Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201321501-02 nr. 1258

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1258 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 mei 2013

Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad Buitenlandse Zaken van 27 mei 2013. Dit verslag is tevens een antwoord op het verzoek van het lid Omtzigt over Syrië tijdens de regeling van werkzaamheden van 28 mei jl. (Handelingen II 2012/13, nr. 87)

De minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

VERSLAG RAAD BUITENLANDSE ZAKEN 27 MEI 2013

Zuiderburen/Syrië

De situatie in Syrië kwam uitgebreid aan de orde, met name de recente inspanningen om politieke onderhandelingen tussen partijen tot stand te brengen en de EU sancties tegen Syrië.

De ministers spraken hun ontzetting en veroordeling uit over het toenemende geweld en de mensenrechtenschendingen in Syrië. Zij waren bezorgd over de spill over effecten in de regio en herhaalden hun oproep om een einde te maken aan het geweld. De ministers onderstreepten het belang van een politieke oplossing van het conflict en verwelkomden het gezamenlijke initiatief van de VS en Rusland tot een internationale bijeenkomst over Syrië met als doel een politieke oplossing te vinden. De EU zal aan het succes van dit initiatief ook blijven werken met de VN, de Arabische Liga, de Speciaal Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties en de Arabische Liga, Lakhdar Brahimi, en alle andere betrokkenen die zich inzetten voor een succesvolle uitkomst.

De Raad moedigde de Syrian National Coalition for Opposition and Revolutionary Forces (SOC) aan om deel te nemen aan Genève II. Tevens riep de Raad de SOC en alle oppositiegroeperingen op om te komen tot een sterkere en meer verenigde oppositie om op die manier een geloofwaardig alternatief te vormen voor alle Syriërs.

De Raad onderstreepte opnieuw de humanitaire behoeften van Syrië en zijn buurlanden via alle mogelijk kanalen te willen adresseren. Mede op Nederlands aandringen riep de Raad alle donoren op om hun toezeggingen op het gebied van humanitaire hulp volledig na te komen. Onder andere in het licht van de groeiende zorg over de positie van vrouwen in Syrië en in vluchtelingenkampen, zal Nederland tijdens de Mensenrechtenraad op 11 juni a.s. met de NGO Women’s International Leage for Peace and Freedom een side-event organiseren over de gevolgen van oorlog voor vrouwen in Syrië. Nederland werkt tevens aan een side-event over de politieke participatie van vrouwen in Syrië tijdens de Ministeriële week van de AVVN in september a.s.

De Raad voerde een uitgebreide discussie over de vernieuwing van de sancties tegen Syrië, en in het bijzonder het wapenembargo. Hierbij bleek opnieuw dat sommige lidstaten via opheffing van het wapenembargo voor de gematigde oppositie de constructieve deelname van de Coalitie aan de Geneve-II besprekingen wilden bevorderen. Tegelijkertijd wordt, volgens deze lidstaten, de druk op Assad om zich tijdens de Geneve-II-besprekingen eveneens constructief op te stellen opgevoerd. Anderen waren echter van mening dat de EU het wapenembargo moest handhaven in de tot 1 juni 2013 geldende vorm. Nederland heeft zich met onder andere Duitsland intensief ingespannen om een compromis te bereiken, zodat niet op 1 juni 2013 het gehele sanctiepakket tegen Syrië zou komen te vervallen. Nederland heeft hierbij tegelijkertijd benadrukt weinig merites te zien in het brengen van nog meer wapens naar de regio.

De Raad bereikte uiteindelijk overeenstemming over de vernieuwing van het EU-sanctiepakket tegen Syrië voor een periode van twaalf maanden, met uitzondering van het wapenembargo. Sancties op het terrein van onder andere de olie- en financiële sector, alsook de reisrestricties (visumban) en bevriezingen van tegoeden blijven van kracht. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt op de sancties in de financiële sector ten gunste van de gematigde oppositie, in vervolg op het Raadsbesluit van 22 april jl. waarmee de economische sancties ten aanzien van de olie- en energiesectoren niet langer op de gematigde oppositie van toepassing werden verklaard.

Met betrekking tot de mogelijke export naar Syrië van militaire uitrusting, alsmede van uitrusting die zou kunnen worden gebruikt voor interne repressie, maakten de lidstaten separate afspraken, die in een Raadsverklaring zijn vastgelegd. Ten eerste is afgesproken dat in het licht van de voorbereiding van de Geneve-II-conferentie de lidstaten op dit moment niet overgaan tot levering van wapens. HV Ashton zal vóór 1 augustus een rapport opstellen over de ontwikkelingen gerelateerd aan het Russisch-Amerikaanse initiatief, waarbij de bijdrage van alle Syrische partijen zal worden meegewogen en de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal worden geconsulteerd. Op basis van dit rapport zal de EU vóór 1 augustus haar positie opnieuw bezien.

De lidstaten kwamen tegelijkertijd overeen dat eventuele toekomstige wapenleveranties aan strikte voorwaarden gebonden zijn. Dergelijke exporten mogen alleen ten gunste van de Syrian National Coalition for Opposition and Revolutionary Forces komen en moeten bedoeld zijn voor de bescherming van burgers. Lidstaten die militaire uitrusting leveren, moeten tegelijkertijd beschikken over adequate waarborgen om misbruik tegen te gaan, met name in de vorm van informatie over het eindgebruik en de eindbestemming van te leveren goederen. Ten slotte zullen lidstaten eventuele toekomstige verzoeken om exportvergunningen van geval tot geval moeten beoordelen, met inachtneming van de criteria van het wapenexportbeleid van de EU (Gemeenschappelijke Positie 944/2008). Het is aan de lidstaten om procedures voor het volgen van geleverde wapens uit te werken. Lidstaten zijn zelf bevoegd als het om wapenexportbeleid gaat; niet de EU.

