Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201321501-02 nr. 1188

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1188 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2012

Hierbij bieden wij u aan het verslag van de Raad Algemene Zaken (RAZ) d.d.

16 oktober 2012.

De minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H. P. M. Knapen

Verslag van de Raad Algemene Zaken d.d. 16 oktober 2012

Voorbereiding Europese raad d.d. 18-19 oktober

Groeipact

Zoals gebruikelijk bereidde de Raad Algemene Zaken (RAZ) de eerstvolgende bijeenkomst van de Europese Raad (ER) voor, in dit geval de ER van 18-19 oktober a.s.

Daarbij is kort gesproken over het Groeipact (Compact for Growth and Jobs) dat juni jl. door de staatshoofden en regeringsleiders overeengekomen is. De aanstaande ER zal, zoals bekend, de stand van zaken opnemen wat betreft uitvoering van het Groeipact. Daarnaast zal de ER in algemene zin van gedachten wisselen over de Europese Groei-agenda. Nederland heeft tijdens de RAZ bij monde van staatssecretaris Knapen wederom aandacht gevraagd voor het belang van het vaart zetten achter het implementeren van gemaakte afspraken op het terrein van de interne markt. Dit ten einde het groeipotentieel van de Europese economie ten volle te kunnen benutten.

Bespreking tussenrapport over de toekomst van de EMU

Tijdens de Raad Algemene Zaken (RAZ) hebben de ministers gesproken over het tussenrapport over de toekomst van de EMU van de voorzitter van de Europese Raad, de heer van Rompuy, waarbij nauw is samengewerkt met de Europese Commissievoorzitter Barroso, ECB-president Draghi en Eurozonevoorzitter Juncker. De Nederlandse inbreng verliep langs de lijnen zoals neergelegd in Kamerbrief inzake de kabinetsappreciatie van dit tussenrapport (Kamerstuk 21 501-20, nr. 688).

In algemene zin was er waardering voor het werk van de vier presidenten. Verschillende lidstaten benadrukten het belang van een transparant proces en de integriteit van de interne markt. Behalve Nederland waren ook andere landen van mening dat de Europese Raad van oktober niet vooruit moet lopen op besluitvorming door de Europese Raad van december.

Verschillende lidstaten pleitten voor snelle voortgang ten aanzien van bankentoezicht, terwijl voor andere lidstaten, waaronder Nederland, dit onderwerp weliswaar prioriteit heeft maar kwaliteit in de uitwerking van de voorstellen voorop staat. ER-voorzitter van Rompuy stelde dat voor hem totstandkoming van een Europees toezichtmechanisme voor banken de hoogste prioriteit heeft.

Ten aanzien van een geïntegreerd begrotingskader riep het voorstel over fiscal capacity bij een meerderheid van de lidstaten veel vragen op, onder andere over hoe dit voorstel zich verhoudt tot reeds bestaande instrumenten. Nederland gaf in aanvulling daarop aan, dat de beste manier voor lidstaten om zich voor te bereiden op economische schokken het versterken van groei, concurrentievermogen en begrotingsconsolidatie is.

Het idee van lidstaatcontracten riep eveneens vragen op, waarbij Nederland en verschillende andere lidstaten benadrukten dat er al stevige afspraken zijn gemaakt (Europees Semester, Europluspact en de macro-economische onevenwichtigheden procedure) die optimaal benut en – waar mogelijk – versterkt dienen te worden. Wanneer deze contracten alleen betrekking zouden hebben op landen die de regels van het Stabiliteits- en Groei Pact (SGP) en de Macro-Economische Onevenwichtigheden Procedure (MEOP) niet naleven, en de Commissaris voor Economische en Monetaire zaken een centrale en autonome rol krijgt, zou dit aansluiten bij eerdere Nederlandse voorstellen hieromtrent. Ten slotte vroegen enkele landen, waaronder Nederland, naar de wijze waarop dit voorstel zich verhoudt tot de landen-specifieke aanbevelingen en conditionaliteiten t.a.v. cohesiefondsen.

Een groot aantal lidstaten, waaronder Nederland, was van mening dat de rol van nationale parlementen in alle elementen die de EMU aangaan versterkt moet worden. Hierdoor zou de legitimering van de maatregelen in het kader van de EMU verbeteren en bijvoorbeeld ook het principe van subsidiariteit beter kunnen worden gewaarborgd.

Cohesie Verordeningen

De RAZ bereikte een gedeeltelijke algemene oriëntatie (partial general approach) op een zevental deelonderwerpen van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid. Zoals bekend geldt daarbij het principe dat «nothing is agreed until everything is agreed». Aan de orde kwamen de onderwerpen:

  • 1. Territoriale Ontwikkeling;

  • 2. Europese Territoriale Samenwerking;

  • 3. Informatie & Communicatie en Technische Bijstand;

  • 4. Financiële zaken niet in het Meerjarig Financieel Kader;

  • 5. Indicatoren en;

  • 6. Management & Controle en;

  • 7. Landenspecifieke Aanbevelingen.

Nederland kan goed leven met de tijdens de RAZ bereikte algemene oriëntatie.

Wat betreft het zevende punt – de rol van de landenspecifieke aanbevelingen, dat tussentijds aan het aan de RAZ voorliggende pakket was toegevoegd – diene het volgende. De Commissie brengt landenspecifieke aanbevelingen uit in het kader van het Europees Semester. De aanbevelingen geven belangrijke sturing aan de nationale programma’s en partnerschapovereenkomsten voor het cohesiebeleid in de periode 2014–2020. Waar de RAZ van 24 april jl. nog geen overeenstemming op dit punt kon bereiken, werd tijdens onderhavige RAZ-bijeenkomst wel een algemene oriëntatie overeengekomen. Deze voorziet er in dat alleen de landenspecifieke aanbevelingen die relevant zijn voor het cohesiebeleid zullen worden meegenomen in de nationale programmering.

