21 501-03 Begrotingsraad

Nr. 52 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2010

Graag bied ik u hierbij de geannoteerde agenda aan voor de Begrotingsraad, die plaatsvindt op 15 juli aanstaande.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

Geannoteerde agenda Begrotingsraad 15 juli 2010

Op 15 juli 2010 zal de Begrotingsraad bijeenkomen om de eerste lezing aan te nemen van het Commissievoorstel (Voorontwerp) voor de EU-begroting 2011.

1. Procedure Begrotingsraad

De procedure voor het vaststellen van de jaarlijkse begroting is gewijzigd met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Het aantal lezingen van het voorontwerp van de Commissie door de Raad en het Europees Parlement is ingevolge artikel 314 van het VWEU teruggebracht van twee naar één en zal plaatsvinden in het najaar. Indien de Raad en het Europees Parlement in deze lezing geen akkoord bereiken volgt direct een conciliatie. Besluitvorming in de Raad over de jaarlijkse begroting geschiedt via gekwalificeerde meerderheid.

De komende Begrotingsraad in juli heeft derhalve als enig agendapunt het vaststellen van de positie van de Raad ten aanzien van de ontwerpbegroting 2011.

2. Stand van zaken

De Commissie heeft een voorstel gedaan voor de begroting 2011. Het voorzitterschap tracht op dit moment een compromis te vinden binnen de Raad.

Voorstel Commissie

In het Commissievoorstel stijgen de betalingen met € 7 miljard, van € 123 miljard in 2010 naar € 130 miljard in 2011. Deze stijging met bijna 6% wordt vooral veroorzaakt door een verhoging bij de structuur- en cohesiefondsen, die volgens de Commissie noodzakelijk is om het economisch herstel in Europa te bevorderen. Het betalingsniveau bepaalt wat de lidstaten aan de EU moeten afdragen. De door de Commissie voorgestelde stijging zou de Nederlandse afdracht met ca. € 400 miljoen doen stijgen ten opzichte van 2010.

De Commissie stelt daarnaast voor de vastleggingskredieten met ruim € 1 miljard te laten stijgen, van € 141,5 miljard in 2010 naar € 142,6 miljard in 2011. Als het economisch herstelprogramma in 2010 niet wordt meegerekend, dan bedraagt de stijging in 2011 € 3 miljard. Als argumenten voor deze stijging voert de Commissie aan de kosten van het bestrijden van de financieel-economische crisis (bv. middelen voor de financiële toezicht autoriteiten) en de aansluiting bij nieuw beleid, zoals de Europa 2020-strategie, het Stockholmprogramma voor vrijheid, veiligheid en recht, klimaat in ontwikkelingslanden en het Europees vrijwilligersjaar.

De hoofdlijnen van het Commissievoorstel per uitgavencategorie zijn samengevat in de tabel in de bijlage. Ter toelichting het volgende:

  • Voor de categorie Concurrentiekracht (1a) was een stijging bij een aantal meerjarenprogramma’s al voorzien, bijvoorbeeld bij het 7e kaderprogramma onderzoek en de transport- en energienetwerken.

  • Voor de categorie Structuur- en Cohesiefondsen (1b) liggen de vastleggingen per jaar en per lidstaat vast tot en met 2013. Wel vindt elk jaar discussie plaats over de betalingen, omdat de ervaring is dat de betalingen vaak lager uitvallen dan de Commissie raamt. De Commissie stelt een aanzienlijke stijging voor van de betalingen voor de lopende periode vanwege het laat op gang komen van programma’s.

  • Bij de categorie Landbouw, Visserij en Milieu (categorie 2) blijven de uitgaven nagenoeg gelijk, maar vindt een verschuiving plaats van marktinterventies naar directe inkomenssteun, conform de eerder ingezette hervormingen.

  • De uitgaven in de categorie Vrijheid, veiligheid en recht (3a) stijgen in lijn met de afspraken onder de meerjarenprogramma’s.

  • Voor de categorie Burgerschap (3b) stelt de Commissie een gelijkblijvend budget voor.

  • De categorie Extern beleid (4) wordt traditioneel gekenmerkt door veel onverwachte uitgaven gedurende het jaar, bijvoorbeeld door natuurrampen buiten de EU.

