21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1051 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 april 2011

Graag bieden wij u hierbij aan de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 april 2011.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken d.d. 12 april 2011

Arabische regio

De Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) zal spreken over de situatie in de Arabische wereld, inclusief Libië, Jemen en Syrië. Inzake Egypte en Tunesië zal de Raad bezien welke concrete stappen de EU op basis van de Mededeling «een Partnerschap voor Democratie en Welvaart» kan nemen, in het bijzonder in aanloop naar de aangekondigde verkiezingen in beide landen. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de besluiten van de Europese Raad (ER) (zie ook het ER-verslag d.d. 24–25 maart jl., Kamerstuk 21 501, nr. 528). Ten aanzien van Libië zal onder andere worden gesproken over de opvolging van de ministeriële conferentie in Londen van 29 maart jl., waarvan het verslag is opgenomen in de aanvullende brief aan de Tweede Kamer inzake de Nederlandse bijdrage aan de uitvoering van de VN-Veiligheidsraad resolutie 1973 (kenmerk DVB/CV-086/11). Naar verwachting zal ook gesproken worden over de inzet van GVDB-middelen ter ondersteuning van de humanitaire hulp in Libië. De planning voor de mogelijke start van een GVDB-missie vindt momenteel plaats. De plannen richten zich op een mogelijke bijdrage aan evacuatie van personen en op het verlenen van specialistische capaciteiten ten behoeve van humanitaire hulpverlening. De missie zal alleen worden gestart indien de VN-noodhulporganisatie OCHA hier expliciet om verzoekt.

Het kabinet meent dat de EU-samenwerking met landen in de regio gericht moet zijn op snelle uitwerking van een coherent pakket maatregelen ter ondersteuning van democratische transitie en economische ontwikkeling en zet in op een eensgezinde internationale strategie, zoals is verwoord in de brief aan de Tweede Kamer over de Arabische regio d.d. 25 maart jl. Het kabinet zal daarbij, naast steun voor verkiezingsprocessen, andere democratiseringsactiviteiten en het maatschappelijk middenveld, met name pleiten voor verbetering van markttoegang voor producten uit de regio en voor het optimaal inzetten in de regio van beschikbare EU-middelen (Nabuurschapsmiddelen, Europese Investeringsbank). Voorwaarde blijft wel dat landen in de regio democratische en rechtstatelijke hervormingen doorvoeren, in het bijzonder het garanderen van vrijheid van meningsuiting en bescherming van rechten van religieuze minderheden. Ook zal het kabinet expliciet aandacht vragen voor het belang om vrije toegang tot het internet te bevorderen. In navolging van de motie-Pechtold/Timmermans kan het kabinet melden dat de aanvraag voor een AIV-advies inzake de Arabische regio in gang is gezet.

Het kabinet ziet de in Londen opgerichte Contactgroep voor Libië als belangrijk platform om de internationale respons ten aanzien van Libië te coördineren en zal pleiten voor een zo breed mogelijke betrokkenheid van landen uit de regio. Wat betreft een mogelijke GVDB-missie in Libië benadrukt het kabinet dat hieraan een verzoek van de VN-noodhulporganisatie OCHA aan ten grondslag moet liggen. Het kabinet zal zekerstellen dat een operatieplan de beginselen van VNVR-resolutie 1325 over de rol van vrouwen in gewapende conflicten in acht neemt.

Het zal van actuele ontwikkelingen afhangen in hoeverre de RBZ zal ingaan op situaties in afzonderlijke landen in de regio.

Midden-Oosten Vredesproces

De ministers zullen spreken over de stand van zaken van het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP), ingeleid door een verslag van Hoge Vertegenwoordiger (HV) Ashton over haar contacten met Kwartetpartners en over de gesprekken van de Kwartetgezanten met vertegenwoordigers van Israël en de Palestijnen die afgelopen maand plaatsvonden.

De recente bomaanslag in Jeruzalem, de moord op het kolonistengezin in Itamar, de aanhoudende en toenemende raketaanvallen vanuit Gaza en de Israëlische vergeldingsacties zetten het MOVP onder grote druk. De tijd en ruimte om de impasse te doorbreken waarin het MOVP sinds het aflopen van het nederzettingenmoratorium verkeert, zijn aan het afnemen. De ontwikkelingen in de Arabische regio – met name in de onmiddellijke buurlanden – hebben tot op heden niet geleid tot een waarneembaar groter gevoel van urgentie bij Israël en de Palestijnen. Ook de recente Kwartetbijeenkomsten hebben vooralsnog niet geleid tot reactivering van het MOVP.

Het is de vraag of onder deze omstandigheden, en zeker gezien de voortgaande ontwikkelingen in de Arabische regio, de uitgestelde ministeriële Kwartetbijeenkomst medio april een doorbraak kan bereiken. De inzet van het Kwartet blijft om te komen tot onmiddellijke hervatting van de rechtstreekse onderhandelingen, zonder voorwaarden vooraf, gericht op het bereiken van een raamwerkakkoord per september 2011. Mogelijk zullen enkele lidstaten bepleiten dat de EU zich ervoor inzet dat het Kwartet in een Kwartetverklaring parameters (op het gebied van grenzen, veiligheid, vluchtelingen en status van Jeruzalem) voor een akkoord noemt.

Het kabinet staat een actieve rol van de EU voor en bepleit nauwe samenwerking met de VS in de context van het Kwartet. De ontwikkelingen in de regio hebben de context van het conflict gewijzigd, met mogelijk gevolgen voor de Israëlische en Palestijnse opstelling. Dit zal weerspiegeld moeten worden in de inzet van de EU in de Kwartetbijeenkomst en daarmee in de inzet van het Kwartet in het conflict.

Zuidelijke Kaukasus

De ministers zullen naar verwachting spreken over diverse ontwikkelingen met betrekking tot de Zuidelijke Kaukasus, te weten de aanhoudende spanningen rond het Nagorno-Karabakh conflict en de afvallige gebieden in Georgië, alsmede de besprekingen over een Deep and Comprehensive Free Trade Agreement (DCFTA) tussen Georgië en EU.

Het kabinet is bezorgd over het risico van escalatie van het Nagorno-Karabakh conflict. In de afgelopen periode is de retoriek van partijen agressiever van karakter geworden. Het conflict staat democratische hervormingen in zowel Azerbeidzjan als Armenië in de weg. Dat het recente overleg tussen de presidenten van de Russische Federatie, Armenië en Azerbeidzjan in Sochi op 5 maart jl. in goede sfeer verliep en dat een vervolgbijeenkomst zal plaatsvinden, is een ontwikkeling in de goede richting. Nederland blijft de vredesbesprekingen in het kader van de OVSE-Minsk Groep steunen.

Het kabinet steunt de Genève-vredesbesprekingen inzake de afvallige Georgische regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië en roept betrokken partijen op de dialoog voort te zetten en zich in te spannen voor het vinden van een oplossing. Deelname van de Verenigde Naties als co-voorzitter van de vredesbesprekingen is essentieel.

Het kabinet is voorts met de Europese Commissie van mening dat Georgië alle door de EU opgestelde aanbevelingen voor de implementatie van technische voorschriften op velerlei terrein dient op te volgen alvorens onderhandelingen over een Deep and Comprehensive Free Trade Agreement van start kunnen gaan.

Wit-Rusland

De Raad zal spreken over de ontwikkelingen in Wit-Rusland. Aanleiding vormen de veroordeling van enkele deelnemers aan de demonstratie na de presidentsverkiezingen op 19 december jl. en de voortdurende intimidatie van oppositionele krachten door de autoriteiten.

Het kabinet veroordeelt de gang van zaken in Wit-Rusland scherp en is van mening dat de EU de mensenrechtenschendingen in Wit-Rusland moet blijven veroordelen en het regime moet blijven oproepen politieke gevangenen vrij te laten en te stoppen met de intimidaties. Gezien de ontwikkelingen is het wenselijk te onderzoeken welke aanvullende sanctiemaatregelen kunnen worden getroffen, bijvoorbeeld op economisch terrein. Op 31 januari en 21 maart jl. werd het EU-inreisverbod tegen president Loekasjenko en zijn getrouwen uitgebreid. Het verbod treft nu 175 personen. Mede op aandringen van Nederland zijn hierbij ook de tegoeden van betrokkenen bevroren en is het EU-beleid van toenadering ten aanzien van Wit-Rusland opgeschort. Eventuele verdere maatregelen van de EU zullen – net als het huidige pakket – specifiek gericht moeten zijn tegen het regime en mogen de bevolking niet onnodig treffen. Nederland blijft zich bilateraal inzetten voor de Wit-Russische dissidenten.

EU-mensenrechtenstrategie

De Raad zal een oriënterende discussie voeren over de contouren van het toekomstige EU-mensenrechtenbeleid. Deze discussie vloeit voort uit de toezegging die HV Ashton heeft gedaan aan het Europees Parlement om in 2011 een EU-mensenrechtenstrategie te presenteren. Het doel is te komen tot geïntegreerd Europees mensenrechtenbeleid waarbij de verschillende instrumenten die de Unie tot haar beschikking heeft met sterkere onderlinge samenhang worden ingezet. Hierbij zal worden voortgebouwd op de «best practices» van het huidige mensenrechtenbeleid. Beoogd wordt dat de Raad de nieuwe strategie juni a.s. aanneemt.

Het kabinet is voorstander van effectief, coherent Europees mensenrechtenbeleid. De EU moet haar sterke profiel op het gebied van mensenrechten handhaven en verstevigen door consistent op te treden en slim gebruik te maken van haar verschillende beleidsinstrumenten om respect voor mensenrechten wereldwijd te bevorderen. Hiertoe dienen duidelijke prioriteiten te worden gesteld. Het kabinet zal in dit verband pleiten voor ruime aandacht voor de positie van religieuze minderheden en vrijheid van meningsuiting, inclusief die op internet. Voorts zijn voor Nederland prioritair: vrouwenrechten, de rechten van homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, de strijd tegen kinderarbeid en tegen de doodstraf, marteling en verdwijningen.