Commissaris Hahn van Regionaal Beleid benadrukte dat de onderhandelingen over het wetgevingspakket een kwaliteitsverbetering hebben opgeleverd ten aanzien van de toekomstige cohesie-uitgaven. De Commissie maakte evenwel bezwaar tegen de voorgestelde verhoging van het maximale percentage van middelen dat tussen categorieën regio’s mag worden verschoven (van 2% naar 3%). Ze kreeg daarvoor steun van een enkele lidstaat maar kon niet voorkomen dat de Raad uiteindelijk toch instemde met het verhoogde percentage (3%).

De Commissie was tevens teleurgesteld over de overeengekomen afzwakking van verplichtingen voor lidstaten op het gebied van informatie en communicatie. Op deze wijze hebben de lidstaten echter kunnen bewerkstelligen dat administratieve lasten op deze gebieden verantwoord worden verlicht.

Enkele (Oost-Europese) lidstaten deden een pleidooi voor verhoging (van 7% naar 10%) van het

maximale percentage van middelen dat aan technische bijstand mag worden uitgegeven. Dit zou het voor deze lidstaten mogelijk maken technische bijstand geheel ten laste te brengen van het Cohesiefonds. De Commissie, daarbij gesteund door vele lidstaten, achtte deze verhoging onacceptabel, omdat de middelen zoveel mogelijk ten goede moeten komen aan groei en banen, en niet aan technische assistentie.

Ten slotte maakte de Commissie bezwaar, daarbij gesteund door een enkele lidstaat, tegen het schrappen van de verplichting voor transitieregio's om de toegevoegde waarde (additionaliteit) van bestedingen uit cohesiemiddelen aan te tonen. Voor sommige lidstaten zal het aantonen van de toegevoegde waarde een te grote last vormen, omdat ontvangsten uit structuurfondsen te klein zijn ten opzichte van de totale omvang van de economie. Uiteindelijk werd een compromis bereikt door in een voetnoot vast te leggen dat verificatie van toegevoegde waarde pro rato toe te staan.

De RAZ bereikte eerder – op 24 april en op 26 juni jl. – al gedeeltelijke algemene oriëntaties op andere onderdelen van het wetgevingspakket. Het is de verwachting van het voorzitterschap dat over de resterende onderwerpen, waaronder het Gemeenschappelijk Strategisch Kader, vóór het einde van 2012 overeenstemming wordt bereikt.

Meerjarig Financieel Kader

Voorafgaande aan de Raad vond er een informeel ministerieel ontbijtoverleg plaats over het EU Meerjarig Financieel Kader voor 2014–2020. Aan dit overleg nam ook een delegatie van het Europees Parlement deel.

Het voorzitterschap had voorgesteld tijdens het overleg in het bijzonder aandacht te schenken aan horizontale kwesties zoals de vormgeving van macro-economische conditionaliteiten, het verbeteren van de kwaliteit van uitgaven (Better Spending), begrotingsflexibiliteit en de RAL (aangegane begrotingsverplichtingen die worden meegenomen naar het nieuwe MFK).

Staatssecretaris Knapen had voorafgaand aan dit ontbijtoverleg een bijeenkomst met de gelijkgezinde lidstaten om een gezamenlijke boodschap voor te bereiden. Deze bestond uit zes elementen:

  • 1. Bezuinigingen op Europese uitgaven noodzakelijk (Commissievoorstel verminderen met 100 miljard euro);

  • 2. Alle uitgaven moeten onder het MFK gebracht worden, geen flexibiliteit bovenop het MFK;

  • 3. Forse besparingen nodig op de administratieve uitgaven;

  • 4. Besparingen op de structuurfondsen zijn onvermijdelijk;

  • 5. Steun voor de Better Spending agenda: de effectiviteit van Europese uitgaven moet omhoog;

  • 6. De RAL-problematiek moet worden aangepakt.

In aanvulling op voorgaande punten, die tijdens het informele ontbijtoverleg namens de like-minded groep werden uitgedragen, onderstreepte Staatssecretaris Knapen in zijn interventie bovendien de Nederlandse prioriteiten bij de onderhandeling over een MFK voor de periode 2014–2020, waaronder de eis de afdrachtenkorting op het huidige niveau te handhaven.

Zoals bekend, is het voorzitterschap voornemens tijdens de extra Europese Raad van 22-23 november a.s. een finaal akkoord te bereiken op het nieuwe MFK.

AOB: Geïntegreerd Maritiem Beleid

Onder agendapunt «overig» informeerde het voorzitterschap de Raad over de uitkomsten van de informele ministeriële bijeenkomst over het Europees Geïntegreerd Maritiem Beleid, die op 7 en 8 oktober jl. plaatsvond op Cyprus. Belangrijkste uitkomst van deze bijeenkomst is de door de lidstaten vastgestelde Verklaring van Limassol. Deze verklaring bevat een economische agenda voor mariene en maritieme sectoren in de EU voor de komende jaren en geeft zo een hernieuwde impuls aan het Geïntegreerd Maritiem Beleid. Staatssecretaris Atsma zal uw Kamer op korte termijn meer in detail informeren over de uitkomsten van de bijeenkomst.