaan hoe groot de problemen zijn en hoe, indien nodig, ze verholpen kunnen worden.

B Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders d.d. 2 mei

Op zaterdag 2 mei komt bovengenoemde Raad zowel formeel als informeel bijeen. In de formele sessie staat slechts één agendapunt geagendeerd, namelijk de bevestiging van de lidstaten die voldoen aan de voorwaarden voor aanneming van de gemeenschappelijke munt. In de informele sessie (tijdens de lunch) wordt gesproken over de samenstelling van de directie van de ECB.

1 Bevestiging welke lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor aanneming van de gemeenschappelijke munt

Genoemde Raad gaat unaniem akkoord met de aanbeveling van de Ecofin dat elf lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan de muntunie. Tevens neemt de Raad met instemming kennis van de door de Ecofin aangenomen verklaring inzake budgettaire consolidatie.

2 Samenstelling directie van de ECB

Dit onderwerp staat geagendeerd voor de (informele) lunch. De discussie spitst zich toe op de eerste president van de ECB, waarvoor twee kandidaten beschikbaar zijn: de huidige president van het EMI, de heer Duisenberg, en de huidige president van de Franse Centrale Bank, de heer Trichet. Duidelijk is dat de kandidatuur van de heer Duisenberg door een zeer grote meerderheid van lidstaten wordt gesteund.

In de daarop volgende besprekingen, die zelden plenair worden gevoerd, wil Frankrijk afspraken maken over een kortere duur van de aanstelling dan de in het Verdrag genoemde acht jaar. Vooral Duitsland en Nederland geven aan niet akkoord te kunnen gaan met een besluit over de duur van het presidentschap, omdat dit Verdragsbreuk impliceert. Wel geven zij aan op de hoogte te zijn van de mening van de heer Duisenberg dat hij niet de volledige termijn van acht jaar wil dienen. Uiteindelijk legt de heer Duisenberg in de plenaire zitting een persoonlijke verklaring af waarin hij aangeeft dat hij gezien zijn leeftijd niet de volledige termijn van acht jaar wil dienen, maar dat hij tenminste aanblijft gedurende de periode waarin euro-munten en bankbiljetten in omloop worden gebracht en nationale munten en bankbiljetten uit circulatie worden gehaald. Hij benadrukt daarbij dat dit besluit zijn eigen besluit is en dat hij dit besluit uit vrije wil heeft genomen.

Tevens bestaat er overeenstemming over dat voor de opvolging van de heer Duisenberg door Frankrijk een kandidaat zal worden voorgedragen. De Raad heeft kennis genomen van de mededeling van President Chirac dat deze kandidaat de heer Trichet zal zijn.

Voorts bereikt de Raad overeenstemming over de overige kandidaten voor de directie van de ECB. Kandidaat voor vice-president is de heer Christian Noyer (Frankrijk) voor een periode van vier jaar. De overige kandidaten zijn de heer Otmar Issing (Duitsland) voor een periode van acht jaar, de heer Tomasso Padoa Schioppa (Italië) voor een periode van zeven jaar, de heer Eugenio Domingo Solans (Spanje) voor een periode van zes jaar en mevrouw Sirkka Hämäläinen (Finland) voor een periode van vijf jaar.

C Ecofin d.d. 3 mei

Voor deze Ecofin staan de volgende onderwerpen geagendeerd:

1. Aanbeveling inzake samenstelling ECB-directie

2. Aanbeveling van de Commissie inzake enkele praktische aspecten bij de invoering van de euro

3. Samenstelling van een commissie inzake de arbeidsvoorwaarden van de ECB-directie

1 Aanbeveling inzake samenstelling ECB-directie

De Ecofin doet een formele aanbeveling voor de samenstelling van de leden van de directie. Deze aanbeveling is in overeenstemming met het door de regeringsleiders en staatshoofden bereikte politieke akkoord.

2 Aanbevelingen van de Commissie inzake praktische aspecten invoering euro

De Ecofin neemt kennis van een drietal aanbevelingen van de Commissie en geeft aan dat de aanbevelingen een nuttige aanvulling zijn op de nationale inspanningen van lidstaten. De aanbevelingen hebben betrekking op:

• bankkosten voor de conversie naar de euro;

• dubbele prijsaanduiding;

• dialoog, monitoring en informatie om de overgang naar de euro te vergemakkelijken.

3 Samenstelling van een commissie inzake de arbeidsvoorwaarden van de ECB-directie

De Ecofin bereikt een akkoord over de samenstelling van een commissie die voorstellen formuleert inzake de (secundaire) arbeidsvoorwaarden voor de directie van de ECB. De commissie zal bestaan uit drie door de ECB benoemde leden en drie door de Ecofin benoemde leden. De leden die de Ecofin benoemt zijn de Minister van Financiën van Luxemburg (Juncker), Italië (Ciampi) en Portugal (Sousa Franco).

D Informele bijeenkomst van de Ministers van de Ecofin, de Europese Commissie en de presidenten van de centrale banken en het EMI

De Ministers van de Ecofin, de Europese Commissie en de presidenten van de centrale banken en het EMI nemen een gezamenlijk communiqué aan waarin de bilaterale conversiekoersen zijn vastgelegd waartegen de munten zullen worden vervangen door de euro. In dit communiqué is aangegeven dat de huidige spilkoersen van het Europees Monetair Stelsel de onderlinge koersen zullen zijn waartegen de munten van de aan de muntunie deelnemende lidstaten worden vervangen door de euro.

Dit communiqué betreft een vooraankondiging van de conversiekoersen, omdat het Verdrag aangeeft dat de conversiekoersen pas op de aanvangsdatum van de derde fase formeel kunnen worden aangenomen door de Ecofin. De reden dat slechts de onderlinge, bilaterale koersen worden aangekondigd, en niet de koersen van de deelnemende munten t.o.v. de euro, is dat het Verdrag vereist dat de conversiekoersen waartegen de nationale munten door de euro worden vervangen niet mogen leiden tot een wijziging in van de externe waarde van de euro (Ecu) op de aanvangsdatum van de derde fase. De externe waarde van de euro kan echter nog niet worden vastgesteld, omdat deze deels wordt bepaald door de waarde van munten (Britse pond sterling, Deense kroon, Griekse drachme) die niet per 1-1-99 zullen worden vervangen door de euro.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven