Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2018
Zoals toegezegd bij het AO Europese fiscale zaken van 7 juni jl., stuur ik u hierbij
de nadere reactie over btw en pensioenen, en belastingheffing in de digitale economie.
BTW en pensioenen
Ik heb toegezegd om u te informeren over de bij mij bekende casuïstiek over de btw-behandeling
in andere landen en met name België.
In de brief van 13 oktober 2017 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1464) heeft mijn voorganger u geïnformeerd over de btw-behandeling van pan-Europese pensioenfondsen
in België. De desbetreffende passage luidt als volgt:
«De leden van de fractie van het CDA vragen mij of ik kan bevestigen dat de Belgische
overheid in het schrijven «België, ideale locatie voor pan-Europese pensioenfondsen»
uitgaat van een vrijstelling voor financieel en administratief beheer. Op verzoek
van de leden van de fractie van het CDA kan ik bevestigen dat de Belgische overheid
in het schrijven «België, ideale locatie voor pan-Europese pensioenfondsen» uitgaat
van een vrijstelling voor financieel en administratief beheer, onder verwijzing naar
de relevante Europese jurisprudentie. Uit het schrijven volgt dat de nieuwe Belgische
rechtsfiguur van Organisme voor de Financiering van Pensioenen («OFP») voor de vennootschapsbelasting
en btw wordt behandeld als een icbe-beleggingsfonds.»
In vergelijking tot de Nederlandse praktijk, doet deze casuïstiek denken aan de premiepensioeninstelling
(«PPI»). In de memorie van toelichting bij de Wet introductie PPI1 is op verzoek van vele partijen een passage over de btw-behandeling opgenomen. Diensten
van een PPI zijn vrijgesteld onder de vrijstelling voor collectieve beleggingsfondsen.
De casuïstiek en beschreven btw-behandeling voor de Belgische OFP en de Nederlandse
PPI zijn zo bezien vergelijkbaar. Er is sprake van een collectief beleggingsfonds
waarvoor het beheer is vrijgesteld van btw. Onder verwijzing naar de relevante jurisprudentie
geldt voor beiden als uitgangspunt dat sprake moet zijn van de uitvoering van een
DC-premieregeling.
Overigens ligt er geen casuïstiek ten aanzien van andere lidstaten of beleggingsvehikels
ter beoordeling voor.
Belastingheffing in de digitale economie
Met betrekking tot het onderwerp belastingheffing in de digitale economie heb ik toegezegd
om terug te komen op de volgende passage van het BNC-fiche2 van 9 mei jl.:
«Het voorstel ziet dus niet op ondernemingen die zijn opgericht en gevestigd buiten
de EU en significante digitale aanwezigheid hebben in een lidstaat van de EU, waarbij
er wél een belastingverdrag bestaat tussen dit derde land en deze EU-lidstaat (tenzij
dit belastingverdrag conform de richtlijn is).»
De passage ziet op de reikwijdte van het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie
(«Commissie») voor een langetermijnoplossing in de winstbelasting in combinatie met
verdragstoepassing. Hierin is toegelicht dat het voorstel volgens de Commissie van
toepassing is op:
-
– vennootschappen van de Europese Unie (EU-vennootschappen):
vennootschapsbelastingplichtigen die zijn opgericht en gevestigd in de EU; en
-
– niet-EU-vennootschappen in land zonder belastingverdrag:
vennootschappen die zijn opgericht en gevestigd buiten de EU en een significante digitale
aanwezigheid hebben in een EU-lidstaat en waarbij er géén belastingverdrag bestaat
tussen dit derde land en de EU-lidstaat.
Ter zake van belastingheffing in relatie tot niet-EU-vennootschappen die gevestigd
zijn in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten (zoals bijvoorbeeld
met de Verenigde Staten) zijn de bepalingen in het betreffende belastingverdrag van
toepassing. Deze belastingverdragen bevatten nog geen bepaling op basis waarvan heffingsrechten
worden toegewezen aan het land waar de onderneming een significante digitale aanwezigheid
heeft. Vanwege het beginsel van goede verdragstrouw is het niet mogelijk belasting
te heffen op basis van een significante digitale aanwezigheid van een onderneming
zonder aanpassing van het verdrag. Daarom zou een aanpassing van de regels voor vaste
inrichtingen, zoals wordt voorgesteld in de richtlijn, in relatie tot derde landen
alleen effectief zijn als ook de belastingverdragen tussen EU-lidstaten en derde landen
worden aangepast. In dit verband beveelt de Commissie de lidstaten aan om – na een
akkoord over de langetermijnoplossing – de belastingverdragen met derde landen conform
de nieuwe bepaling aan te passen.
Het is de bedoeling van de Commissie dat de interim--maatregel (digitaledienstenbelasting)
geen belasting is waarvan de werking door verdragen kan worden beperkt, waardoor de
werking hiervan niet afhankelijk is van de vraag of Nederland met het land waar de
belastingplichtige gevestigd is een land is waar Nederland een belastingverdrag mee
heeft afgesloten.
De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel