Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201421501-02 nr. 1293

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1293 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 oktober 2013

Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken bestond bij vier fracties de behoefte om aan de minister van Buitenlandse Zaken enkele vragen en opmerkingen voor te leggen met betrekking tot de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken d.d. 30 september 2013 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1291) en enkele andere brieven. De agendapunten van dit schriftelijk overleg zijn onder aan dit verslag weergegeven.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft op de vragen en opmerkingen geantwoord bij brief van 26 september 2013. De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de minister zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Knops

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van Haaster

Algemeen

De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken d.d. 30 september en danken de minister van Buitenlandse Zaken voor de toezending. Zij hebben hierbij nog enkele, in dit verslag verwerkte, opmerkingen en vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg Raad Algemene Zaken en danken het kabinet hiervoor. Zij hebben enkele vragen.

Geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken d.d. 30 september 2013

Voorbereiding Europese Raad d.d. 24–25 oktober 2013

De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet wat betreft de sociale dimensie van de E(M)U. Uniforme beleidsvoorschriften die uiteindelijk leiden tot een «sociaal Europa» zijn onwenselijk, onnodig en onbetaalbaar.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie zich af of er met zekerheid tijdens de Raad Algemene Zaken een themasessie zal worden gewijd aan de onderwerpen innovatie, diensten en digitale agenda. Zo ja, deelt het kabinet de mening van deze leden dat de Nederlandse inzet zich moet concentreren op zaken als de liberalisering van de dienstenrichtlijn, integratie op de digitale markt en investeringen in innovatie ten faveure van landbouw- en structuurfondsen?

Antwoord van het kabinet:

Tijdens de Europese Raad in oktober a.s. wordt een themasessie gewijd aan de onderwerpen innovatie, diensten en de digitale agenda. Evenals de leden van de VVD-fractie hecht het kabinet in dit verband grote waarde aan liberalisering van de interne markt voor diensten en verdere integratie van de digitale interne markt. Hier ligt een groot onbenut potentieel voor economische groei. Tijdens de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader voor de periode 2014–2020 (MFK) heeft het kabinet ingezet op een groter aandeel voor onderzoek, innovatie en onderwijs ten koste van landbouw- en structuurfondsen. Het aandeel van de uitgaven voor onderzoek, innovatie en onderwijs in het nieuwe MFK is inderdaad toegenomen, terwijl het aandeel landbouw- en structuurfondsen is afgenomen.

De leden van de PvdA-fractie staan in beginsel positief tegenover de invoering van een zogenaamde sociale scorekaart met beleidsindicatoren om de sociaaleconomische toestand in een land samen te vatten, zodat deze mee kunnen worden gewogen bij de vaststelling van beleidsaanbevelingen binnen het Europees Semester aan lidstaten. Simpel gezegd moet Europa bij haar aanbevelingen voor lidstaten behalve economische en financiële indicatoren ook sociale indicatoren zoals armoede, (jeugd)werkloosheid maar ook investeringen in de productiviteit van mensen meewegen. Hoe staat het met dit initiatief voor een sociale scorekaart in Europees verband, vragen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de SP-fractie vragen welke indicatoren voor het economisch beleid worden bediscussieerd tijdens de Europese Raad. Zitten daar ook sociale indicatoren tussen, vragen deze leden.

Antwoord van het kabinet

De Commissie zal hoogstwaarschijnlijk op 2 oktober a.s. een mededeling over de sociale dimensie van de EMU presenteren. De Commissie heeft aangekondigd dat een onderdeel van de mededeling een voorstel voor een scorebord van werkgelegenheids- en sociale indicatoren zal zijn. Deze indicatoren hebben betrekking op werkloosheid en risicofactoren op de arbeidsmarkt; werkloosheid, inactiviteit en uitsluiting van jongeren; beschikbaar inkomen per huishouden; het aantal personen met een risico op armoede; en inkomensongelijkheid. Het gaat hierbij om het gebruik van gegevens die reeds beschikbaar zijn.

Dit scorebord zou jaarlijks gepresenteerd moeten worden in het Joint Employment Report, dat onderdeel is van de Annual Growth Survey. Zoals de Commissie nu lijkt te zullen voorstellen kan dit scorebord vooral gebruikt worden als basis voor beleidsdiscussie in de Raad voor Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en in het Europees Semester bij het opstellen van de landenspecifieke aanbevelingen.

De leden van de PvdA-fractie willen daarnaast informeren naar de onderhandelingen over de lidstaatcontracten in Europees verband. Zij steunen de lijn van het kabinet dat verplichte lidstaatcontracten slechts in de correctieve arm – dat wil zeggen bij lidstaten die reeds problemen hebben – van toepassing kunnen zijn. Hoe staat het met de onderhandelingen op dit punt?

Wat betreft arbeidsmigratie zijn de leden van de PvdA-fractie blij met de voortvarende manier waarop de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Asscher, werk maakt van het door hen gevraagde actieplan om uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing tegen te gaan. Minister Asscher doet dat door de problemen niet onder het tapijt te schuiven of door mensen die hier met goede bedoelingen komen om te werken weg te zetten, maar hij doet dat door de daad bij het woord te voegen en te erkennen dat vrij verkeer van personen in het belang van Nederland is en tegelijkertijd op nationaal en Europees niveau de schijnconstructies, malafide uitzendbureaus en uitbuiting van arbeidsmigranten aan te pakken. De leden van de PvdA-fractie steunen deze aanpak van harte.

Het is de leden van de SP-fractie niet duidelijk in welke fase van bespreking de lidstaatcontracten zich bevinden. Welke opties worden er onderzocht? Zijn er nieuwe varianten? Wat zijn de belangrijkste geschilpunten? Zij zijn ook benieuwd naar de eventuele rechtsgrondslag voor een dergelijk instrument gezien het kabinet in de subsidiariteitsexcercitie stelt dat elk optreden van de EU gebaseerd moet zijn op een heldere rechtsgrondslag.

Bij het standpunt over de contracten lezen de leden van de SP-fractie dat het kabinet als voorwaarde stelt dat deze niet mag leiden tot hogere afdrachten. Zij denken dat dit slaat op het voorstel voor een aparte eurobegroting om economische schokken op te vangen. Zij zijn dan ook verbaasd dat het kabinet hieraan voorwaarden stelt terwijl bij de subsidiariteitsexcercitie dit instrument volledig wordt afgewezen. Zij wensen graag een nadere uitleg van het standpunt van het kabinet.

De leden van de CDA-fractie hebben kanttekeningen geplaatst bij het inzetten van lidstaatcontracten tenzij deze worden toegepast bij lidstaten die zich niet aan de versterkte regels houden. Zal het kabinet zich inzetten om mogelijke lidstaatcontracten alleen te gebruiken ter versterking van de interventieladder?

Antwoord van het kabinet

De Europese Raad van juni jl. concludeerde dat de ER in december a.s. besluiten zal nemen over de belangrijkste punten van contractuele regelingen en daarmee samenhangende solidariteitsmechanismen. Onduidelijk in deze fase is of en wanneer de Commissie een voorstel over contracten zal presenteren, op basis waarvan formele onderhandelingen van start zouden kunnen gaan. De rechtsgrondslag voor een dergelijk instrument zal onderdeel moeten vormen van een dergelijk voorstel, en door het kabinet kritisch beoordeeld worden. Wel oriënteren lidstaten zich momenteel op mogelijke antwoorden op de vele vragen die nog bestaan over de vormgeving van een dergelijk instrument. De opties zoals verwoord in de Commissiemededeling van 20 maart 2013 geven een aanzet.

Het kabinet heeft de randvoorwaarden die Nederland aan eventuele contracten stelt, reeds vastgelegd in de kamerbrief «Commissiemededelingen ex ante coördinatie van hervormingen en instrument voor convergentie en concurrentievermogen» d.d. 22 april 2013 (Kamerstuk 21 501-20 nr. 780). Zo vindt het kabinet het belangrijk dat eventuele contracten de beleidsvrijheid van landen die zich wel aan de regels houden niet inperken, en dat een eventueel nieuw instrument nauw aansluit bij bestaande afspraken, om zo onnodige overlap en (verdere) complicatie van Europese afspraken op budgettair en economisch terrein te voorkomen. Daarnaast mag een eventueel aan lidstatencontracten gekoppeld beperkt solidariteitsmechanisme niet leiden tot extra Nederlandse afdrachten aan de EU. Het kabinet is tegen een aparte begrotingscapaciteit (schokabsorptiefonds) voor de eurozone.

Cohesiebeleid

De leden van de PvdA-fractie vinden dat de bestrijding van jeugdwerkloosheid in Europa absoluut prioriteit moet hebben. Zij vinden dat Nederland niet machteloos mag toekijken hoe een groot deel van de Europese jeugd geen baan kan vinden en daardoor het perspectief dreigt te verliezen. Het mag niet zo zijn dat een hele generatie de toekomst wordt ontnomen. Vanuit sociaal oogpunt is dit van groot belang, maar ook vanuit economisch oogpunt is het van groot belang. De leden van de PvdA-fractie vinden dat jongeren een toekomst gegeven moet worden in Europa. Zij vragen op welke wijze het kabinet zich inzet om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid via de structuurfondsen wordt aangewend voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid in Europa. Hoe staat het met de voortgang van het Europese plan voor de aanpak van jeugdwerkloosheid en welke stappen zijn er sinds juni jl. gemaakt? En hoe zet het kabinet zich in om van het Europese jeugdwerkgarantieplan meer te maken dan holle retoriek? Ziet het kabinet bijvoorbeeld potentieel in een Europese vacaturebank voor leerwerkstages in sectoren waar een tekort is aan arbeidskrachten? En op welke wijze geeft het kabinet zijn eigen beleid vorm om een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid in Europa?

Wat betreft de inzet van structuurfondsen om innovatie en duurzame ontwikkeling te stimuleren, steunen de leden van de PvdA-fractie de afspraak tussen Rijk en regio’s dat «innovatie» en «koolstofarme economie» de hoofddoelen zijn voor de programma’s voor de nieuwe periode van structuurfonds EFRO. Het is goed dat in deze tijd van economische crisis de Europese fondsen worden ingezet om met name het Nederlandse MKB te helpen sterker en schoner uit de crisis te komen.

De verwachting is dat Nederland € 1,26 miljard zal ontvangen uit de meerjarenbegroting, waarvan € 911 miljoen voor EFRO en EFS en € 348 miljoen voor grensoverschrijdende samenwerking, stellen de leden van de CDA-fractie vast. Hoe groot is het verschil ten opzichte van de vorige periode en welke projecten komen hiermee te vervallen? Welke consequenties heeft dat voor de werkgelegenheid, vragen deze leden.

Antwoord van het kabinet

De ER van 28 juni jl. bereikte overeenstemming over een algemene aanpak van de jeugdwerkloosheid in Europa op basis van concrete maatregelen, waaronder de aanwending van Structuurfondsen met bijzondere aandacht voor werkgelegenheid voor jongeren. De ER heeft ook overeenstemming bereikt over een scala van maatregelen, waaronder het volledig operationaliseren van het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief in januari 2014, de de «frontloading» van € 6 miljard uit het MFK in 2014 en 2015, een bijdrage van de EIB aan werkloosheidsbestrijding onder jongeren, volledige operationalisering van «Erasmus +» vanaf januari 2014, bevordering van de samenwerking tussen de openbare arbeidsvoorzieningingsdienstem (PES) en bevordering van hoogwaardige werkervaringsplaatsen.

Tijdens de Berlijn Conferentie van 3 juli j.l. over de bestrijding van jeugdwerkloosheid is deze overeenstemming bevestigd, en zijn implementatie van de jeugdgarantie en de samenwerking tussen de arbeidsvoorzieningsdiensten (PES) besproken vanuit een perspectief van best pratices in de lidstaten. Tijdens de ER van 23 oktober a.s. en de Conferentie van Parijs op 12 november a.s. zal voortgang op deze onderwerpen worden gerapporteerd.

Het kabinet onderschrijft deze maatregelen, op voorwaarde dat de maatregelen geen beperking van nationale bevoegdheden in zich herbergen. Het kabinet heeft inmiddels een scala aan nationale maatregelen aangekondigd om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Deze maatregelen zijn aanvullend op de maatregelen die het kabinet al had genomen om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te versterken en het aantal voortijdig schoolverlaters tegen te gaan. Deze maatregelen zijn, mede gebruik makend van EU fondsen:

  • € 600 miljoen voor de cofinanciering van plannen van werkgevers en werknemers die bijdragen aan behoud van werk met behulp van de zogenaamde sectorplannen. Binnen deze plannen is bijzondere aandacht voor de arbeidsmarktinstroom van jongeren, bijvoorbeeld door het aanbieden van leerwerkplekken.

  • € 30 miljoen extra uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) geïnvesteerd in de aanpak van jeugdwerkloosheid. Dit komt bovenop de € 50 miljoen die voor dit doel al eerder was uitgetrokken. De middelen worden ingezet om op regionaal niveau de jeugdwerkloosheid aan te pakken.

Het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020 is nog niet definitief vastgesteld. Daarom is het nog niet mogelijk aan te geven wat het verschil in Nederlands aandeel zal zijn tussen de huidige en de aanstaande begrotingsperiode. In de huidige periode heeft Nederland ca. € 1,66 miljard voor EFRO en ESF ontvangen en € 250 miljoen voor grensoverschrijdende en transnationale programma’s (INTERREG). Op basis van voorlopige inschattingen lijkt een daling van de middelen voor de nationale programma’s waarschijnlijk; een stijging is voorzien voor de INTERREG programma's. Binnen de nationale programma's zullen derhalve minder projecten gerealiseerd kunnen worden. Mogelijk kan wel een deel worden opgevangen door private middelen, een trend die we de afgelopen 7 jaar gezien hebben binnen de huidige programma's. Desalniettemin is de inzet om in deze programmaperiode met behulp van ervaring uit het verleden, slimme combinaties en een gerichte, efficiënte inzet een maximaal effect te bereiken voor de regionale economie en werkgelegenheid.

Brief inzake rechtsstatelijke ontwikkelingen in Hongarije

Kijkend naar de overige onderwerpen op de agenda van dit overleg hebben de leden van de VVD-fractie nog de volgende vragen inzake de rechtsstatelijke ontwikkelingen in Hongarije: Is het kabinet bekend met het feit dat Hongarije inmiddels weer toegang heeft tot EU-fondsen ter waarde van twee miljard euro nadat deze bevroren waren na tekenen van mismanagement

(zie http://www.euractiv.com/central-europe/eu-unfreezes-funding-hungary-news-530322 )?

Deelt het kabinet de mening van de leden van de VVD-fractie dat ook het kwijtschelden van de boete ter waarde van 250 miljoen euro een slecht signaal is en dat het doorvoeren van deze boete juist een goede precedentwerking zou creëren, en daarmee als waarschuwing zou kunnen dienen richting andere lidstaten? Zal het kabinet in de Raad de positie innemen dat eenmaal uitgedeelde boetes gehandhaafd dienen te worden? Welke vorderingen heeft Hongarije de afgelopen maanden gemaakt op het gebied van het aanpassen van de grondwetswijziging zodat deze aansluit bij de gedeelde normen en waarden van de EU? Is hier recentelijk in de Raad nog over gesproken?

Antwoord van het kabinet

De Europese Commissie heeft de boete van 250 miljoen euro niet kwijtgescholden. Wel kan Hongarije dit bedrag alsnog benutten indien deze fondsen op correcte wijze worden ingezet vóór 1 januari 2014, dat wil zeggen conform de eisen van de Commissie. Als dat niet lukt, is Hongarije de aanspraak op de 250 miljoen euro kwijt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze maatregel van de Commissie niet gelieerd is aan de rechtsstatelijke ontwikkelingen, waarop later in deze brief wordt ingegaan.

Hoe ziet het kabinet in dit licht het dispuut tussen Kroatië en de Europese Commissie, over het uitsluiten van misdaden die voor 2002 gepleegd zijn van het Europese arrestatiebevel, vragen de leden van de VVD-fractie, onder verwijzing naar http://euobserver.com/justice/121469 . Deze leden vragen naar de positie van de Raad in dezen.

