In oktober 2011 presenteerde Europees Commissaris Piebalgs (Ontwikkelingssamenwerking)
een Mededeling over de toekomstige benadering van EU-begrotingssteun aan derde landen1. Een appreciatie van deze Mededeling ging de Kamer toe met de geannoteerde agenda
voor de Raad Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking van 14 november 20112. Daarin werd de Nederlandse inzet als volgt verwoord: «Nederland heeft herhaaldelijk
aangedrongen op een herbezinning van de begrotingssteun die door de EU wordt verstrekt.
De Europese Commissie zou, in overleg met de lidstaten, strikter moeten beoordelen
of het ontvangende land (nog) wel aan basisvoorwaarden op het gebied van goed bestuur,
mensenrechten en corruptiebestrijding voldoet en of de begrotingssteun wel oplevert
waarvoor hij is bedoeld. Dit zou tot grotere terughoudendheid moeten leiden. Daarnaast
moet de dialoog met de ontvangende landen over deze basisvoorwaarden scherper worden
aangezet.»
De wijze waarop de EU begrotingssteun verstrekt, en de voorwaarden die daarbij in
acht worden genomen, zijn sindsdien twee maal onderwerp van gesprek geweest in de
Raad.3 Op 14 mei 2012 nam de Raad hierover conclusies aan.
Zoals ik de Kamer ook heb meegedeeld in het Verslag van een Schriftelijk Overleg ter
voorbereiding op de Raad Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking van 14 mei jl.4, hanteerde de Commissie al de volgende drie criteria voor het toekennen van begrotingssteun
aan derde landen: (1) een goed armoedebestrijdingsplan: er moet een duidelijk nationaal
of sectorspecifiek beleidsplan zijn, gebaseerd op een poverty reduction strategy paper (PRSP) of een soortgelijke armoedebestrijdings- en groeistrategie; (2) er moet sprake zijn van een op stabiliteit gericht
macro-economisch beleid; het oordeel van het IMF hierover is leidend en (3) er moet
een geloofwaardig en effectief plan zijn voor de verbetering van public finance management. Dit derde criterium kan zeker onder de noemer «goed bestuur» worden geschaard: het
gaat er om het goed beheer van publieke middelen.
De Raad heeft op 14 mei jl. een vierde criterium bekrachtigd, dat eveneens deel uitmaakt
van de goed bestuur agenda: transparantie van de begroting. Nederland heeft dat verwelkomd:
een transparante begroting is een noodzakelijke voorwaarde voor parlementaire controle
en stelt ook maatschappelijke organisaties in staat de regering van het ontvangende
land ter verantwoording te roepen over inkomsten en uitgaven.
Ook is een politiek weegmoment geïntroduceerd, waarbij wordt beoordeeld of in de heersende
politieke situatie in een land, gelet op democratie, mensenrechten en rechtsstaat,
algemene begrotingssteun überhaupt wel opportuun is. Nederland heeft hierop in het
bijzonder aangedrongen. Omdat begrotingssteun als instrument vertrouwen veronderstelt
in de ontvangende regering en haar beleid, moet op voorhand voldoende duidelijk zijn
dat dit vertrouwen is gerechtvaardigd. Een oordeel over de opportuniteit van begrotingssteun
kan niet tot stand komen zonder ook omstandigheden op het gebied van democratie, mensenrechten
en rechtsstaat in overweging te nemen. Overigens is Nederland van mening dat dezelfde
uitgangspunten zouden moeten gelden voor sectorale begrotingssteun, die eveneens via
de begroting van de ontvangende overheid verloopt.
Na aanname van de Raadsconclusies heeft de Commissie de uitwerking van de nieuwe benadering
ten aanzien van begrotingssteun ter hand genomen. De lopende begrotingssteunoperaties
worden door een nieuw opgericht Steering Committee beoordeeld op opportuniteit. Toekomstige commitments moeten tot stand komen op basis van herziene begrotingssteunrichtlijnen, die volgend
jaar van kracht worden. In deze richtlijnen wordt een apart hoofdstuk gewijd aan fundamentele
waarden (democratie, mensenrechten en rechtsstaat) en de afweging van deze waarden
bij de inzet van begrotingssteun. De Commissie zal de nieuwe richtlijnen binnenkort
presenteren aan lidstaten. Omdat de praktijk vanzelfsprekend bepalend is voor het
slagen van de nieuwe benadering, zal Nederland er op blijven toezien dat de opportuniteit
van EU-begrotingssteun in zijn politieke context wordt beoordeeld. Ook bij de concrete invulling
van landenprogramma’s, die nu voor de periode 2014–2020 door de Commissie worden opgesteld
voor de partnerlanden van de EU, zal Nederland hier op letten.