Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201021501-02 nr. 957

21 501-02
Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

nr. 957
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2010

Conform de toezegging aan de Kamer tijdens het Algemeen Overleg voor de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 11 februari jl. (21 501-02, nr. 947), stuur ik u hierbij een overzicht van de huidige nucleaire activiteiten van Iran. De grote zorgen die ik heb over het Iraanse nucleaire programma zijn gebaseerd op deze activiteiten.

Brandstofcyclus

Voor de ontwikkeling van een civiel nucleair programma ten behoeve van energieproductie, dient een land te beschikken over specifieke technische kennis en kunde en de faciliteiten waar die kennis in de praktijk wordt gebracht; kort samengevat is dat de cyclus van uraniumerts tot kerncentrale. Het gaat in dat proces in eerste instantie om het omzetten van uraniumerts in laagverrijkt uranium met een verrijkingsgehalte van max. 5%.1 Een hoger verrijkingsgehalte is niet nodig voor een civiel nucleair energieprogramma.

Uraniumerts kan, indien aanwezig, nationaal worden gedolven of in het buitenland worden ingekocht. De verrijking vindt plaats in een verrijkingsinstallatie. Het laagverrijkte uranium moet vervolgens in brandstofstaven worden verwerkt die op hun beurt in een kerncentrale worden gebruikt om kernreacties teweeg te brengen waarbij energie vrijkomt.

Het laagverrijkt uranium kan ook verder worden verrijkt tot een gehalte van, nog steeds laagverrijkt, 20%. Als dit laagverrijkt uranium in brandstofstaven wordt verwerkt, kan het worden gebruikt in onderzoeksreactoren en voor de productie van medische isotopen. Indien het uranium verder wordt verrijkt tot een gehalte boven de 20%, wordt gesproken van hoogverrijkt uranium. Uranium met een verrijkingspercentage boven de 90% is geschikt voor het gebruik in kernwapens. Voor een succesvol kernwapenprogramma is ook de techniek voor het ontwikkelen van een bom en overbrengingsmiddelen nodig (in deze brief zal niet worden ingegaan op het zich snel ontwikkelende Iraanse ballistische rakettenprogramma).

Iraans nucleair programma

Iran is een land met aanzienlijke nucleaire activiteiten. Het is sinds 1958 lid van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) en heeft in 1974 een standaard waarborgenovereenkomst met het IAEA afgesloten. Iran heeft het zogeheten Additioneel Protocol, dat een toevoeging op en uitbreiding van de standaard waarborgenovereenkomst van het IAEA vormt, in 2003 getekend maar niet geratificeerd. Het Additioneel Protocol voorziet in een groter aantal bevoegdheden van het IAEA bij het controleren van nucleaire activiteiten en legt zwaardere verplichtingen op aan de lidstaten. Een groot aantal lidstaten heeft dit additionele protocol geratificeerd. Het agentschap is daarom van mening dat de combinatie van deze twee waarborginstrumenten de huidige verificatiestandaard vormt.

Iran is op dit moment in staat een aantal onderdelen van de eerder genoemde cyclus in eigen regie uit te voeren, maar beschikt voor zover bekend nog niet over de kennis om de cyclus volledig te doen zijn. Bij de ontwikkeling van deze onderdelen heeft Iran meerdere keren de voorschriften van het IAEA geschonden, waardoor de kwestie van het Iraanse nucleaire programma in 2006 naar de VN Veiligheidsraad werd verwezen.

Iran ontplooit nabij de stad Bandar Abbas activiteiten op het gebied van de winning van uraniumerts en de productie van uranium concentraat (yellowcake) en beschikt tevens over een zogeheten uranium conversiefaciliteit in Esfahan. Hier worden de basisproducten voor de latere verrijking gemaakt.