Aan de eventuele levering van wapens zijn voor de leverende lidstaten eveneens volkenrechtelijke aspecten verbonden. Uitgangspunt hierbij is het verbod op inmenging in de interne aangelegenheden van andere staten. Dit non-interventiebeginsel is internationaal gewoonterecht. Een aantal lidstaten, alsmede de Juridische Dienst van de Raad, is van mening dat door de erkenning door de EU van de Syrian National Coalition for Opposition and Revolutionary Forces als de legitieme vertegenwoordiging van het Syrische volk en de daaruit volgende afnemende legitimiteit van het regime van Assad leveringen aan de oppositie in lijn kunnen zijn met het volkenrecht. Deze lidstaten en de Juridische Dienst van de Raad stellen eveneens dat het volkenrechtelijk toegestaan kan zijn om een partij in een conflict te steunen als een andere partij wordt gesteund door derde landen. Andere lidstaten zijn echter van mening dat wapenleveranties in strijd kunnen zijn met het volkenrecht.

Het is van belang in dit verband te onderstrepen dat het niet de EU is die wapens levert, maar dat het individuele lidstaten zijn die op basis van internationaal recht en hun nationale wetgeving en met inachtneming van de criteria van het wapenexportbeleid van de EU een besluit kunnen nemen over het leveren van militair materiaal. Het kabinet is niet voornemens wapens aan de Syrische oppositie te leveren.

Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB)

De ministers spraken, ter voorbereiding van de discussie die de Europese Raad van december 2013 hierover zal voeren, over maatregelen om het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) effectiever en zichtbaarder te maken. HV Ashton sprak de verwachting uit binnen drie clusters (versterking defensiecapaciteiten, effectiever GVDB en defensiemarkt en -industrie) tot concrete maatregelen te komen. HV Ashton wil het veiligheidsbeleid in brede zin bezien, met inbegrip van bijvoorbeeld nieuwe dreigingen, energiezekerheid en maritieme veiligheid.

In het bijzonder stelde HV Ashton voor de planning en uitvoering van civiele missies te verbeteren en de besluitvormingsprocedures voor het starten van missies te vereenvoudigen. Op die manier zou de EU sneller en adequater kunnen reageren op crises en conflicten. Meerdere ministers spraken hun steun uit voor deze benadering. Ook bepleitten velen het optimaliseren van de effecten van activiteiten in het kader van het GVDB door deze deel te laten zijn van een geïntegreerde benadering van buitenlandspolitieke en veiligheidsdossiers.

Tijdens hun informele overleg in september a.s. («Gymnich») zullen de ministers nader op dit onderwerp ingaan.

Mali/Sahel

HV Ashton schetste de stand van de inspanningen van de EU ten behoeve van Mali. Zij refereerde aan de donorconferentie voor Mali van 15 mei jl., waar door donoren in totaal € 3,25 miljard werd toegezegd om Mali op de korte termijn te stabiliseren. De EU, Mali en Frankrijk werken aan opvolging van de donorconferentie door middel van een monitoringsplan. Tegelijkertijd blijft de EU een vlot verloop van het politieke proces in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 28 juli a.s. en van het verzoeningsproces waar mogelijk bevorderen. EUTM Mali maakt goede vooruitgang met het trainen van het Malinese leger en het onder civiele controle brengen van het leger, aldus HV Ashton.

In zijn conclusies bevestigde de Raad de steun van de EU aan de voorbereidingen van het verkiezingsproces door middel van financiële en technische assistentie en een verkiezingswaarnemingsmissie. De ministers onderstreepten andermaal het belang van bescherming van mensenrechten en het internationale humanitaire recht; alle mensenrechtenschenders moeten voor hun daden verantwoordelijk worden gesteld. De ministers moedigden de Verzoeningscommissie aan zo spoedig mogelijk een inclusieve nationale dialoog tot stand te brengen tussen de Malinese autoriteiten en non-terroristische en non-criminele groepen uit het noorden. Zij verwelkomden inspanningen van AFISMA en de omvorming van deze missie naar een VN-stabilisatiemissie MINUSMA in het kader van VN-Veiligheidsraadresolutie 2100 (2013). De Raad bevestigde zijn steun aan de regio in de strijd tegen terrorisme en de bevordering van veiligheid en ontwikkeling.

Midden-Oosten Vredesproces (MOVP)

De bespreking over het MOVP werd wegens tijdgebrek uitgesteld tot de bijeenkomst van 24 juni a.s.

Libië

Graag benut ik de gelegenheid u erover te informeren dat Nederland voornemens is ongeveer vijf personen bij te dragen aan de civiele grensbewakingsmissie European Union Integrated Border Management Assistance Mission in Libya (EUBAM Libië). De selectie van deelnemers aan deze missie vindt momenteel plaats. De missie zal begin juni worden ontplooid in de hoofdstad Tripoli en ondersteunt de Libische autoriteiten bij het versterken van de grensbewaking en het ontwikkelen van Integrated Border Management (IBM). Het kabinet acht het van groot belang Libië te ondersteunen bij rechtsstaatontwikkeling, democratisering en economische ontwikkeling. De missie biedt kans mensenrechten, gender en rule of law aspecten te verankeren in het beleid en de praktijk van de Libische grensbewaking. Het mandaat van de missie loopt tot medio 2015.