De strategie zal aandacht moeten besteden aan de horizontale inbedding van mensenrechten in het interne en externe beleid van de EU. HV Ashton heeft meermaals gezegd mensenrechten als een «zilveren draad» in haar beleid te zien. Als vicevoorzitter van de Commissie kan de HV hierbij haar coördinerende rol ten aanzien van het gehele EU-externe beleid inzetten, waaronder handelsbeleid en ontwikkelingssamenwerking. De EU-inzet is erop gericht dat mensenrechten, in de vorm van zogenaamde essentiële clausules, deel uitmaken van de verdragsrechtelijke relatie van de EU met derde landen.

Voor een succesvolle uitvoering van het Europese mensenrechtenbeleid is het noodzakelijk dat de lidstaten en de EU hun activiteiten en posities op elkaar afstemmen. Goed afgestemd handelen vergroot het gewicht van de EU tegenover bilaterale partners en in multilaterale organisaties. De HV heeft hierin een belangrijke leidende en verbindende rol te spelen. Ook dient er zowel op het hoofdkwartier van de Europese Dienst Extern Optreden (EDEO) als binnen de EU-delegaties in derde landen voldoende mensenrechtenexpertise aanwezig te zijn.

Stand van zaken EDEO

HV Ashton zal de stand van de opbouw van de EDEO toelichten. De ministers zullen bezien hoe het optreden van de EDEO verder geoptimaliseerd kan worden. Wat Nederland betreft, is de EDEO een belangrijk instrument om de belangen van de Unie èn van Nederland te waarborgen. De Dienst draagt ertoe bij dat de EU daadkrachtig, efficiënt en eensgezind kan optreden.

Het is voor Nederland van belang dat de EDEO geen dienst wordt die concurreert met de lidstaten, maar hiermee juist goed samenwerkt. Mede dankzij overleg in de RBZ en de daaronder vallende comités en werkgroepen draagt de EDEO tot nu toe bij aan de versterking van de synergie tussen het werk van de EU en de lidstaten. Nederland zal samen met Benelux-partners voorstellen ontwikkelen om deze samenwerking te bevorderen, bijvoorbeeld door intensievere afstemming van kernboodschappen aan derden en betere coördinatie bij evacuaties. Recente ervaringen zoals in Egypte en Libië vormen overtuigende redenen om spoedig meer werk te maken van gezamenlijke en gecoördineerde aanpak van consulaire zaken.

Ivoorkust

Waarschijnlijk zal het escalerende geweld in Ivoorkust aan de orde komen. Confrontaties tussen gewapende aanhangers van Gbagbo en de legitiem gekozen president Ouattara hebben inmiddels (stand 30 maart) geleid tot meer dan 460 dodelijke slachtoffers en ongeveer 1 miljoen vluchtelingen. Recente berichten maken ook melding van de inzet van zware wapens. De Afrikaanse Unie heeft José Brito, voormalig minister van Buitenlandse Zaken van Kaapverdië, aangesteld als AU-Hoge Vertegenwoordiger voor Ivoorkust. President Ouattara heeft echter laten weten deze benoeming niet te zullen accepteren.

De VN-Veiligheidsraad heeft op 30 maart jl. een resolutie aangenomen waarin deze geweld tegen burgers en de VN Vredesmacht UNOCI en de schendingen van mensenrechten veroordeelt. UNOCI krijgt in de resolutie steun en autorisatie om binnen haar mandaat «all neccessary means» te gebruiken ter bescherming van de burgerbevolking. Ook worden in de resolutie sancties aangekondigd tegen Gbagbo en enkele personen uit zijn entourage. De EU had in januari al maatregelen tegen Gbagbo en zijn getrouwen getroffen. In EU-verband wordt nu gesproken over mogelijke uitbreiding van het sanctieregime tegen Ivoorkust. Daarnaast heeft de Europese Commissie de noodhulp voor Ivoorkust verhoogd tot 30 miljoen Euro.

Het kabinet blijft zich in EU-verband inzetten voor gerichte maatregelen tegen Gbagbo en zijn aanhangers die de Ivoriaanse bevolking en de regionale handel waar mogelijk ontzien. Het kabinet steunt de Afrikaanse diplomatieke inspanningen om een oplossing te vinden voor de ontstane crisis. Ook draagt Nederland 1 miljoen euro bij aan het hulpverzoek van de VN voor opvang van Ivoriaanse vluchtelingen in Liberia.

Op dit moment bevinden zich nog 25 Nederlanders in Ivoorkust met 15 naaste familieleden van een andere nationaliteit. Alle Nederlanders is herhaaldelijk dringend verzocht te vertrekken met de mededeling dat consulaire hulp van Nederland zo goed als onmogelijk is. Eventuele evacuatie van EU-burgers zal worden geleid door Frankrijk.

Naar boven