Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202021501-02 nr. 2115

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 2115 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 februari 2020

De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 7 februari 2020 over de geannoteerde agenda extra Raad Algemene Zaken van 17 februari 2020 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2114).

De vragen en opmerkingen zijn op 10 februari 2020 aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 13 februari 2020 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Veldman

Adjunct-griffier van de commissie, Even

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het kabinet betreffende de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020, en hebben daar nog de volgende vragen over.

De leden van de SP-fractie hebben de agenda voor de extra Raad Algemene Zaken van 17 februari met interesse gelezen en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.

Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027

De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat de stand van zaken is met betrekking tot de onderhandelingen over het MFK?

Antwoord van het kabinet:

Op 20 februari vindt een extra ingelaste Europese Raad plaats over het MFK, die zal worden voorbereid door de extra ingelaste Raad Algemene Zaken op 17 februari. De voorzitter van de Europese Raad, de heer Charles Michel, heeft de ambitie uitgesproken om tijdens de Europese Raad van 20 februari overeenstemming over het nieuwe MFK. Ter voorbereiding heeft de heer Michel gesprekken gevoerd met een groot aantal regeringsleiders.

Onderhandelingen in de Europese Raad zullen gevoerd worden aan de hand van een nieuwe versie van de MFK negotiating box (het onderhandelingsdocument). Zodra dit document beschikbaar is zal uw Kamer zo snel mogelijk een kabinetsappreciatie ervan ontvangen.

De posities binnen de Raad liggen onverminderd ver uit elkaar. Het kabinet werkt actief samen met gelijkgestemde lidstaten om de gezamenlijke inzet voor een moderne en financieel houdbare EU-begroting kracht bij te zetten. Er is ook een grote groep lidstaten met sterke gevestigde belangen in o.a. het cohesiebeleid die zich vooral behoudend opstelt. In het licht van dat krachtenveld is het onzeker of de Europese Raad volgende week tot een akkoord komt.

Krijgt de Tweede Kamer van te voren inzage in het voorstel dat tijdens de Europese Raad besproken wordt, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Voorafgaande aan de extra Raad Algemene Zaken van 17 februari zal een nieuwe versie van het onderhandelingsdocument wordt verspreid. Waarschijnlijk zal dit via het EU Delegates Portal beschikbaar zijn voor uw Kamer. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal het kabinet het onderhandelingsdocument met uw Kamer delen, indien vereist vertrouwelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet wat het effect is van het initiële voorstel van de Europese Commissie op de Nederlandse bruto betalingspositie aan de EU?

Wat is het effect van dit voorstel op de Nederlandse netto betalingspositie, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

Hoe zouden de bruto en nettobetalingspositie van Nederland er in totaal uitzien als het initiële commissievoorstel zou worden overgenomen, zo vragen de leden van de VVD-fractie?

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe het nu voorliggende voorstel verschilt ten opzichte van het Commissievoorstel wat betreft de Nederlandse netto en bruto betalingspositie?

Antwoord van het kabinet:

Zoals toegelicht in de Kamerbrief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën van 6 december 2018 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1411), zou het initiële voorstel van de Europese Commissie een significante stijging van de Nederlandse afdrachten (of bruto betalingspositie) betekenen. Ten eerste is de omvang van het MFK in het Commissievoorstel ruim hoger dan in de raming van de Nederlandse afdrachten. Dit verhoogt de Nederlandse afdrachten met structureel circa 1 miljard euro per jaar. Ten tweede stelt de Commissie verschillende veranderingen voor aan de inkomstenzijde van het MFK, waaronder een lumpsum-korting die in vijf jaar wordt afgebouwd. De voorstellen t.a.v. de inkomstenzijde van het MFK leiden tot een verhoging van de Nederlandse afdrachten met structureel circa 1¾ miljard euro per jaar. Het Commissievoorstel presenteert in totaal dus een tegenvaller van structureel circa 2¾. miljard euro per jaar. Eind 2019 presenteerde het Finse Voorzitterschap de laatste versie van het onderhandelingsdocument (negotiating box). Deze versie van de negotiating box resulteert in een totale tegenvaller van 2¼ miljard euro. Dit is een lagere tegenvaller dan op basis van het Commissievoorstel vanwege een lagere omvang dan in het Commissievoorstel en het verwijderen van de afdracht op basis van een CCCTB-grondslag.

De gevolgen van het Commissievoorstel voor de Nederlandse netto betalingspositie worden bepaald door de gevolgen voor de Nederlandse afdrachten aan de EU en door de gevolgen voor de Nederlandse ontvangsten uit de EU. Zoals in de vraag hierboven beschreven leidt het Commissievoorstel tot een stijging van de Nederlandse afdrachten, wat de netto betalingspositie van Nederland verslechtert. Voor een inschatting van de gevolgen van het Commissievoorstel op de Nederlandse ontvangsten is niet voldoende informatie beschikbaar.

Wanneer verwacht het kabinet exact dat het nieuwe «onderhandelingsdocument» zal worden gepresenteerd, zo vragen de leden van de PVV-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Naar verwachting wordt de nieuwe versie van het onderhandelingsdocument uiterlijk vrijdag 14 februari 2020 verspreid onder de lidstaten. Het kabinet zal dit document zo nodig vertrouwelijk met uw Kamer delen (Kamerstuk 35 393, nr. 3) en uw Kamer zo spoedig mogelijk na ontvangst van een kabinetsappreciatie voorzien.

De leden van de PVV-fractie vragen zich af hoe dit aangepaste document tot stand is gekomen?

Antwoord van het kabinet:

De verantwoordelijkheid voor het opstellen van het onderhandelingsdocument ligt bij de voorzitter van de Europese Raad, de heer Charles Michel. Naar verwachting zal hij het onderhandelingsdocument dat in december jl. door het Finse EU-voorzitterschap is opgesteld als uitgangspunt nemen en daarbij aanpassingen voorstellen op basis van de bilaterale consultaties die hij met lidstaten heeft gevoerd.

Worden er op de informele Top over het MFK Raadsconclusies aangenomen, zo vragen de leden van de PVV-fractie?

Antwoord van het kabinet:

De ingelaste Europese Raad van 20 februari as. heeft geen informeel karakter. Het onderhandelingsdocument (negotiating box) zal uiteindelijk als concept dienen voor ER-conclusies over het MFK.

Is het kabinet van plan om, zolang we nog in die vreselijke EU zitten, een forse verlaging van de Nederlandse afdracht te eisen en iedere andere uitkomst van de onderhandelingen te blokkeren, zo vragen de leden van de PVV-fractie? Kan het kabinet garanderen dat de uitkomst van de extra informele Top niet zal zijn dat de Nederlandse afdracht aan de EU stijgt, zo vragen de leden van de PVV-fractie het kabinet?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting met een eerlijke verdeling van de lasten. Nederland wil een afdrachtenstijging als gevolg van Brexit voorkomen. Daartoe zet het kabinet zich in voor een totaalomvang van het MFK van 1% BNI EU27. Het kabinet is van mening dat met een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% BNI EU27, de EU in staat wordt gesteld ambitieuze uitvoering te geven aan de Strategisch Agenda en andere prioritaire beleidsdoelstellingen. Daarnaast is behoud van de Nederlandse korting op de EU-afdrachten essentieel voor het vermijden van een afdrachtenstijging.

Vindt het kabinet het continue commentaar van de Nederlandse Eurocommissaris Timmermans op de inzet van het Nederlandse kabinet in de onderhandelingen over de meerjarenbegroting behulpzaam, zo vragen de leden van de PVV-fractie zich verder af?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitlatingen van de heer Timmermans. Eurocommissarissen zijn volkomen onafhankelijk van de posities van hun lidstaat van herkomst (artikel 17, 3e lid EU-verdrag).

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet de Kamer een verslag en een appreciatie te geven van het gesprek dat de Minister-President had met Raadsvoorzitter Charles Michel.