Iran beschikt over een verrijkingsinstallatie in Natanz waar het uranium verrijkt tot een gehalte van 3,5%. Sinds 2007 heeft Iran in deze faciliteit 2065 kg laagverrijkt uranium geproduceerd. Voor het verkrijgen van splijtstoffen voor één kernwapen op basis van hoogverrijkt uranium is als grondstof een hoeveelheid laagverrijkt uranium (gehalte 3,5%) nodig van ongeveer 1500 kg, de zogeheten «breakout capability». Die drempel heeft Iran dus overschreden. Hoewel de VN-Veiligheidsraad Iran heeft opgeroepen te stoppen met alle verrijking van uranium, produceert Iran op dit moment zo’n 120 kg laagverrijkt uranium (gehalte 3,5%) per maand. Voor zover bekend gaat Iran hierbij bovendien steeds efficiënter te werk. Zo is er sinds november 2009 met minder centrifuges meer geproduceerd. Iran ondervindt nog steeds problemen bij dit proces. Bovendien staat een van de twee hallen in de ondergrondse faciliteit in Natanz nog leeg, wat aangeeft dat Iran de maximale capaciteit voor deze faciliteit nog niet heeft bereikt. Iran is inmiddels óok begonnen met de verdere verrijking van uranium tot een gehalte van 20%, waarmee het weer een volgende stap lijkt te beheersen in het proces van de ontwikkeling van splijtstoffen voor kernwapens. Verder is Iran gestart met de bouw van een nieuwe verrijkingsinstallatie in een berg in de buurt van de stad Qom. Met deze bouw schendt Iran wederom IAEA-voorschriften. De reden voor de bouw van de installatie in Qom is volgens Iran een strategische: bij vernietiging van de verrijkingsinstallatie in Natanz zou er verrijkingscapaciteit beschikbaar blijven. De installatie in Qom biedt ruimte voor een kleiner aantal centrifuges dan de installatie in Natanz en is nog niet operationeel.

In Esfahan heeft Iran ook een faciliteit gebouwd waar het brandstofelementen wil produceren, zowel voor zwaarwater- als lichtwaterreactoren. Sinds mei 2009 zijn in de installatie geen brandstofelementen geproduceerd. Voor zover bekend beschikt Iran nog niet over de techniek om laagverrijkt uranium in brandstofstaven te verwerken. Daarom vindt de Nederlandse regering de verrijking tot 20% en de door Iran aangekondigde bouw van tien nieuwe verrijkingsinstallaties weinig consistent met de toekomstige mogelijkheden om het verrijkte uranium ook daadwerkelijk als brandstof in een civiel kernenergie-programma te gebruiken.

Iran beschikt bovendien niet over operationele kerncentrales waar het in Natanz geproduceerde laagverrijkte uranium gebruikt zou kunnen worden. Hoewel ontwikkeling van de kerncentrale in Bushehr, een zogeheten lichtwaterreactor die met Russische hulp is gebouwd, zich in een vergevorderd stadium bevindt, hebben technische problemen er tot nu toe voor gezorgd dat de centrale niet kon worden opgestart. De brandstof voor deze centrale hoeft niet in Natanz te worden geproduceerd, omdat deze door Rusland zal worden geleverd. Ook hierdoor lijkt de bouw van tien nieuwe verrijkingsinstallaties niet logisch. Verder is Iran voornemens zelf een kerncentrale te bouwen in Darkhovin, maar de bouw hiervan is nog niet begonnen. De ontwikkeling hiervan zal bovendien nog jaren in beslag nemen. In Arak werkt Iran aan de bouw van een zwaarwater onderzoeksreactor. In een zwaarwater reactor kan met gebruikmaking van natuurlijk uranium energie worden opgewekt. Afvalproduct bij dit proces is plutonium dat, na opwerking van de brandstofelementen gebruikt kan worden als splijtstof in een kernbom. Iran beschikt voor zover bekend niet over een opwerkingsfabriek voor dit doeleinde.

Naar verluidt zijn er momenteel geen andere concrete plannen om kerncentrales te bouwen.

Iran beschikt wel over onderzoeksreactoren, waaronder de Tehran Research Reactor (TRR) en enkele laboratoria gerelateerd aan het nucleaire programma. De brandstof – in de vorm van kant-en-klare brandstofstaven – voor de TRR is bijna op, waarmee volgens Iran de productie van medische isotopen in de TRR in gevaar komt. Om nieuwe brandstof te garanderen is in oktober 2009 onder regie van het IAEA een voorstel tot stand gekomen waarbij Iran 1200 kg van zijn laagverrijkt uranium naar het buitenland zou verschepen om het daar verder te laten verrijken tot bijna 20% en tot brandstofstaven te laten verwerken, die vervolgens in de TRR gebruikt kunnen worden. Dit voorstel vormde tegelijkertijd een vertrouwenwekkende maatregel, aangezien de benodigde hoeveelheid laagverrijkt uranium die gebruikt zou kunnen worden voor het vervaardigen van splijtstoffen voor een kernbom, weer drastisch verminderd zou worden tot onder de drempel van de «breakout capability». Iran heeft dit voorstel niet officieel verworpen, maar wel een tegenvoorstel gedaan waarbij kleinere hoeveelheden Iraans laagverrijkt uranium tegelijkertijd geruild zouden worden tegen brandstofstaven. Deze ruil zou bovendien op Iraans grondgebied moeten plaatsvinden. Gezien de hoeveelheid laagverrijkt uranium die Iran volgens het meest recente IAEA-rapport over Iran heeft geproduceerd (2065 kg) lijkt de TRR-deal steeds minder actueel,omdat een dubbele «breakout capability» binnen handbereik ligt.