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet onderschrijft het standpunt van de Commissie dat Kroatië de nationale wetgeving zo snel mogelijk in lijn moet brengen met Europese wetgeving. Kroatië heeft inmiddels aangegeven dit op korte termijn te zullen doen. Dit is ook wat het kabinet in de geest van loyale samenwerking die een EU-lidstaat betaamt, verwacht. Het onderwerp staat overigens niet op de agenda van deze Raad.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de situatie in Hongarije. Dit is ook gebleken uit de (aangenomen) motie van het lid Servaes c.s. van 13 maart 2013 over de recente grondwetswijzigingen in Hongarije (Kamerstuk 21 501-20, nr. 772). Het kan niet zo zijn dat een Europese lidstaat wegdrijft van onze gezamenlijke Europese waarden zoals democratie, rechtvaardigheid en vrijheid. De leden van de PvdA-fractie willen graag van het kabinet weten hoe ver de invloed van de Europese Commissie reikt in het beïnvloeden van de vijfde tranche van de Hongaarse grondwet. Zijn de Hongaarse oppositie en maatschappelijke organisaties nu wel betrokken en is de verwachting dat de vijfde tranche de zorgen over de grondwetswijzigingen geheel wegneemt?

De leden van de PvdA-fractie zijn overigens positief over de acties van de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken en de druk vanuit de EU op de Hongaarse regering. Het kabinet vindt het te vroeg voor een concrete actieagenda met sancties, maar welke stappen neemt het kabinet dan wel om de druk op de regering-Orbán te houden? Op welke wijze en op welke momenten zal het Nederlandse kabinet de Hongaarse regering aanspreken op het respecteren van de Europese waarden van democratie, persvrijheid, en de trias politica? Waarom is volgens het kabinet het ontwikkelen van mechanismen die specifiek gericht zijn op afzonderlijke lidstaten, zoals de door de heer Tavares voorgestelde «artikel 2-trialoog» voor Hongarije, geen oplossing? De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet wanneer het wel zo ver is dat er sancties zouden moeten worden ingesteld tegen Hongarije.

Ten aanzien van de beschouwing van de rechtsstatelijke ontwikkelingen in Hongarije zijn de leden van de SP-fractie benieuwd naar de vervolgstappen. Wanneer worden er rapportages van de Raad van Europa en de Europese Commissie verwacht?

Antwoord van het kabinet

Sinds de brief van het kabinet over de rechtsstaat in Hongarije (Kamerstuk 21 501-20 nr. 809, verzonden 16 augustus jl.) heeft de regering van premier Orbán een vijfde pakket amendementen op de grondwet ingediend, dat op 16 september jl. door het Hongaarse parlement werd aangenomen en op 1 oktober a.s. in werking treedt. Deze vijfde amendering adresseert een deel van de internationale kritiek die volgde op het vierde pakket amendementen van de grondwet, dat afgelopen april in werking trad.

Zo komt het vijfde pakket amendementen tegemoet aan de kritiek van de Europese Commissie op de beperking van mogelijkheden voor politieke mediacampagnes in verkiezingstijd, de bevoegdheden van de National Office of the Judiciary voor het doorverwijzen van rechtszaken en het doorbelasten van boetes van het Europese Hof. Ook zijn verschillende aandachtspunten van de Venetië Commissie (een comité van rechtsgeleerden van de Raad van Europa) in de wetswijziging meegenomen. De SG van de Raad van Europa, Thorbjørn Jagland, heeft zich voorzichtig positief uitgelaten over de aanpassingen.

Het kabinet is tevreden dat de Hongaarse regering de kritiek van de Europese Commissie en de Venetië Commissie ter harte heeft genomen en enkele belangrijke zorgpunten uit het vierde pakket amendementen heeft weggenomen. De Europese Commissie en de Venetië Commissie zullen de verdere ontwikkelingen nauwgezet volgen, zoals ook de uitwerking van dit vijfde pakket amendementen in secundaire wetgeving. Het kabinet waardeert de inzet van beide instanties en verwacht van Hongarije dat het nauw met hen in overleg blijft over rechtsstatelijke aangelegenheden en, in geval van verdere kritiek, wetgeving waar nodig aanpast. Van eventuele sancties jegens Hongarije is momenteel geen sprake.