Antwoord van het kabinet:

De voorzitter van de Europese Raad, de heer Charles Michel, ontving Minister-President Rutte op 5 februari jl. voor een gesprek over het MFK, in de context van de extra ingelaste Europese Raad op 20 februari a.s. De heer Michel sprak tijdens het gesprek de ambitie uit om in deze Europese Raad tot een akkoord over het MFK te komen. De Minister-President gaf hierbij aan overeenstemming te verwelkomen, maar plaatste de Nederlandse inzet hierbij als randvoorwaarde: een uitgavenplafond dat naar beneden bijgesteld wordt tot 1% van het EU27 BNI om te corrigeren voor het wegvallen van de huidige bijdrage van het VK aan de EU-begroting, behoud van de Nederlandse afdrachtenkorting, behoud van de huidige perceptiekostenvergoeding en een inhoudelijk gemoderniseerd MFK met meer aandacht voor nieuwe beleidsprioriteiten en conditionaliteiten, zoals de koppeling met rechtsstatelijkheidsbeginselen.

De heer Michel stelde dat de posities van lidstaten nog steeds ver uit elkaar liggen. Desalniettemin sprak hij vertrouwen uit in de mogelijkheid een compromis te kunnen bereiken.

Deze leden vragen het kabinet of zij kan aangeven hoe de «contingent liabilities» zich zullen ontwikkelen met de nieuwe geplande maatregelen in de Green Deal?

Antwoord van het kabinet:

De Europese Green Deal is een veelomvattend programma van voorstellen en beleidsinitiatieven die de Commissie de komende tijd zal presenteren. In haar mededeling over het investeringsplan voor de Europese Green Deal, gepresenteerd op 14 januari jl., geeft de Commissie meer invulling aan de financieringskant van de Green Deal en deelt ze enkele plannen die een effect kunnen hebben op de «contingent liabilities». Het kabinet stuurt binnenkort een BNC-fiche over deze mededeling naar uw Kamer.

In de mededeling stelt de Commissie onder meer voor om binnen het in het kader van het MFK voorgestelde programma InvestEU middelen te oormerken voor een Just Transition Scheme. De totale garantie voor InvestEU als geheel bedraagt 38 miljard euro. Dit wordt deels via de EU-begroting (15,2 miljard euro; 40% provisioning rate) en deels via «contingent liabilities» gedekt. Dit wijzigt niet door de Green Deal voorstellen. Daarnaast stelt de Commissie voor om via de Europese Investeringsbank (EIB) een leenfaciliteit voor de publieke sector op te zetten. Het doel is om 25 tot 30 miljard euro aan publieke investeringen te mobiliseren tussen 2021–2027. Vanuit de EU-begroting wordt in het voorstel 1,5 miljard euro bijgedragen. De EIB zou voor 10 miljard euro onder eigen risico bijdragen. Het is nog onduidelijk welke effecten dit precies heeft op de prioriteiten en het kapitaal van de EIB. Het kabinet wil hier meer helderheid over krijgen.

Voor de leden van de CDA-fractie is het van groot belang dat de garantstellingen, achter borgstellingen en andere voorwaardelijke commitments niet verder toenemen. Of zoals voormalig Minister van Financiën Ruding ooit zei: «De weg naar de budgettaire hel is geplaveid met garantstellingen». De leden van de CDA-fractie zien graag van het kabinet een precies overzicht van de garantstellingen zoals die maximaal gepland worden op dit moment en wat de Europese Commissie maximaal mag doen.

Antwoord van het kabinet:

Het meest complete overzicht van voorwaardelijke verplichtingen in relatie tot de Europese begroting wordt jaarlijks opgenomen in de jaarrekening van de Europese Unie. De meest recente jaarrekening betreft het financieel jaar 20181. De Commissie onderscheidt twee soorten voorwaardelijke verplichtingen in relatie tot de Europese begroting; voortkomend uit afgegeven financiële garanties en voortkomend uit juridische risico’s.

In de eerste categorie vallen de begrotingsgaranties, de garanties voor leningen aan lidstaten en niet-lidstaten en de garanties voor de financiële instrumenten. De Commissie houdt begrotingsgaranties aan voor het extern leenmandaat van de Europese Investeringsbank (EIB) en voor het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI). Eind 2018 bedroeg het garantieplafond voor deze begrotingsgaranties 53,5 miljard euro. Het garantieplafond indiceert het maximale bedrag waarvoor de Europese begroting garant staat. De Europese begroting garandeert tevens leningen die de Commissie uitgeeft aan lidstaten en niet-lidstaten. Deze leningen worden uitgegeven uit hoofde van het Europees Financieel Stabiliteitsmechanisme (EFSM), de Balance of Payment (BoP), Macro-Financiële Assistentie (MFA) en de Euratomleningen. Eind 2018 stond de Europese begroting in totaal voor 55,5 miljard euro garant voor deze programma’s. Als laatste garandeert de Europese begroting enkele financiële instrumenten, die worden ingezet uit hoofde van de programma’s Horizon2020, Risk Sharing Finance Facility, Connecting Europe Facility en enkele andere kleine programma’s. De Europese begroting stond eind 2018 in totaal garant voor 2,5 miljard euro voor deze programma’s.

De Europese begroting houdt ook voorwaardelijke garanties aan voor mogelijke juridische risico’s. Dit betreft hoofdzakelijk voorwaardelijk ontvangen boetes, waarvoor nog een rechtszaak loopt. De Europese begroting stond eind 2018 garant voor een totaal van 5,5 miljard euro van deze mogelijke juridische risico’s.

Deze leden vragen het kabinet om nogmaals te bevestigen dat de inzet van het Nederlandse kabinet geen stijging is in nettobetalersfunctie.

Antwoord van het kabinet

Het kabinet zet zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting met een eerlijke verdeling van de lasten. Nederland wil een afdrachtenstijging als gevolg van Brexit voorkomen. Daartoe zet het kabinet zich in voor een totaalomvang van het MFK van 1% BNI EU27. Het kabinet is van mening dat met een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% BNI EU27, de EU in staat wordt gesteld ambitieuze uitvoering te geven aan de Strategisch Agenda en andere prioritaire beleidsdoelstellingen. Daarnaast is behoud van de Nederlandse korting op de EU-afdrachten essentieel voor het vermijden van een afdrachtenstijging en voor het voorkomen van excessieve Nederlandse nettobijdrage.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet alvorens in te stemmen met enige aanpassingen in het Gemeenschappelijk landbouwbeleid of de cohesiefondsen dit eerst aan de Kamer voor te leggen.

Antwoord van het kabinet

Op basis van de staande afspraken inzake de EU-informatievoorziening zijn er vaste momenten waarop Kamer en kabinet met elkaar van gedachten wisselen over de Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen. De Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen, inclusief ten aanzien van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid en het Cohesiebeleid, is uiteengezet in de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen (Kamerstuk 21 501-20, nrs. 1349 en 1379) en relevante BNC-fiches. Over de financiële elementen van de GLB en cohesievoorstellen wordt in het kader van de MFK-onderhandelingen besloten; dit zijn onderhandelingen over het totale MFK-pakket waarvan de ER-voorzitter de intentie heeft uitgesproken hier tijdens de extra ER van 20 februari een akkoord over te bereiken. Over de inhoudelijke vormgeving van GLB en cohesie wordt onderhandeld in de verantwoordelijke Raadsformaties. Conform de toezegging gedaan tijdens het AO Behandelvoorbehoud EU-voorstellen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van 4 september 2018, informeert de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) uw Kamer tevens over de stand van zaken van de onderhandelingen voor het toekomstig GLB, met name over de zaken die aan bod zijn geweest in de Raadswerkgroepen over dit thema. Daarnaast ontvangt uw Kamer geannoteerde agenda’s en zijn er algemene overleggen en plenaire debatten voorafgaand aan iedere Raad en Europese Raad. Na afloop van deze Raden ontvangt uw Kamer verslagen en is in aanvulling een terugblikdebat mogelijk na afloop van de Europese Raad. Het verslag van de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 ontvangt uw Kamer voorafgaand aan de start van het plenaire debat over de extra ingelaste Europese Raad (voorzien voor 18 februari 2020). Mocht er, in aanvulling hierop, vanuit uw Kamer behoefte zijn aan nadere duiding door het kabinet dan is het kabinet daar graag toe bereid.

Tevens vragen deze leden of het kabinet kan aangeven op welke manier het begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen (BICC) inmiddels onderdeel uitmaakt van het voorliggende voorstel?

Antwoord van het kabinet:

Het BICC is opgenomen in de laatste versie (onder Fins voorzitterschap, december 2019) van het onderhandelingsdocument voor het volgende MFK, onder het hoofdstuk voor de instrumenten voor Europese en Monetaire Unie. De paragrafen over het BICC betreffen hoofdzakelijk de algemene doelstelling van het instrument, de in aanmerking komende lidstaten, de budgettaire omvang en de verdeling van het budget over de betreffende lidstaten.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de huidige uitdagingen waar de EU voor staat vragen om een ambitieus, modern en hervormd Meerjarig Financieel Kader. Deze leden verwachten van het kabinet een opstelling in de onderhandelingen die niet eenzijdig gericht is op het houden van de totaalomvang van het MFK op maximaal 1% BNI EU-27 of het voorkomen van een afdrachtenstijging, maar een even duidelijke inzet op hervormingen en ambities voor dit nieuwe MFK. De hervormingen zijn voor Nederland en de EU van ontzettend groot belang, zo menen de leden van de D66-fractie, omdat de EU-begroting een antwoord moet bieden op de uitdagingen waar wij op dit moment voor staan, zoals op het gebied van de klimaattransitie, onze veiligheid, migratie en de technologische machtsstrijd. Als deze onderhandelingen uiteindelijk leiden tot een matig hervormd en niet-ambitieus MFK, omdat de lidstaten zich blijven ingraven in vaste posities, is dit uiteindelijk schadelijk voor de gehele EU, zo stellen de leden van de D66-fractie. Dit vraagt om een flexibelere opstelling van het kabinet, een die gericht is op het bereiken van een compromis met de overige lidstaten, zo menen deze leden.

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting met een eerlijke verdeling van de lasten. Modernisering betekent voor het kabinet ook dat bestaande programma’s sterker worden gericht op prioritaire thema’s zoals innovatie en klimaat. Daarnaast is het van belang dat de voorwaarden voor de besteding van EU-middelen (conditionaliteiten) effectief zijn. Naar de mening van het kabinet hoeft er dus geen keuze gemaakt te worden tussen ambitieuze modernisering enerzijds en beheersbaar houden van de uitgaven anderzijds. Met een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% van het totale EU BNI, kan de EU ambitieuze uitvoering geven aan de Strategische Agenda en andere prioritaire beleidsdoelstellingen, mits er scherpe keuzes gemaakt worden over de uitgaven. Door een sterkere reflectie van onderzoek & innovatie, klimaat, veiligheid en migratie, kan het MFK inspelen op de uitdagingen waar de EU voor staat en waar een Europese aanpak het meest effectief is.

Verwacht het kabinet, gelet op het huidige krachtenveld in de Raad, dat een akkoord mogelijk is tijdens de aanstaande extra Europese Top, zo vragen de leden van de D66-fractie zich af?

Antwoord van het kabinet:

De posities van de verschillende lidstaten liggen momenteel nog ver uit elkaar. Het is lastig te voorspellen of de Europese Raad deze verschillen volgende week weet te overbruggen.

Kan in algemene zin door het kabinet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van het niet op korte termijn bereiken van een akkoord, zo vragen de leden van de D66-fractie?

Antwoord van het kabinet

In het geval dat de regeringsleiders geen overeenstemming over het MFK bereiken tijdens de Europese Raad op 20 februari 2020, zal de voorzitter van de Europese Raad met een nieuw voorstel komen om het onderhandelingsproces over het nieuwe MFK verder te brengen. Het doel zal blijven om in 2020 een akkoord te bereiken.

De leden van de D66-fractie begrijpen dat indien geen akkoord kan worden bereikt over een nieuw MFK, voor 2021 gewerkt zal worden met de maxima als vastgelegd in de EU-begroting voor 2020, maar dat bepaalde programma’s geen doorgang zullen vinden als gevolg van het ontbreken van deelverordeningen. Hierdoor is het lastig, aldus de leden van de D66-fractie, om de directe gevolgen voor de Nederlandse bijdrage aan te geven in het geval geen akkoord wordt bereikt over het nieuwe MFK. Wat wel duidelijk is, zo menden deze leden, is dat bij het uitblijven van een nieuw akkoord, de korting op de Nederlandse bijdrage ook direct vervalt. Kan het kabinet aangegeven wat het directe financiële gevolg is van het wegvallen van de korting op de Nederlandse bijdrage, mocht een nieuw akkoord niet tijdig bereikt worden, zo vragen de leden van de D66-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Alle afdrachtenkortingen die Nederland ontvangt, hebben een tijdelijk karakter en lopen af in 2020. Als geen akkoord wordt bereikt – en dus ook geen nieuw Eigen Middelenbesluit (EMB) met nieuwe kortingen wordt vastgesteld – dan ontvangt Nederland vanaf 2021 geen korting meer. Dit geldt overigens ook voor de andere kortingslanden. Het wegvallen van alle kortingen verhoogt de Nederlandse afdrachten met structureel 1,75 miljard euro in 2027.

Is het kabinet van mening dat het niet bereiken van een akkoord schadelijk is voor Nederland en de EU, en dat dit voorkomen moet worden, zo vragen de leden van de D66-fractie zich af?

Antwoord van het kabinet

Voor het kabinet is het onderhandelingsresultaat leidend boven de snelheid van de onderhandelingen vanuit de gedachte dat het Nederlandse belang beter gediend is bij een goed MFK-akkoord dan een snel MFK-akkoord.

De leden van de D66-fractie vragen naar de rol van de Raad Algemene Zaken in voorbereiding op de Europese Top. Verwacht het kabinet dat hier daadwerkelijke stappen in de onderhandelingen worden gezet, of dat er alvast een inhoudelijke bespreking plaats zal vinden op basis van een nieuw onderhandelingsdocument (negotiating box)?

Antwoord van het kabinet:

Naar verwachting zullen lidstaten tijdens de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 hun nationale posities toelichten en hun reactie geven op de nog te verschijnen nieuwe versie van de negotiating box. Het ligt niet in de verwachting dat al tijdens deze Raad substantiële stappen in de onderhandelingen kunnen worden gezet.

De leden van de D66-fractie vragen het kabinet of zij inmiddels de nieuwe negotiating box van de voorzitter van de Europese Raad heeft ontvangen? Graag zouden deze leden de negotiating box ontvangen zodra deze door het kabinet ontvangen is, ook als de annotatie pas later kan volgen. Is het kabinet bereid, zo vragen de leden van de D66-fractie, de negotiating box direct na ontvangst aan de Kamer toe te sturen?

Antwoord van het kabinet:

Waarschijnlijk zal de nieuwe versie van het onderhandelingsdocument via het EU Delegates Portal beschikbaar zijn voor uw Kamer. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal het kabinet het onderhandelingsdocument met uw Kamer delen, indien vereist vertrouwelijk. Uw Kamer zal hiervan zo spoedig mogelijk een schriftelijke appreciatie ontvangen.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het kabinet vast wil houden aan een totaalomvang van het MFK van 1% van het EU27 BNI. Kan het kabinet een duidelijke, cijfermatige onderbouwing geven van hoeveel middelen van het MFK aan de Nederlandse prioriteiten moet worden toegekend? Hoeveel middelen moeten er volgens het kabinet binnen het MFK gaan naar klimaat, naar industriepolitiek, naar migratiebeleid en naar onderzoek & innovatie, vragen deze leden zich af? De leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet welke medestanders zij hebben op elk van deze terreinen?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is voorstander van ambitieuze modernisering van het MFK, waarbinnen nieuwe prioriteiten als onderzoek & innovatie, klimaat, migratie en veiligheid sterker gereflecteerd zijn. Dit kan op twee manieren. Ten eerste door meer aandacht voor deze onderwerpen te hebben binnen bestaande fondsen en programma’s, bijvoorbeeld verduurzaming van het landbouwbeleid en cohesiebeleid sterker richten op innovatie. Ten tweede door een verschuiving van middelen, binnen de kaders van een MFK met een totaalomvang van 1% van het EU27 BNI. Het kabinet ziet ruimte voor substantiële besparingen ten opzichte van het Commissievoorstel binnen cohesiebeleid en GLB. Daarnaast is er een groot aantal programma’s die onder het huidige MFK goed functioneren en waar een intensivering, zoals voorgesteld door de Commissie, naar de opvatting van het kabinet niet nodig is. Ten derde zijn er programma’s op prioritaire beleidsterreinen waarvoor het kabinet een intensivering binnen de inzet op een kleiner MFK zou verwelkomen. Dat laat echter onverlet dat het kabinet ook voor deze programma’s ruimte voor besparingen ziet ten opzichte van de budgetten die de Europese Commissie heeft voorgesteld.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tevens of het kabinet nadere toelichting kan geven op het invoeren van een effectieve koppeling tussen de waarborging van de rechtsstaat in lidstaten en de besteding van Europese middelen? Hoe kan dit sanctiemechanisme verder uitgewerkt worden en is hier een meerderheid voor, vragen deze leden?

