Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201621501-02 nr. 1532

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1532 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 oktober 2015

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft in een brief d.d. 8 oktober 2015 verzocht om een inhoudelijke reactie op het aangenomen rapport van het Europees parlement inzake de hervorming van de Kieswet van de Europese Unie (herziening Europese Verkiezingsakte) en daarbij verzocht de mogelijkheden voor het handelingsperspectief voor de Kamer aan te geven.

Artikel 223, eerste lid, van het EU-Werkingsverdrag geeft het Europees parlement het initiatiefrecht een ontwerp op te stellen ten aanzien van de bepalingen voor de rechtstreekse algemene verkiezing van zijn leden volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben (de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen).

Een wijziging van deze Akte moet met unanimiteit worden vastgesteld door de Raad, na goedkeuring van het Europees parlement, en vervolgens worden goedgekeurd volgens de grondwettelijke procedures in elk van de lidstaten. De laatste wijziging van de Akte trad in 2004 in werking. De belangrijkste wijzigingen waren destijds de invoering van de grondslag van evenredige vertegenwoordiging in alle lidstaten en het verbod op het dubbelmandaat.

De commissie Constitutionele Zaken van het Europees parlement (AFCO) heeft in haar vergadering van 28 september jl. een ontwerprapport van de rapporteurs Hübner (EPP/POL) en Leinen (S&D/DUI) vastgesteld met voorstellen tot wijziging van de Akte. Dit rapport is bij schrijven nog niet verschenen.1 Het rapport zal naar verwachting eind oktober worden besproken en in stemming worden gebracht in de plenaire vergadering van het Europees parlement. Op dit moment is nog niet duidelijk of, en zo ja, in hoeverre de in het rapport opgenomen voorstellen al dan niet geamendeerd door de plenaire vergadering van het Europees parlement zullen worden overgenomen.

Na eventuele aanvaarding in het Europees parlement zal het Luxemburgs voorzitterschap bepalen hoe dit rapport verder in de Raad zal worden behandeld.

Voor de Kamer zijn er verschillende handelingsperspectieven.

In de eerste plaats kunnen Kamerleden over de voorstellen in contact treden met leden van het Europees parlement met het oog op de plenaire stemming van 28 oktober aanstaande.

In de tweede plaats is er uiteraard de mogelijkheid om met het kabinet van gedachten te wisselen over het voorstel. Het kabinet moet daarbij overigens rekening houden met de rol van Nederland als inkomend voorzitter van de Raad2.

In de derde plaats krijgen de nationale parlementen het ontwerp van deze wetgevingshandeling rechtstreeks toegezonden van het Europees parlement en kunnen zij op grond van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid binnen 8 weken een oordeel vellen over de subsidiariteit van het voorstel («gele/oranje kaartprocedure»).

Ten vierde behoeft een wijziging van de Akte de goedkeuring van de nationale parlementen.3

Indien het Europees parlement een ontwerpwijziging van de Akte vaststelt, zal het kabinet uw Kamer u zo spoedig mogelijk informeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
2

Kamerstuk 34 139, nr. 1

X Noot
3

De goedkeuring van de wijziging van de Akte kan voorts aan een raadgevend referendum worden onderworpen in het geval aan de vereisten van de Wet raadgevend referendum wordt voldaan.