Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-02 nr. 1008

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1008 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2010

Graag bied ik u hierbij de halfjaarlijkse rapportage aan van de hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal (ICTY), de heer Brammertz, aan de VN-Veiligheidsraad. Het betreft zowel zijn schriftelijke rapport als zijn mondelinge presentatie daarvan op maandag 6 december jongstleden in de VN-Veiligheidsraad.1

In zijn rapportage gaat de heer Brammertz onder andere in op de samenwerking van Servië, Bosnië-Herzegovina en Kroatië met het ICTY. Servië werkt volgens hem goed samen met het Tribunaal bij de lopende strafzaken. Hij is echter kritisch over de inspanningen van Servië om de twee resterende voortvluchtigen, Mladić en Hadzić, te arresteren – ook al heeft het land een aantal aanbevelingen uit zijn vorige rapport opgevolgd. Kroatië reageert volgens de heer Brammertz in het algemeen adequaat op zijn verzoeken om assistentie. Hij dringt evenwel aan op spoed bij het onderzoek van de Kroatische autoriteiten naar de vermiste artilleriedocumenten in de zaak tegen Gotovina c.s.. Over Bosnië-Herzegovina stelt de heer Brammertz dat de autoriteiten in het algemeen adequaat samenwerken met het ICTY, maar effectiever zouden moeten optreden tegen netwerken die hulp bieden aan veroordeelden of verdachten van oorlogsmisdaden.

De rapportage van de heer Brammertz is met name relevant in de context van het EU-toetredingsperspectief van de landen in de Westelijke Balkan. Zoals u bekend ben ik van mening dat volledige samenwerking met het ICTY een voorwaarde dient te zijn voor elke stap in het EU-toetredingsproces van de landen in deze regio. De rapportage van de heer Brammertz sterkt mij in die mening. Met deze brief voldoet het Kabinet aan de motie Braakhuis c.s. (motie (kamerstuk 21 501-20, nr. 478 d.d. 24 juni 2010).

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.