Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 juli 2017
Tijdens het algemeen overleg Ecofin d.d. 14 juni 2017 heb ik aan het lid Omtzigt (CDA)
toegezegd om schriftelijk in te gaan op zijn vragen over de aanpassing van de crediteurenhiërarchie,
die volgt uit een voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van de richtlijn
herstel en afwikkeling van banken (BRRD).1
Het voorstel van de Europese Commissie voorziet erin dat lidstaten in hun nationale
faillissementsladder (ook wel: crediteurenhiërarchie) zorgen voor een nieuwe laag
schulden. Op de faillissementsladder worden schulden gerangschikt op volgorde waarop
zij uit de boedel worden voldaan. Bevoorrechte vorderingen worden eerder voldaan dan
concurrente schulden, terwijl achtergestelde schulden pas worden voldaan nadat concurrente
schulden volledig zijn voldaan. Indien bail-in wordt toegepast, wordt deze faillissementsladder
in wezen omgekeerd. Vorderingen die in faillissement als laatste uit de boedel worden
voldaan, worden als eerste aan bail-in onderworpen.
De op grond van het voorstel van de Europese Commissie in te voegen nieuwe laag vorderingen
wordt «niet-preferente senior schuld» genoemd.2 Het voorstel voorziet in een aantal criteria waaraan schulden moeten voldoen om voor
opname in deze categorie in aanmerking te komen.3 Deze nieuwe laag schuld moet de afwikkelbaarheid van banken vergroten door een laag
bail-inbare vorderingen te creëren die in faillissement weliswaar bevoorrecht is ten
opzichte van bijvoorbeeld kapitaalinstrumenten, maar eerder aan bail-in kunnen worden
onderworpen dan moeilijk bail-inbare schulden zoals vorderingen uit een derivatenportefeuille
of grootzakelijke deposito’s.
Het lid Omzigt heeft in het algemeen overleg tevens gevraagd hoe de nieuwe laag niet-preferente
senior schuld zich zal verhouden met andere instrumenten, zoals (hybride) kapitaalinstrumenten
(waaronder ook converteerbare obligaties). Niet-preferente senior schuld zal een bevoorrechte
positie kennen ten opzichte van achtergestelde schulden en (hybride) kapitaalinstrumenten.
De nieuwe laag zal echter achtergesteld zijn aan concurrente schuld, zoals bijvoorbeeld
normale senior obligaties, vorderingen uit derivaten en deposito’s. Zoals toegezegd
tijdens het algemeen overleg is dit hieronder middels een figuur inzichtelijk gemaakt.
Figuur 1: Bail-in onder de crediteurenhiërarchie

Tot slot heeft het lid Omtzigt een vraag gesteld over de fiscale behandeling van niet-preferente
senior schuld. Voor de fiscale behandeling van een geldverstrekking, dus ook deze
niet-preferente senior schuld, wordt aangesloten bij de civielrechtelijke vorm. Als
een geldverstrekking civielrechtelijk wordt beschouwd als een lening, dan wordt deze
geldverstrekking in beginsel fiscaal gezien als vreemd vermogen. Op deze hoofdregel
zijn echter als gevolg van jurisprudentie uitzonderingen mogelijk. Het is uiteindelijk
aan de belastinginspecteur om afhankelijk van de specifieke voorwaarden van een instrument
te beoordelen of een (rente) vergoeding aftrekbaar is of niet.
Zoals ik in eerdere brieven over Europese bankcasussen heb benadrukt is het voor de
toekomst van groot belang dat banken meer dan nu beschikken over een substantiële
laag relatief eenvoudig bail-inbaar vermogen. Daarmee zullen banken beter in staat
zijn verliezen op te vangen, en kunnen zij zo nodig ook makkelijker worden geherkapitaliseerd.
Het voorstel voor een nieuwe schuldlaag in de crediteurenhiërarchie kan hier aan bijdragen.4 In het verslag van de Ecofinraad van juni 2017 is gemeld dat de Raad tot een algemene
oriëntatie is gekomen over dit voorstel. Hierover zullen triloog-onderhandelingen
worden gestart met het Europees Parlement (EP) zodra het EP daar klaar voor is.5 Wanneer daaruit een politiek akkoord komt, is er een formele tekst die in Nederland
kan worden geïmplementeerd. Tot die tijd zal de ambtelijke voorbereiding door gaan,
om ervoor te zorgen dat de Nederlandse implementatie, na afronden van het EU traject,
zo snel mogelijk verloopt.
De Minister van Financiën,
J.R.V.A. Dijsselbloem