Antwoord van het kabinet:

Om de financiële belangen van de EU te beschermen tegen financiële risico’s veroorzaakt door algemene tekortkomingen op het gebied van rechtsstatelijkheid, heeft de Commissie voorgesteld om de ontvangst van EU-middelen te koppelen aan de naleving van rechtsstatelijkheidsbeginselen. Deze koppeling wordt ook wel de conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid genoemd en geeft de Commissie de mogelijkheid om maatregelen te nemen wanneer algemene tekortkomingen op het gebied van rechtsstatelijkheid een potentieel negatieve invloed hebben op de financiële belangen van de EU.

In de Finse versie van de negotiating box is de conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid conform Nederlandse inzet opgenomen.

De precieze invulling van de conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid wordt verder uitgewerkt in het Commissievoorstel voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtstaat in de lidstaten (de MFK-rechtsstaatverordening) (COM (2018) 324 final). Over deze MFK-rechtsstaatverordening heeft de Raad nog geen algemene oriëntatie bereikt. Aangezien de openstaande punten in de onderhandelingen over de MFK-rechtsstaatverordening nauw samenhangen met de onderhandelingen over de negotiating box, zal de Raad pas weer verder werken aan deze verordening nadat de Europese Raad unaniem overeenstemming heeft bereikt over de negotiating box, en daarmee over het MFK-akkoord.

Een grote groep lidstaten, inclusief Nederland en breder dan alleen netto-betalende lidstaten, is sterk voorstander van de conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid. Deze groep lidstaten zal zich in de MFK-onderhandelingen in gezamenlijkheid blijven inzetten voor een effectieve conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid. Ook de Commissie en het Europees Parlement zijn sterk voorstander van deze conditionaliteit. Er is ook een kleine groep lidstaten die terughoudend is over de conditionaliteit t.a.v. rechtsstatelijkheid.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet wat haar verwachtingen zijn van de aankomende Raad Algemene Zaken die in het teken zal staan van het Meerjarig Financieel Kader?

Antwoord van het kabinet:

Naar verwachting zullen lidstaten tijdens de extra Raad Algemene Zaken op 17 februari 2020 hun nationale posities toelichten en hun reactie geven op de nog te verschijnen nieuwe versie van de negotiating box. Het ligt niet in de verwachting dat al tijdens de Raad Algemene Zaken substantiële stappen in de onderhandelingen kunnen worden gezet.

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat in 2018 de motie van de leden Bisschop en Leijten (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1306) is aangenomen die de regering verzoekt, zich ervoor in te zetten dat de omvang van het nieuwe MFK ten opzichte van het huidige MFK bij voorkeur krimpt, maar hooguit gelijk blijft. Door als kabinet in te zetten op 1% BNI wordt er helaas niet gestreefd naar de voorkeur die de motie uitspreek constateren de leden van de SP-fractie. Gaat het kabinet wél vasthouden aan de eis dat het Meerjarig Financieel Kader moet vernieuwen en daarmee niet meer moet gaan kosten dan 1% van het BNI, zo vragen de leden van de SP-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting met een eerlijke verdeling van de lasten. Nederland wil een afdrachtenstijging als gevolg van Brexit voorkomen. Daartoe zet het kabinet zich in voor een totaalomvang van het MFK van 1% BNI EU27. Het kabinet is van mening dat met een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% BNI EU27, de EU in staat wordt gesteld ambitieuze uitvoering te geven aan de Strategisch Agenda en andere prioritaire beleidsdoelstellingen. Daarnaast is behoud van de Nederlandse korting op de EU-afdrachten essentieel voor het vermijden van een afdrachtenstijging.

Heeft het kabinet voor de leden van de SP-fractie een indicatie van hoeveel er van de Cohesie- en Landbouwgelden af kan wat het kabinet betreft, mocht deze vernieuwing worden ingeslagen?

Antwoord van het kabinet:

Naar de mening van het kabinet zijn er nog substantiële bezuinigingen op cohesiebeleid en GLB mogelijk in aanvulling op de besparingen die de Commissie al heeft voorgesteld. Een grote groep lidstaten wil te minste de huidige omvang van de budgetten voor het GLB en Cohesiebeleid handhaven. Voor het kabinet is uiteindelijk de in het voorgaande antwoord uiteengezette inzet leidend.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet hoe realistisch zij de kans acht dat er dit jaar daadwerkelijk een akkoord komt op een Meerjarenbegroting die 1% BNI of minder gaat kosten?

Antwoord van het kabinet:

Het MFK is het resultaat van een complex onderhandelingsproces met veel variabelen en belangen. Bij onderhandelingen over voorgaande Meerjarig Financieel Kaders is steeds tijdig een akkoord bereikt. Het kabinet vertrouwt erop dat in de lopende onderhandelingen een akkoord gevonden kan worden dat tegemoet komt aan de hoofdpunten van de Nederlandse inzet.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of het kabinet kans ziet om de onderliggende discussie te starten die inhoudt dat de begroting om doelen heen omgevormd moet worden in plaats van rondom een proces waarin de begroting steeds groter wordt, maar de effectiviteit sterk ontbreekt?

Antwoord van het kabinet:

Als percentage van het EU BNI is de Meerjarenbegroting in de afgelopen decennia niet groter geworden. Hoewel alle fondsen en programma’s onder het MFK een duidelijk doel hebben, kijkt Nederland kritisch naar nut en toegevoegde waarde van alle uitgaven en ziet graag dat de begroting een reflectie is van de uitdagingen waar de EU voor staat. Nederland heeft onder meer zijn EU-voorzitterschap in 2016 gebruikt om hier aandacht voor te vragen. Daarbij moet aangetekend worden, dat lidstaten verschillende invulling geven aan de toegevoegde waarde van de programma’s die uit het MFK gefinancierd worden.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet hoe vaak het in de Europese discussies over de Europese Meerjarenbegroting voorkomt dat de vraag wordt geopperd of bepaalde onderwerpen niet meer gebaat zijn bij een nationale oplossing in plaats van een Europese oplossing?

Antwoord van het kabinet:

De subsidiariteitsvraag komt in de context van het MFK regelmatig op. Zoals hierboven echter aangegeven geven lidstaten op verschillende wijze invulling aan de toegevoegde waarde van Europese financiering. Nederland probeert deze discussie zoveel mogelijk te objectiveren en stelt een sterkere reflectie van onderwerpen voor, die ook onder de Europese bevolking duidelijk om een Europese oplossing vragen, zoals onderzoek & innovatie, klimaat, veiligheid en migratie.

De leden van de SP-fractie constateren dat Oostenrijk heeft aangegeven een Europese begroting groter dan 1% BNI te zullen blokkeren. Is het kabinet bereid eenzelfde belofte te maken, zo vragen de leden van de SP-fractie? Zo nee, waarom wilt zij dit niet beloven?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting met een eerlijke verdeling van de lasten. Nederland wil een afdrachtenstijging als gevolg van Brexit voorkomen. Daartoe zet het kabinet zich in voor een totaalomvang van het MFK van 1% BNI EU27. Het kabinet is van mening dat met een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% BNI EU27, de EU in staat wordt gesteld ambitieuze uitvoering te geven aan de Strategische Agenda en andere prioritaire beleidsdoelstellingen. Daarnaast is behoud van de Nederlandse korting op de EU-afdrachten essentieel voor het vermijden van een afdrachtenstijging.