  • In het Commissievoorstel is een stijging te zien van de categorie Administratie (5) met 4,5%. Dit wordt deels veroorzaakt door stafuitbreidingen bij een aantal instellingen als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Ook is in het voorstel de eerder door de Commissie voorgestelde salarisstijging voor juli 2009 – juli 2010 meegenomen, hoewel deze stijging door de Raad is afgewezen. Hierover is nu een zaak gaande voor het Europese Hof van Justitie. De financiële implicaties van de oprichting van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) zijn nog niet in de cijfers opgenomen.

3. Nederlandse inzet

Het kader van de Europese begroting 2011 wordt gevormd door de Financiële Perspectieven 2007–2013. Die bepalen de maximale omvang van de vastleggings- en betalingskredieten van de jaarlijkse begrotingen. Nederland is traditioneel voorstander van handhaving van die plafonds en het daarbinnen overeind houden van voldoende marges om onvoorziene uitgaven gedurende het jaar op te kunnen vangen. Het voorstel van de Europese Commissie blijft binnen de kaders van de Europese begroting.

Het jaar 2011 is in budgettair opzicht echter geen gewoon jaar. De begrotingen van de Europese lidstaten staan sterk onder druk als gevolg van de financiële en economische crisis. De lidstaten zien zich dan ook genoodzaakt met soms pijnlijke maatregelen hun eigen begrotingen fors terug te brengen. De ontwikkeling van de Europese begroting dient daarmee in verhouding te staan. De bijdrage van de lidstaten aan de EU-begroting dient de budgettaire opgave waar die lidstaten zich de komende jaren voor gesteld zien niet nog verder te verzwaren.

Vanuit deze achtergrond is een begroting waarbij de betalingen ten opzichte van het vorig jaar met 6% toenemen dan ook niet acceptabel, ook al bevindt deze zich binnen de kaders van de Financiële Perspectieven. Nederland streeft naar een gelijkblijvende EU-begroting ten opzichte van 2010. Dit betekent dat zowel de betalingen als de vastleggingskredieten niet zouden mogen stijgen ten opzichte van het lopende begrotingsjaar. Nederland hecht er daarnaast aan dat ook in 2012 en 2013 de betalingen uit de Europese begroting zich zeer terughoudend ontwikkelen. Derhalve zal bij de Europese begroting 2011 ook kritisch gekeken moeten worden naar de ontwikkeling van de vastleggingskredieten.

Ten opzichte van het voorstel van de Commissie acht Nederland het van belang dat bij alle categorieën wordt bezien hoe de begroting naar beneden kan worden bijgesteld. Met name de stijgingen bij de categorieën 1b en 5 lijkt ruimte voor een duidelijke neerwaartse bijstelling.

Onderhandelingen binnen de Raad

Een aanzienlijk aantal traditioneel gelijk gezinde landen is van mening dat de EU-begroting in 2011 niet of nauwelijks zou mogen toenemen. Onder de overige landen is in zeer grote mate steun voor het voorstel van de Commissie. Zij vrezen dat het neerwaarts bijstellen van de begroting vooral ten koste zal gaan van de middelen voor structuurfondsen. Uiteindelijk zal hiertussen een compromis gevonden moeten worden. Het is het Voorzitterschap tot nog toe niet gelukt een dergelijk compromis te vinden.

Bijlage Commissievoorstel voor voorontwerp EU-begroting 2011

 

Vastleggings-kredieten

(miljoen €)

Vastleggings-kredieten

(% t.o.v. 2010)

Betalingen

(miljoen €)

Betalingen

(% t.o.v. 2010)

Marge onder FP’s

(miljoen €)

1a Concurrentiekracht

13 437

+ 4.4

12 108

+ 7.0

50.1

1b Structuur/cohesie

50 970

+ 3.2

42 541

+ 16.9

16.9

2 Landbouw, visserij en milieu

59 486

0.0

58 137

0.0

851.8

3a JBZ

1 135

+ 12.8

853

+ 15.4

70.7

3b Burgerschap

668

0.0

639

– 3.1

15.2

4 Extern beleid

8 614

+ 5.6

7 602

– 2.4

70.3

5 Administratie

8 267

+ 4.5

8 268

+ 4.5

149.3

Totaal

142 565

+ 2.2

130 136

+ 5.9

1224.3

Naar boven