Het IAEA probeert zo volledig mogelijk invulling te geven aan de standaard waarborgenovereenkomst van Iran met het Agentschap. Door gebrek aan medewerking van Iran en het feit dat Iran het Additioneel Protocol niet heeft geratificeerd, is het IAEA nog steeds niet in staat vast te stellen dat het Iraanse nucleaire programma voor 100% vreedzaam van aard is. Dit wordt bevestigd in het jongste IAEA-rapport van DG Amano van 18 februari jl. (GOV/2010/10, bijgevoegd). In mijn beantwoording van de vragen van kamerlid Van Dam inzake dit IAEA-rapport, ga ik uitgebreid in op de nog openstaande verzoeken van het IAEA aan het adres van Iran.

Het IAEA-rapport stelt dat er een gegrond vermoeden bestaat dat Iran zich in het verleden of heden heeft bezig gehouden met mogelijke activiteiten die zijn gerelateerd aan de ontwikkeling van een kernkop. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat er activiteiten en faciliteiten bestaan die door Iran niet aan het agentschap zijn opgegeven, zoals tot voor kort de faciliteit in Qom.

De internationale gemeenschap heeft door de onregelmatigheden en onduidelijkheden in de ontwikkeling van het Iraanse nucleaire programma steeds minder vertrouwen in de aard ervan. Iran voldoet daarnaast nog steeds niet aan de implementatie van relevante resoluties van het IAEA en de VN-Veiligheidsraad inzake zijn nucleaire programma. Iran heeft evenmin voldaan aan alle overige uitstaande verzoeken en vragen van het IAEA. DG Amano legt in zijn jongste rapport nu duidelijk de bewijslast bij Iran. In dit kader zal de Commissie voor de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten op 25 maart 2010 van de AIVD en MIVD een briefing krijgen over Iran.

Nederlandse positie

De Nederlandse regering betreurt het voortdurend uitblijven van volledige samenwerking van Iran met het IAEA. Nederland deelt de mening van het IAEA dat hierdoor en door het niet implementeren van het Additioneel Protocol, twijfels blijven bestaan over de aard van het Iraanse nucleaire programma.

De Nederlandse regering is van mening dat Iran de mogelijkheid geboden moet blijven worden in dialoog te treden over het nucleaire programma, maar is waakzaam voor pogingen van Iran om tijd te rekken. De Nederlandse regering is ook van mening dat de huidige Iraanse opstelling niet bijdraagt aan het herstel van het internationaal vertrouwen in het enkel vredelievende karakter van het Iraanse nucleaire en ballistische pro- gramma. Iran zou zich in verdere gesprekken met de E3+3 moeten engageren. Iran dient eveneens te voldoen aan eerdere VN en IAEA-resoluties. Nu Iran in strijd met deze resoluties eenzijdig is begonnen zijn laagverrijkte uranium op te werken naar 20% en zolang het IAEA-voorstel inzake de TRR niet is geaccepteerd, dient de internationale gemeenschap in te zetten op het voorbereiden van concrete maatregelen in een Veiligheidsraadsresolutie. Nederland zet voorts in op het voeren van een parallelle discussie binnen de EU, gericht op een snelle implementatie van een eventuele nieuwe VNVR-resolutie.

Zo de VNVR niet overgaat tot het instellen van extra sancties is Nederland van mening dat sancties die het regime treffen en de economische belangen van de revolutionaire garde treffen door de EU samen met gelijkgezinde landen getroffen dienen te worden.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen


XNoot
1

Het verrijkingspercentage drukt het aandeel van het in het uranium aanwezige isotoop uranium-235 uit.