Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202021501-02 nr. 2124

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 2124 MOTIE VAN HET LID WEVERLING

Voorgesteld 5 maart 2020

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlandse en Europese bedrijven bij openbare aanbestedingen worden geconfronteerd met oneerlijke concurrentie van bedrijven afkomstig uit landen buiten de EU die met behulp van staatssteun kunstmatig lage biedingen kunnen doen;

overwegende dat op Europees niveau gesproken wordt over de totstandkoming van een internationaal aanbestedingsinstrument ofwel IPI, waarmee deze oneerlijke concurrentie tegengegaan kan worden door middel van het rekenen van een opslag op biedingen boven een bepaalde drempel;

overwegende dat onder die IPI-drempel de prijsopslag niet van toepassing is en de regering ervoor pleit individuele lidstaten in die gevallen de nu bestaande beleidsvrijheid toe te kennen;

verzoekt de regering om, te beginnen bij de aanstaande Raad, een voortrekkersrol te nemen ten aanzien van de totstandkoming van het IPI, en tevens te pleiten voor een stevig en effectief IPI, waarbij conform het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie het rekenen van een extra opslag bovenop bepaalde biedingen verplicht wordt, om zo het gelijke speelveld ten aanzien van openbare aanbestedingen te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Weverling