De leden van de SP-fractie constateren dat de Europese Commissie alles uit de kast haalt om Nederland weg te zetten als gierig. Dit terwijl Nederland de grootste netto betaler aan de Europese Unie is, zo menen deze leden. Wat vindt het kabinet van deze verwijten?

Is de ferme taal die Oostenrijk uitspreekt dan ook niet op zijn plaats voor Nederland, zo vragen de leden van de SP-fractie het kabinet?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is van mening dat de onderhandelingen over het volgende MFK gevoerd moeten aan de onderhandelingstafel. In reactie op vragen en in anderszins publieke uitingen houdt het kabinet zich aan de Nederlandse inzet, zoals toegelicht aan het parlement.2

De leden van de SP-fractie zijn ervan overtuigd dat door aan te geven dat de Europese Green Deal 1000 miljard euro moet kosten, het draagvlak onder Nederlanders niet echt is verhoogd. Is het kabinet het met de leden van de SP-fractie eens dat het noemen van dit soort exorbitante bedragen de afstand tussen de Europese Unie en de Nederlandse bevolking alleen maar groter maakt?

Antwoord van het kabinet:

De Commissie wil met het investeringsplan voor de Europese Green Deal (European Green Deal Investment Plan, EGDIP) minstens 1.000 miljard euro aan investeringen mobiliseren in de periode 2021–2030 via verschillende instrumenten die elkaar deels overlappen. Het gaat voor het groot deel om bestaande middelen of middelen die al eerder zijn voorgesteld. Daarnaast wordt in dit bedrag nationale co-financiering meegerekend, waaronder uit de private sector. De Commissie komt zowel met financierings- als beleidsinitiatieven. Voor een uitgebreide appreciatie komt uw Kamer een BNC fiche toe van de EGDIP, alsook het Just Transition Mechanism.

Ook voor de Commissie is het creëren van draagvlak van groot belang: de Europese Green Deal moet ervoor zorgdragen dat bij de grote transformatie die in het verschiet ligt geen enkele persoon of regio achterop zal raken. De Commissie heeft in het voorstel voor de lange termijn strategie laten zien dat de algemene economische effecten van de transitie naar verwachting positief zijn, ondanks de aanzienlijke extra investeringen die in alle sectoren van onze economie nodig zijn. De baten van vermeden schade door klimaatverandering en de daarmee samenhangende aanpassingskosten zijn in de berekeningen nog niet meegenomen.

Het kabinet steunt de brede en ambitieuze aanpak van de Green Deal en het EGDIP als onderdeel hiervan. Nederland steunt de hoge ambities van de Commissie en acht het belangrijk dat die in proportionele, uitvoerbare en kosteneffectieve wetgeving en beleidsmaatregelen worden omgezet zodat draagvlak voor deze maatregelen behouden blijft.

Zoals uw Kamer bekend, zet het kabinet zich in voor een gemoderniseerd MFK, met een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten zoals klimaat. Zo pleit het kabinet ervoor dat ten minste 25% van de investeringen uit het volgende MFK ten goede komen aan het klimaat en dat het gehele MFK in lijn wordt gebracht met de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd zet het kabinet zich ervoor in dat het volgende MFK in omvang gelijk blijft aan 1% van het totale EU BNI. Hiervoor is het essentieel dat er scherpe keuzes worden gemaakt over de EU-uitgaven in de komende periode.

In een artikel in the Guardian geven Yanis Varoufakis en David Adler aan dat de Green Deal vooral bestaat uit geld dat al in andere Europese fondsen zat plus nieuwe beloften aan de private sector om het kapitaal te mobiliseren op de lange termijn, en daarmee het risico van de private sector te faciliteren binnen de Europese begroting, zo constateren de leden van de SP-fractie.3 De leden van de SP-fractie vragen het kabinet of zij deze volgens deze leden terechte analyse deelt met Varoufakis en Adler? Zo nee, hoe weegt het kabinet de rol van de private sector in de Green Deal? De leden van de SP-fractie zien dat er 100 miljard euro wordt gevraagd voor het Just Transition Fund. Hoewel de solidariteit met de landen die nog afhankelijk zijn van de kolenindustrie begrijpelijk is voor de leden van de SP-fractie, zijn deze leden sceptisch over de financiering. De leden van de SP-fractie vragen het kabinet of het niet veel logischer is om juist dit bedrag uit het Cohesiefonds te betalen? Zo nee, waarom vindt het kabinet dit niet een geschikt fonds?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is van mening dat de private en publieke sector een belangrijke rol hebben in het faciliteren van de duurzaamheidstransities die nodig zijn, o.a. om de internationale klimaat- en milieudoelen te realiseren, zoals neergelegd in het verdrag van Parijs, de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en de Europese Green Deal. Deze transitie vergt op grote schaal investeringen, die grotendeels privaat gefinancierd dienen te worden, waarbij publieke middelen als aanjager fungeren.

Wat betreft de publieke investeringen is het kabinet van mening dat het vooral van belang is dat lidstaten zelf investeren in de transitie en dat Europese financiering hierop een aanvulling moet zijn. Zo stelt het kabinet dat ook het Just Transition Mechanism (JTM), waaronder het Just Transition Fund (JTF) een aanvulling dient te zijn op de reeds bestaande nationale en regionale inspanningen om die transitie te bewerkstelligen.

De Commissie stelt voor om middels het JTM totaal 100 miljard euro aan investeringen te mobiliseren ten behoeve van de energie- en klimaattransitie. Een van de financieringsbronnen is het op te richten JTF. Voor dit fonds voorziet de Commissie een bijdrage van 7,5 miljard euro uit de EU-begroting, aangevuld met bijdragen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF+).

Tegelijkertijd erkent het kabinet dat voor het bewerkstelligen van de klimaatambities het nodig zal zijn om die regio’s die de zwaarste opgave hebben bij de energie- en klimaattransitie daarbij te ondersteunen. De investeringen zijn gericht op het mitigeren van de sociaaleconomische gevolgen van de klimaattransitie, bedoeld om regio’s te ondersteunen bij de transitie naar een klimaat neutrale economie. Voor een uitgebreide appreciatie verwijst het kabinet naar het BNC-fiche over het JTM dat uw Kamer binnenkort toegaat.

Voor de leden van de PvdA-fractie is het van belang dat het MFK aansluit bij de politieke prioriteiten van de EU in de komende jaren, zoals klimaat, veiligheid, migratie en werkgelegenheid. Om dit te verwezenlijken moet het MFK nodig worden gemoderniseerd, aldus deze leden. Dit betekent volgens de leden van de PvdA-fractie dat de uitgaven voor «oude» prioriteiten – met name landbouw – soberder moeten worden, terwijl er meer geld moet naar onderzoek en innovatie en de bestrijding van klimaatverandering. Hoe denkt het kabinet over het moderniseren en is het kabinet bereid hier een prioriteit van te maken in de onderhandelingen met andere lidstaten, zo vragen de leden van de PvdA-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een sterkere reflectie van onderzoek & innovatie (als aanjager van Europees concurrentievermogen en daarmee werkgelegenheid), klimaat, veiligheid en migratie binnen het nieuwe MFK. Zowel binnen bestaande programma’s en fondsen als door het vrijmaken van middelen, in de context van een kleiner MFK, voor nieuwe programma’s die hierop gericht zijn. Dit is steevast onderdeel van de Nederlandse inzet wanneer met andere lidstaten over het MFK gesproken wordt, evenals het belang van een financieel houdbaar MFK dat de lasten eerlijk verdeelt.

En hoe wil het kabinet inzetten op de hervormingen van het landbouwbeleid, nu volgens deze leden nog altijd blijkt dat dit aan herziening nodig is, zolang met name de grootverdieners in de landbouw de meeste subsidies opstrijken alsmede de herzieningen die (mogelijk) nodig zijn in het landbouwbeleid bij de te nemen klimaatmaatregelen?

Antwoord van het kabinet:

De Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen, inclusief ten aanzien van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, is uw Kamer bekend. De kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1349) en het relevante BNC-fiche (Kamerstuk 34 965, nr. 2) vormen de basis voor de Nederlandse inzet.

Het kabinet hecht groot belang aan modernisering van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Het kabinet zet in op een GLB dat minder is gericht op inkomensondersteuning waarbij de verdeling wordt bepaald door het aantal hectares per landbouwbedrijf en lidstaat-specifieke elementen zoals historische referenties en gekoppelde betalingen. Meer nadruk zou moeten worden gelegd op financiering van publieke goederen zoals milieu, biodiversiteit, klimaat en innovatie. Het kabinet is daarnaast voorstander van een maximering van de inkomenssteun per bedrijf, waardoor minder steun bij (hele) grote bedrijven terecht komt.

Het kabinet zet daarnaast in op een vergroening van het GLB. Het GLB speelt een sleutelrol in de ambitie om ten minste 25% van de uitgaven in het MFK uit te geven aan klimaat. In de Finse versie van de negotiating box als in het voorstel voor de GLB-verordening is opgenomen dat 40% van de uitgaven binnen het GLB moeten worden besteed aan klimaat. Dit is conform Nederlandse inzet.

Ook zijn de leden van de PvdA-fractie een groot voorstander van een koppeling tussen de waarborging van de rechtsstaat en de besteding van Europese middelen. Het kan niet zo zijn dat landen onbestraft Europese waarden aan hun laars lappen en tegelijkertijd blijven profiteren van EU-fondsen, aldus de leden van de PvdA-fractie. Kan het kabinet meer duidelijkheid geven over de stand van zaken in de onderhandelingen met betrekking tot deze koppeling, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Wat is het huidige speelveld en welke extra stappen zet het kabinet om deze koppeling daadwerkelijk te realiseren, zo vragen deze leden zich verder af?

Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op de vraag van de leden van de GL-fractie over koppeling tussen de waarborging van de rechtsstaat en de besteding van Europese middelen.

De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat de leiders van de 27 EU-lidstaten zich de komende weken opnieuw gaan bezighouden met het MFK van de EU voor de periode 2021–2027. De Belgische voorzitter van de Raad, Charles Michel, hoopt dat er op 20 februari al een akkoord over de meerjarenbegroting kan worden gesloten, zo observeren deze leden. Hoe realistisch acht het kabinet dit, gezien de zeer aanzienlijke verschillen tussen de inzet van lidstaten als Nederland, Oostenrijk, Denemarken en Zweden (maximaal 1% van het BNI), de Europese Commissie (1,11% van het BNI) en het Europees Parlement (1,3% van het BNI) zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie zich af?

Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie over de inschatting over de mogelijkheid van een akkoord tijdens de extra Europese Raad van 20 februari.

Nederland en de andere drie zuinige lidstaten worden in de internationale media weggezet als «de gierige vier», zo observeren de leden van de 50PLUS-fractie. Volgens deze leden is dat verkeerde beeldvorming en zou «de verstandige vier» passender zijn. Is het kabinet dat met de leden van de 50PLUS-fractie eens en wat doet het kabinet om dat negatieve «frame» bij te stellen?

Antwoord van het kabinet:

In Engelstalige media wordt aan een groep nettobetalers, waaronder Nederland, gerefereerd als «Frugal four». «Spaarzaam» is een kwalificatie waarin het kabinet zich in de context van het MFK goed kan vinden. Nederland zet zich er met deze andere lidstaten derhalve in de onderhandelingen voor in, de daad bij het woord te voegen.

Wat vindt het kabinet van de opstelling van «onze» Eurocommissaris Frans Timmermans, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie? Is het kabinet van mening dat de heer Timmermans er met de Green Deal juist voor kan zorgen dat de Nederlandse burgers financieel minder belast worden, door de maatregelen in Europees verband en minder in nationaal verband te financieren, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie zich verder af?

Antwoord van het kabinet:

Voor een uitgebreide appreciatie van de Green Deal verwijst het kabinet naar het BNC-fiche dat op korte termijn uw Kamer zal toekomen (Kamerstuk 35 377, nr. 1). Tevens wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over de Green Deal.

De precieze financiële consequenties van de Green Deal voor Nederland zijn van diverse factoren afhankelijk. Het kabinet erkent het grensoverschrijdende karakter van de klimaatuitdagingen en ziet daarin duidelijk de toegevoegde waarde van optreden op EU-niveau. EU-brede doelstellingen zoals bijvoorbeeld afgesproken in de Overeenkomst van Parijs kunnen effectiever en efficiënter worden behaald wanneer maatregelen worden genomen op EU-niveau in plaats van op nationaal niveau, bijvoorbeeld middels het EU-emissiehandelssysteem of door effectief bronbeleid.

Is het kabinet met de leden van de 50PLUS-fractie van mening dat een verhoging van de Nederlandse afdracht aan Brussel onnodig is mits de EU bezuinigt op zaken en taken die volgens de leden van de 50PLUS-fractie minder prioriteit moeten krijgen, zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de structuurfondsen voor de armere regio’s?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet wil een Nederlandse afdrachtenstijging onder het nieuwe MFK als gevolg van Brexit vermijden. In het Commissievoorstel gaat nog steeds circa 60% van de begroting naar de traditionele beleidsterreinen cohesie en GLB. Door hierop meer te bezuinigen kan ook met een begroting van 1% van het EU BNI voldoende financiering vrijgemaakt worden voor prioritaire onderwerpen als onderzoek & innovatie, klimaat, veiligheid en migratie.

De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat bij het verhaal over de positie van Nederland als nettobetaler vanuit de Europese Commissie ook het argument klinkt dat het bedrijfsleven zoveel profijt heeft van de EU. Vindt het kabinet dat daar dan ook (meer) lasten terecht zouden moeten komen, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie zich af?

Antwoord van het kabinet:

De Europese begroting en de interne markt zijn twee aparte aspecten van de Europese Unie, die naar de mening van het kabinet losstaan van elkaar. Het kabinet deelt de redenering of argumentatie van de Europese Commissie niet.

Is het mogelijk een overzicht te krijgen van besparingen op concrete EU-uitgaven die overwogen worden of die volgens de Nederlandse regering overwogen zouden moeten worden, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie aan het kabinet? Is er een ombuigingslijst beschikbaar voor de EU, zoals we dat ook in Nederland kennen rond de verkiezingen en de vorming van een nieuw kabinet, zo vragen deze leden zich verder af? Indien nee, waarom niet? Deelt het kabinet de mening van de leden van de 50PLUS-fractie dat in de EU een cultuur ontbreekt van het dekken van gewenste nieuwe prioriteiten?

Antwoord van het kabinet:

Nederland zet voor het nieuwe MFK in op een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten (onderzoek & innovatie, veiligheid, migratie en klimaat). Een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten betekent dat elders bezuinigd dient te worden. Daarnaast is Nederland van mening dat uittreding van het VK niet mag leiden tot hogere afdrachten van lidstaten aan de EU en dat dus ook hiervoor bezuinigingen nodig zijn. Voor deze beide punten kijkt Nederland in eerste instantie naar het Cohesiebeleid en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Ook ten aanzien van de omvang van de middelen voor administratieve uitgaven van de EU en de speciale instrumenten is Nederland kritisch.

Kan het kabinet een inschatting geven van wat het voor de EU per jaar zou kosten, om alle verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) over te nemen, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie?

Antwoord van het kabinet:

Een overplaatsing van het ESM onder het EU raamwerk is op het moment niet aan de orde. Mocht dat in de toekomst wel het geval zijn, dan zal dit niet leiden tot verplichtingen voor de EU, zolang de lidstaten die aangesloten zijn bij het ESM aansprakelijk blijven voor het kapitaal wat ter beschikking is gesteld aan het ESM.

Het ESM heeft sinds zijn oprichting drie macro-economische aanpassingsprogramma’s gefinancierd (te weten voor Spanje, Cyprus en Griekenland). De voormalig programmalanden betalen rente over deze leningen en zullen deze leningen op termijn aflossen. Het ESM zelf heeft geen jaarlijkse betaalverplichtingen aan derde partijen. Wel heeft het een eigen administratief budget om de instelling draaiende te houden, wat wordt gefinancierd met eigen inkomsten. Het eventuele overbrengen van het ESM naar de EU zal daarom naar verwachting ook in deze zin geen jaarlijkse betaalverplichtingen tot gevolg hebben voor de EU.

Is het kabinet met de leden van de 50PLUS-fractie van mening dat de noodzaak om het EU-budget fors te verhogen ook ondergraven wordt door het feit dat er sprake is van een forse onderbesteding van het vorige budget?

De Europese Rekenkamer constateerde in 2019 immers dat de EU-lidstaten sinds 2011 ruim 280 miljard euro aan subsidies hadden laten liggen, zo constateren de leden van de 50PLUS-fractie. Dit had volgens de Rekenkamer verschillende redenen, waaronder langzame implementatie van Europese structuur-en investeringsfondsen (ESIF), de verhoging van het EU-budget en problemen met afspraken omtrent betalingen. Maar wellicht was het vorige budget ook gewoon meer dan ruim genoeg, zodat een verhoging nu overbodig is, aldus de leden van de 50PLUS-fractie. Of ziet het kabinet dat anders, vragen de leden van de 50PLUS-fractie?

Antwoord van het kabinet:

De leden van de 50PLUS-fractie refereren aan de zogenoemde reste à liquider (RAL). De RAL betreft het totaal aan betalingen uit de Europese begroting, waarvoor de juridische verplichting in een eerder begrotingsjaar reeds is aangegaan. De RAL komt grotendeels voort uit het Structuur- en Cohesiebeleid. Veel van de uitgaven via het benoemd beleid betreffen meerjarige investeringen, waarvan de juridische verplichting en de betaling niet doorgaans in hetzelfde begrotingsjaar plaatsvinden. De RAL is niet nieuw en is een logisch gevolg van de bestaande begrotingstechniek.

Brexit

De leden van de CDA-fractie willen ten eerste het kabinet danken voor de snelle appreciatie van het conceptmandaat onderhandelingen toekomstige relatie EU-VK. Het uiteindelijke akkoord wordt vormgegeven op basis van artikel 217 dat inhoudt eenparigheid van stemmen in de Raad hetgeen betekent dat de te onderhandelen onderwerpen een samenhang kennen. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet ook of zij kan duiden wat het betekent dat het artikel 218, lid (3) en (4) van kracht zijn op het onderhandelingsmandaat en of het klopt dat het daarmee een «EU only»-verdrag is en de lidstaten geen stem krijgen in het uiteindelijke verdrag?

Antwoord van het kabinet:

Artikel 218, lid 3, VWEU bevat de procedurele rechtsgrondslag voor het machtigen van de Europese Commissie door de Raad tot het openen van onderhandelingen met een derde land. Artikel 218, lid 4, VWEU geeft de Raad de mogelijkheid om richtsnoeren te geven aan de onderhandelaar namens de Unie en om een bijzonder comité aan te wijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden gevoerd. In dit stadium is gezien de voorziene breedte van het toekomstige partnerschap gekozen voor Artikel 217 VWEU als inhoudelijke rechtsgrondslag als uitgangspunt voor de onderhandelingen. Zoals ook door de Commissie aangegeven in paragraaf 5 van het explanatory memorandum bij het conceptmandaat kan de rechtsgrondslag voor de Raadsbesluiten tot ondertekening en tot sluiting van het toekomstige partnerschap pas worden bepaald aan het einde van de onderhandelingen op grond van de inhoud van de partnerschapsovereenkomst. Dan zal ook een definitieve keuze gemaakt worden over de juridische aard van het akkoord of de akkoorden. Onder andere op aandringen van Nederland wordt gekeken naar een manier om dit verder schriftelijk vast te leggen. Bij de uiteindelijke keuze zal rekening moeten worden gehouden met het krappe tijdsbestek voor de onderhandelingen, het unieke karakter van het Brexit-proces en de breedte van het voorziene akkoord.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet precies uit te leggen hoe de Kamer wordt geïnformeerd over het uiteindelijke resultaat. Heeft de Kamer überhaupt een mogelijkheid om een appreciatie te geven van het uiteindelijke resultaat, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich verder af?

Antwoord van het kabinet:

Zoals gebruikelijk zal het kabinet uw Kamer gedurende de onderhandelingen over het toekomstige partnerschap van de EU en het VK zo volledig mogelijk informeren. Ongeacht de juridische aard van het akkoord of de akkoorden zal uw Kamer ook de ruimte krijgen om met het kabinet over de inhoud daarvan te spreken. Gezien het belang van de onderhandelingen met het VK over het toekomstig partnerschap blijft het kabinet zich ook in Brussel inzetten voor voldoende ruimte voor het parlementaire proces in de lidstaten.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat er rekening mee gehouden moet worden dat er aan het einde van het jaar een beperkt akkoord of geen akkoord ligt. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet of thema’s steeds in een soort hoofdstukken worden behandeld, en worden gesloten wanneer deze uitonderhandeld zijn, waardoor er in ieder geval een garantie is dat bepaalde basiszaken geregeld zijn? Of is er pas een deal als alles is uitonderhandeld, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Ook vragen deze leden of het kabinet kan aangeven hoe de prioriteiten liggen van het kabinet en de prioriteiten van de hoofdonderhandelaar. Tevens vragen de leden van de CDA-fractie of op alle deelonderwerpen van de conceptrichtsnoeren afzonderlijk een deal wordt gesloten of op basis van bepaalde thema’s? Deze leden vragen het kabinet specifiek of daarbij afzonderlijke deals worden gesloten over luchtvaart en over visserij. Deze leden vragen het kabinet of dit conceptonderhandelingsmandaat überhaupt het de lidstaten mogelijkheid laat om deelakkoorden als een gemengd akkoord vorm te geven, zoals het kabinet zelf wenselijk acht in haar appreciatie van het onderhandelingsmandaat?

Antwoord van het kabinet:

Het conceptonderhandelingsmandaat gaat uit van een breed toekomstig partnerschap op basis van een overkoepelend institutioneel kader. Het kabinet acht een dergelijk overkoepelend institutioneel kader wenselijk omdat het van groot belang is dat verschillende onderdelen van het akkoord met elkaar verbonden zijn en met elkaar samenhangen. Een dergelijke overkoepelende structuur laat onverlet dat het mogelijk blijft om op deelterreinen eigenstandige, maar aan de overkoepelende structuur gekoppelde akkoorden te sluiten, bijvoorbeeld op het terrein van luchtvaart en visserij. Dit kan van pas komen indien de onderhandelingen over die onderwerpen een ander tijdpad volgen of indien het wenselijk is dat die op een andere rechtsgrondslag gebaseerd worden en/of een andere juridische aard krijgen. Wat betreft visserij maken de conceptrichtsnoeren duidelijk dat de te maken afspraken over toegang tot wateren en visquota leidend zullen zijn voor andere delen van het economisch partnerschap, in het bijzonder voor markttoegang in het vrijhandelsakkoord.

De inzet van het kabinet is en blijft een zo breed en ambitieus mogelijk partnerschap met het VK te bereiken. Vanuit die inzet is het wenselijk dat er aan het einde van de overgangsperiode een zo groot mogelijk deel van het voorziene partnerschap van toepassing wordt. Vooralsnog pleit het kabinet dus voor een brede inzet van de onderhandelingen, zonder prioritering. Hoe de onderhandelingen gedurende het jaar vorderen, is mede afhankelijk van de inzet en opstelling van het VK. Gedurende het jaar zal de balans moeten worden opgemaakt van hoe ver de onderhandelingen zijn gevorderd en wat er mogelijk is.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet om aan te geven waar de rode lijnen liggen in een eindakkoord?

Antwoord van het kabinet:

Zoals geschetst in de brief die uw Kamer is toegegaan op 14 januari 2020 over de inzet van het kabinet voor het toekomstige partnerschap tussen de EU en het VK (Kamerstuk 23 987, nr. 378) heeft Nederland grote en brede belangen bij een nauwe toekomstige relatie met het VK en meerdere prioriteiten. Het trekken van rode lijnen is in dit stadium niet bevorderlijk voor het bereiken van een zo goed mogelijk eindresultaat voor Nederland.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet wanneer de Kamer geïnformeerd wordt over besluiten omtrent het verlengen van de transitieperiode, zoals op 1 juli 2020 besloten moet worden?

Antwoord van het kabinet:

De in het terugtrekkingsakkoord overeengekomen overgangsperiode loopt tot en met 31 december 2020 en is éénmalig verlengbaar met maximaal 24 maanden. De EU en het VK moeten daarover gezamenlijk besluiten in het gemengd comité vóór 1 juli 2020. Het VK heeft reeds aangegeven de overgangsperiode niet te willen verlengen en heeft dit ook vastgelegd in de European Union (Withdrawal Agreement) Act 2020. In zijn conclusies van 25 november 2018 heeft de Europese Raad in Artikel 50 samenstelling vastgelegd dat hij de onderhandelingen nauw zal blijven volgen, dit geldt ook met betrekking tot het verlengen van de overgangsperiode. Eventuele verlenging van de overgangsperiode kan ter sprake komen op de Europese Raad in juni 2020. Uw Kamer zal daarover in dat geval via de gebruikelijke weg ter voorbereiding van een Europese Raad geïnformeerd worden.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet in hoeverre er bilaterale onderhandelingen of bilaterale gesprekken zijn met de Britten of de Schotten? De Schotten zijn voornemens een zeeverbinding te starten naar de Eemshaven, zo stellen deze leden. Is daar nog steeds sprake van en zijn er andere van deze dergelijke initiatieven, zo vragen de leden van de CDA-fractie aan het kabinet?

Antwoord van het kabinet:

De Europese Commissie zal namens de EU onderhandelen met de regering van het VK over het toekomstig partnerschap. Nederland onderhandelt zelf niet met het VK, maar onderhoudt wel een bilaterale relatie met het VK aangezien het VK een buurland en belangrijk partner is voor Nederland. Het is het kabinet bekend dat private partijen het initiatief hebben genomen om een zeeverbinding tussen Eemshaven en Schotland tot stand te brengen, waarvan de (haven)autoriteiten op de hoogte zijn. Dit initiatief bevindt zich nog in het opstartstadium. Daarnaast ondersteunt de Nederlandse overheid via het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en zijn regionale partners buitenlandse bedrijven die activiteiten in Nederland willen opzetten. De NFIA heeft in relatie tot Brexit inmiddels ruim honderd bedrijven ondersteund bij hun keuze voor een investering in Nederland en is in gesprek met nog eens ruim 325 bedrijven4. De NFIA komt later dit kwartaal met recente cijfers.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet om een inventarisatie te geven, en de voortgang te beschrijven, van alle handelsverdragen met derde landen waarmee het Verenigd Koninkrijk (VK) eveneens onderhandelingen is gestart.

Antwoord van het kabinet:

Gedurende de in het terugtrekkingsakkoord overeengekomen overgangsperiode is het VK gebonden aan alle huidige en nieuwe Europese wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor het gemeenschappelijk handelsbeleid. Het VK is gedurende de overgangsperiode vrij om op bevoegdheidsgebieden die onder het recht van de Unie vallen akkoorden met derde landen uit te onderhandelen, te ondertekenen en te bekrachtigen. Die akkoorden kunnen echter nog niet in werking treden of van toepassing worden tijdens de overgangsperiode, tenzij de Unie daartoe machtiging geeft. Het VK heeft gesprekken en onderhandelingen met meerdere derde landen aangekondigd, maar het kabinet is niet bekend met de precieze vorderingen daarvan. Akkoorden die het VK reeds heeft ondertekend worden bekend gemaakt via de website van de Britse regering.5

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet om aan te geven welke gevolgen de situatie heeft voor het uitleveren van personen van enkele EU-lidstaten aan het VK. Door de Brexit is het VK een derde land geworden en zijn een aantal lidstaten niet meer verplicht om burgers uit te leveren, dat geldt ook voor Duitsland, zo stellen de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen het kabinet om een analyse hiervan te maken en aan te geven of daar een veiligheidsrisico aan zit.

Antwoord van het kabinet:

Een aantal EU-lidstaten (Duitsland, Oostenrijk en Slovenië) kent een grondwettelijke beperking op het uitleveren van eigen onderdanen aan derde landen. Gedurende de in het terugtrekkingsakkoord overeengekomen overgangsperiode kan het Europees aanhoudingsbevel (EAB) nog gebruikt worden in relatie tot het VK, maar geldt het VK als een derde land. Het terugtrekkingsakkoord voorziet daarom in de mogelijkheid dat lidstaten tijdens de overgangsperiode kunnen weigeren eigen onderdanen op grond van een EAB over te leveren aan het VK. Alleen lidstaten die een beperking hebben in hun nationale wetgeving kunnen gebruik maken van deze uitzondering. Deze lidstaten hebben de Unie en het VK daar schriftelijk van op de hoogte gesteld. Nederland kent een dergelijke grondwettelijke beperking niet en kan dus ook tijdens de overgangsperiode eigen onderdanen op grond van een EAB overleveren aan het VK. Voor lidstaten die dit niet doen, bestaat de mogelijkheid zelf tot vervolging of tenuitvoerlegging van een opgelegde straf over te gaan indien het interne recht daartoe voldoende aanknopingspunten biedt.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet in hoeverre er duurzaamheid en klimaatdoelstellingen gebaseerd op de Green Deal zijn opgenomen in de conceptonderhandelingsrichtsnoeren? Ziet het kabinet de voorgenomen maatregelen uit de Green Deal als een kans of als obstakel in de toekomstige relatie tussen de EU en het VK, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich verder af?

Antwoord van het kabinet:

De conceptrichtsnoeren bevatten een uitgebreid hoofdstuk waarin de doelstellingen op het gebied van horizontale gelijk speelveldbepalingen uiteen worden gezet. Dit hoofdstuk bevat een paragraaf over milieu, een paragraaf over strijd tegen klimaatverandering en een paragraaf over overige instrumenten voor duurzame ontwikkeling. Op het gebied van milieu en klimaat is de inzet dat op grond van het partnerschap het gemeenschappelijke beschermingsniveau van beide partijen niet zal worden verlaagd ten opzichte van het niveau zoals dat van kracht is aan het einde van de overgangsperiode. Dit principe van «non-regressie» moet worden ondersteund door afspraken over monitoring, rapportage, toezicht en handhaving. Op het gebied van klimaatverandering is het doel dat het toekomstige partnerschap de toezeggingen van de verdragspartijen onder internationale klimaatakkoorden, zoals de Overeenkomst van Parijs, herbevestigt. Daarnaast moet het voorziene partnerschap ervoor zorgen dat het VK een systeem van CO2-beprijzing hanteert dat minstens dezelfde effectiviteit en dekkingsgraad heeft als het EU-systeem. De richtsnoeren geven aan dat de partijen in overweging moeten nemen om het VK systeem aan het EU Emissiehandelssysteem (ETS) te koppelen. Op de terreinen die niet door een systeem van CO2-beprijzing worden gedekt, dient het voorziene partnerschap voor non-regressie te zorgen ten opzichte van de standaarden en doelstellingen zoals die gelden aan het einde van de overgangsperiode. Ook hier is monitoring, rapportage, toezicht en handhaving van belang. In de paragraaf overige instrumenten voor duurzame ontwikkeling zetten de conceptrichtsnoeren in op het bevorderen van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties voor duurzame ontwikkeling en verdere samenwerking in een aantal internationale fora, waaronder de Internationale Arbeidsorganisatie, de Internationale Maritieme Organisatie, de G7, de G20 en de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC). Het kabinet acht effectieve afspraken over het gelijk speelveld van groot belang voor het gewenste ambitieuze toekomstige partnerschap tussen de EU en het VK. Uw Kamer heeft dit ook meermaals aangestipt als belangrijk punt.6

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie aan het kabinet of het VK aan alle afspraken heeft voldaan zoals in de deal was afgesproken?

Antwoord van het kabinet:

Het is van groot belang dat beide verdragspartijen zich houden aan de gemaakte afspraken en de juridische verplichtingen van het terugtrekkingsakkoord. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat het VK dat op dit moment niet doet. Zowel de lidstaten van de EU als het VK zijn gebonden aan het terugtrekkingsakkoord. Gezien de grote belangen die zijn gemoeid met een correcte implementatie van het terugtrekkingsakkoord, zoals bijvoorbeeld de bescherming van de rechten van burgers, zal het kabinet hier nauw op toe blijven zien in samenwerking met de overige lidstaten en de Europese Commissie.