Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-02 nr. 1712

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1712 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 januari 2017

Hierbij bied ik u aan de geannoteerde agenda van de informele Raad Algemene Zaken van 23 en 24 januari 2017.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

GEANNOTEERDE AGENDA INFORMELE RAAD ALGEMENE ZAKEN VAN 23 EN 24 JANUARI 2017

Prioriteiten van het Maltese Voorzitterschap

Op 1 januari jl. heeft Malta het voorzitterschap van de Raad van de EU overgenomen van Slowakije.

Tijdens de informele bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken van 23 en 24 januari aanstaande zal Malta zijn nationale voorzitterschapsprogramma presenteren. Het nationale voorzitterschapsprogramma is gebaseerd op het trioprogramma, het lopende werkprogramma van de Commissie en de conclusies van de Europese Raad (ER) van juni 20141.

De prioriteiten van het Maltese voorzitterschap zijn ingegeven door de doelstelling het vertrouwen in de EU te herstellen, de behoefte aan een dialoog en bezinning over de toekomst van de EU alsmede actuele kwesties in verband met migratie, veiligheid en economie. De komende zes maanden zal het Maltese voorzitterschap zich concentreren op zes terreinen: migratie, de interne markt, veiligheid, sociale inclusie, Europa's nabuurschap en de maritieme sector. Het kabinet hoopt dat onder het Maltees voorzitterschap voortgang kan worden geboekt op deze onderwerpen. Tot op heden hebben lidstaten zich niet expliciet over het Maltese programma uitgesproken.

Europese toekomst/Gezamenlijke uitdagingen Europa

Tijdens de informele Raad Algemene Zaken zal gereflecteerd worden op de mogelijkheden om de effectiviteit en de impact van het EU-beleid te versterken. Bijzondere aandacht zal hierbij uitgaan naar de vraag hoe interne en externe ontwikkelingen impact hebben op de EU.

Het kabinet zal tijdens de informele bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken de lijn uitdragen die uiteen is gezet in de Kamerbrief over de inzet op de informele top in Bratislava (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1143), met nadruk op een Europa dat beter beschermt en presteert. In het bijzonder ten aanzien van de interne markt, veiligheid (zowel intern als extern) en migratie zal de EU resultaten moeten laten zien. Overigens worden deze onderwerpen ook gereflecteerd in de Verklaring van Bratislava en het Stappenplan van Bratislava.2 Daarnaast hecht het kabinet eraan dat de EU zich blijft richten op de wijze waarop het eigen functioneren kan worden verbeterd.

De Bratislava Verklaring heeft brede ondersteuning van de lidstaten. Ten aanzien van de onderwerpen die in het discussiepapier zijn opgesteld zijn er tot nog toe geen uitgesproken posities ingenomen door de lidstaten.

Overig

De Minister-President deed tijdens het debat over de Europese Raad op 14 december jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 35, item 8) de toezegging uw Kamer in deze Geannoteerde Agenda van de RAZ te informeren over de contacten met Turkije in het kader van de toetredingsonderhandelingen. Sinds 30 juni zijn er geen hoofdstukken met Turkije geopend. Gezien de huidige omstandigheden in Turkije wordt het openen van nieuwe hoofdstukken niet overwogen door de Raad. Dit is door de inzet van Nederland ook formeel vastgelegd in de Voorzitterschapsconclusies van 13 december jl. (zie Kamerstuk 21 501-02, nr. 1707). Concreet betekent dit dat de Raad sinds 30 juni geen bijeenkomst met Turkije in het kader van de toetredingsonderhandelingen heeft gehad en dat de toetredingsonderhandelingen in Raadskader niet aan de orde zijn geweest, afgezien van de jaarlijkse voortgangsrapportage van de Commissie en de daaruit voortvloeiende Voorzitterschapsconclusies van 13 december jl. Dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije feitelijk stilliggen, betekent echter niet dat de EU alle banden met Turkije heeft verbroken. Over het werkontbijt van de EU-lidstaten met de Turkse Minister voor Europese Zaken Ömer Çelik en marge van de informele Raad Buitenlandse Zaken op 2 en 3 september 2016 is de Kamer reeds geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1654). Ook de Commissie onderhoudt regulier contact met de Turkse autoriteiten in het kader van de brede EU-Turkije relatie, zoals monitoring van de EU-steun aan Turkije, bijeenkomsten op technisch niveau in het kader van de EU-Associatieovereenkomst, de implementatie van de EU-Turkije Verklaring inzake migratie en de jaarlijkse rapportage over de kandidaat-lidstaten.

Het kabinet maakt tevens van de gelegenheid gebruik om de Kamer te informeren over de voortgang ten aanzien van de motie van het lid Omtzigt c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1705) betreffende onderzoek of EU-steun in Turkije direct of indirect ten goede is gekomen aan marteling. Tijdens de Raad Algemene Zaken van 13 december jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1707) heeft de Minister van Buitenlandse Zaken gewezen op de zorgwekkende berichten over marteling in Turkse gevangenissen en de Commissie gevraagd te onderzoeken of EU middelen gebruikt worden voor dergelijke praktijken. In een overleg met uw Kamer zegde de Eerste Vicevoorzitter van de Commissie Timmermans toe een brief aan uw Kamer over dit onderwerp te sturen. Zoals toegezegd door de Minister-President tijdens het debat op 14 december jl. over de Europese Raad (Handelingen II 2016/17, nr. 35, item 8) is ambtelijk navraag gedaan bij de Commissie wanneer deze brief aan de Kamer zal worden verzonden. De Commissie gaf aan dat dit op korte termijn het geval zal zijn. Het kabinet zal na ontvangst van de informatie van de Commissie een standpunt innemen.