Het kabinet meent dat landen in een Europese waardengemeenschap elkaar moeten kunnen aanspreken op de naleving van die waarden. Dat geldt voor Hongarije, maar net zo goed voor andere Europese lidstaten. Daarom zet het kabinet zich in voor de ontwikkeling van een aanvullend rechtsstaatelijkheidsmechanisme binnen de EU. Het kabinet is geen voorstander van de ontwikkeling van mechanismen die specifiek gericht zijn op afzonderlijke lidstaten, zoals de voorgestelde «artikel 2-trialoog» voor Hongarije, omdat het aanvullend mechanisme op gelijke wijze op alle lidstaten toegepast moet kunnen worden indien daarvoor aanleiding zou zijn.

Fiche inzake de Verordeningen aanpassing comitologie post-Lissabon

De leden van de fractie van het CDA hebben grote twijfels over de inzet van de Europese Commissie om meer EU-regelgeving via comitologie te regelen. Op welke manier wordt de democratische controle en democratische legitimiteit alsmede de diversiteit op de beleidsterreinen gewaarborgd? Wordt hiermee de rol van de nationale parlementen niet ondergraven? Kan gewaarborgd worden dat er niet ingestemd zal worden met voorstellen die de controle van nationale parlementen ondergraven op regelgeving die nationaal impact zal hebben?

Antwoord van het kabinet

Het voorstel van de Commissie betreft de omzetting van reeds bestaande specifieke comitologieprocedures naar het systeem post-Lissabon. Er zal hierdoor niet meer comitologie bijkomen; dit is ook niet de inzet van de Commissie. Het betreft slechts een wijziging van de gehanteerde procedure voor de totstandkoming van nadere regelgeving. Voorgesteld wordt om voor 165 instrumenten de van voor het verdrag van Lissabon daterende zogeheten «regelgevende procedure met toetsing» (meestal aangeduid met het Franse acroniem PRAC) te vervangen door de rechtsvorm delegatie (art. 290 VWEU). Het kabinet is kritisch over dit voorstel, omdat per geval zou moeten worden bezien of voor het vaststellen van nadere regelgeving delegatie dan wel een andere rechtsvorm, zoals uitvoering (art. 291 VWEU), het best geëigend is, of dat wellicht andere modaliteiten wenselijk zijn.

Democratische controle en legitimiteit bij delegatie en uitvoering zijn gewaarborgd zowel voorafgaand aan de totstandkoming van nadere regelgeving (bij de totstandkoming van richtlijnen en verordeningen waar aan de Commissie bevoegdheden worden toegekend om nadere regelgeving vast te stellen), als bij de uitoefening van deze bevoegdheden. Bij de totstandkoming van richtlijnen en verordeningen beslissen het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk over de reikwijdte van de bevoegdheden die aan de Commissie worden overgedragen. Democratische borging is derhalve verzekerd via het Europees Parlement en de Raad.

Nationale parlementen kunnen democratische controle uitoefenen via de Raad. Het kabinet neemt hiertoe bij elk voorstel in het BNC-fiche een apart lemma op over de voorgenomen gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, ten behoeve van tijdige meningsvorming van uw Kamer. Bij de uitoefening van de verleende bevoegdheden is de democratische legitimatie in eerste instantie geborgd via het Europees Parlement, bijvoorbeeld door te toetsen of de Commissie binnen de aan haar verleende bevoegdheden blijft. De voorgenomen maatregelen zijn te vinden op de EU-extranet-website en de website van het Europees Parlement. Daar waar uw Kamer problemen heeft met een voorgestelde maatregel kan het kabinet worden verzocht verzoeken dit in de Raad aan de orde te stellen.

(*) Agenda van het schriftelijk overleg inzake de Raad Algemene Zaken van 30 september 2013

  • 1. Verslag van de Informele Raad Algemene Zaken van 29-30 augustus 2013, brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 september 2013, documentnummer 2013Z17372

  • 2. Geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 30 september 2013, brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 september 2013, documentnummer 2013Z17389

  • 3. Beschouwing van de rechtsstatelijke ontwikkelingen in Hongarije, brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 augustus 2012, Kamerstuk 21 501-20, nr. 809

  • 4. Fiche: Verordeningen aanpassing comitologie post-Lissabon (PRAC – delegatie), brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 30 augustus 2013, Kamerstuk 22 112, nr. 1674