nr. 217
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 30 oktober 1997
Op 25 en 26 oktober vond te Mondorf-les-Bains in Luxemburg het halfjaarlijkse
informele overleg van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese
Unie plaats. In de middag van de eerste dag bespraken de Ministers de door
de Europese Commissie in de Agenda 2000 gedane voorstellen inzake de uitbreiding
van de Europese Unie. De ochtend van de tweede dag werd besteed aan een gedachtenwisseling
over de situatie in Algerije en het Midden Oosten Vredesproces. Hieronder
volgt een korte samenvatting van dit informele vertrouwelijke zogeheten Gymnich-overleg.
Agenda 2000 – uitbreiding van de Europese Unie
Aangezien ik verhinderd was dit deel van het beraad in zijn geheel bij
te wonen, had ik enige dagen tevoren mijn collegae in de Europese Unie in
de vorm van een notitie enkele persoonlijke observaties toegezonden met betrekking
tot enkele aspecten van de uitbreiding van de Europese Unie.
Naar mij is gebleken, heeft deze brief, waarvan ik U in dit speciale geval
de tekst doe toekomen1, brede aandacht gehad en
waren de Ministers het grotendeels met mij eens dat vermeden dient te worden
dat tussen de landen waarmee de Europese Unie toetredingsonderhandelingen
zal gaan voeren en landen die vooralsnog zullen worden voorbereid op toekomstige
onderhandelingen, nieuwe scheidslijnen ontstaan, die met name voor die tweede
groep ongewenste politiek-psychologische gevolgen kunnen hebben.
De Unie zou moeten toestaan dat landen, waarvan kan worden verwacht dat
zij – dankzij een proces van continue monitoring door de Unie –
op middellange termijn voldoen aan het acquis communautaire, zich kunnen voegen
bij de landen waarmee reeds onderhandelingen worden gevoerd. Ook zij zijn
van oordeel dat het toetredingsproces voor alle kandidaatlanden
geldt, dat dit een globaal proces is waarbij alle daarvoor in aanmerkingkomende
landen dienen te worden betrokken, dat voorts differentiatie tussen onderhandelende
en voorbereidende landen niet mag leiden tot discriminatie en tenslotte dat
een tweedeling zoveel mogelijk moet worden vermeden. De door de
Europese Commissie voorgestelde Europese Conferentie waarvan het de bedoeling
is dat alle kandidaatleden daaraan zullen deelnemen, alsmede de pre-accessiestrategie
en de partnerschappen voor de toetreding voor de landen van Midden- en Oosteuropa,
zullen het kader vormen voor dit proces.
Hoewel tijdens de informele bijeenkomst vorderingen werden gemaakt in
het denken over deze materie, is nog niet een gemeenschappelijke lijn vastgesteld
inzake de instelling van een Europese Conferentie, noch over de vraag welke
landen daaraan zouden kunnen deelnemen. Dit geldt ook voor de wijze waarop
de toetredingsonderhandelingen – de Commissie heeft voorgesteld te beginnen
met Polen, Tsjechië, Hongarije, Estland, Slovenië, en Cyprus –
zullen moeten aanvangen. Het Luxemburgse voorzitterschap streeft ernaar dat
besluiten hierover worden genomen door de Europese Raad in Luxemburg op 12
en 13 december 1997.
De situatie in Algerije
De Ministers van Buitenlandse Zaken bespraken voorts de zorgwekkende situatie
in Algerije. Besloten werd dat het voorzitterschap namens de Unie een boodschap
aan President Zeroual zal verzenden waarin deze wordt aangemoedigd een dialoog
aan te gaan met alle democratische groeperingen in Algerije die het geweld
afzweren. Voorts hebben de Ministers andermaal het terroristische geweld waarvan
het Algerijnse volk het slachtoffer is, veroordeeld. Het ligt in het voornemen
van mijn Luxemburgse ambtgenoot de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken
uit te nodigen voor een gedachtenwisseling, zo mogelijk in de loop van november.
Het Midden Oosten Vredesproces
De Ministers spraken tenslotte nog over de ontwikkelingen in het Midden
Oosten. De Luxemburgse Minister van Buitenlandse Zaken zal zich namens de
Europese Unie in november naar de regio begeven om steun te verlenen aan de
pogingen van de verschillende actoren om het vredesproces weer op gang te
brengen. Aansluitend zal hij in de Verenigde Staten de situatie in het Midden
Oosten met de Amerikaanse autoriteiten bespreken. De Ministers van Buitenlandse
Zaken van de Unie zullen zich buigen over een verzoek van President Arafat
om financiële steun ten behoeve van het begrotingstekort van de Palestijnse
Autoriteit. Voorts zullen zij bezien of de EU behulpzaam kan zijn om de opening
van de haven en de luchthaven in Gaza te bewerkstelligen.
De Minister Van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo