Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-02 nr. 1004

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1004 BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 december 2010

Graag bieden wij u hierbij aan de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 14 december 2010.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Uitbreiding

De Raad zal spreken over het uitbreidingspakket dat de Europese Commissie op 9 november jl. presenteerde. Het pakket bestaat naast een strategy paper uit de voortgangsrapportages voor de vier kandidaat-lidstaten (Kroatië, Macedonië, Turkije en IJsland), de voortgangsrapportages voor de potentiële kandidaat-lidstaten Bosnië-Herzegovina, Servië en Kosovo en het avis van de Commissie voor Albanië en Montenegro. Uw Kamer ging op 29 november jl. reeds een uitgebreide kabinetsreactie toe. Op 8 december zal hierover een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer plaatsvinden.

Conform het regeerakkoord zal Nederland een constructief-kritische lijn aanhouden in het debat over het uitbreidingspakket van de Commissie. Voor Nederland staat de EU-uitbreidingsstrategie van december 2006 centraal. Deze strategie gaat uit van de gedachte dat het tempo van toenadering tot de Unie afhankelijk is van de hervormingsresultaten die de individuele toetredingslanden boeken. Nederland zal daarbij aandacht vragen voor absorptiecapaciteit; het tempo van de uitbreiding moet afgestemd worden op de capaciteit van de Unie om nieuwe leden op te nemen. Daarbij dient geen sprake te zijn van «kalenderfixatie».

Bijzondere aandacht zal voorts uitgaan naar het voorstel van de Europese Commissie Montenegro de status van kandidaat-lidstaat te verlenen. Gelet op de vorderingen die Montenegro het afgelopen jaar in het toenaderingsproces heeft geboekt, kan de regering instemmen met een eventueel besluit van de Europese Raad van 16–17 december a.s. Montenegro deze status te verlenen. Voordat te zijner tijd toetredingsonderhandelingen met Montenegro kunnen worden gestart, dient het land evenwel nog maatregelen te nemen op het gebied van onder meer corruptiebestrijding en het tegengaan van politieke beïnvloeding van het openbaar bestuur.

Nederland is van mening dat een dialoog over een traject naar visumliberalisatie met Kosovo met de nodige waarborgen moet zijn omkleed. Kosovo komt pas in aanmerking voor visumvrij verkeer indien aan alle voorwaarden is voldaan.

Nederland is onverkort van oordeel dat Turkije uitvoering moet geven aan het Ankara-protocol. Daarnaast zal Nederland aandacht vragen voor de rechten van christelijke minderheden, vrouwen en kinderen.

Nederland onderkent dat Kroatië zich in de eindfase van de toetredingsonderhandelingen bevindt. Maar Nederland wil voorkomen dat de Raad Kroatië een streefdatum zal geven voor afronding van de toetredingsonderhandelingen. Nederland zal benadrukken dat Kroatië op het terrein van de rule of law een overtuigende staat van dienst dient op te bouwen.

EU-rampenrespons

De Raad zal spreken over versterking van de EU-rampenrespons op het gebied van humanitaire hulp en civiele bescherming. De Commissie heeft hierover op 26 oktober jl. een mededeling gepresenteerd. Daarin stelt de Commissie onder meer voor een European Emergency Response Capacity op te zetten: een pool waarin lidstaten bijstandsmodules kunnen aanmelden die door de Commissie bij rampenrespons kunnen worden ingezet. Daarnaast beoogt de Commissie versterking van bestaande rampenrespons-structuren tot een EU-crisisresponscentrum.

Nederland staat in principe positief tegenover versterking van de EU-rampenrespons. Nederland zal echter benadrukken dat initiatieven wel vraaggestuurd moeten zijn, gebaseerd op concrete lacunes in de respons ten tijde van een crisissituatie. Verder zal Nederland benadrukken dat initiatieven volledig moeten aansluiten op bestaande structuren en niet mogen leiden tot een extra EU-coördinatielaag. Besluitvorming over inzet via de voorgestelde pool moet een nationale verantwoordelijkheid blijven, ook omdat inzetkosten door de lidstaten worden gedragen. Een BNC-fiche over de Commissiemededeling gaat uw Kamer spoedig toe.

Cohesiebeleid

De Commissie zal het Vijfde Cohesieverslag presenteren dat zij op 9 november jl. publiceerde. Daarnaast zal het voorzitterschap een terugkoppeling geven van de informele ministeriële bijeenkomst inzake Cohesiebeleid van 22 en 23 november jl.

Het Vijfde Cohesieverslag, tevens openbaar consultatiedocument, gaat in op de bereikte resultaten van het Cohesiebeleid tot op heden. De Commissie schetst daarin ook de contouren voor een toekomstig Cohesiebeleid. Het kabinet werkt momenteel aan een kabinetsstandpunt ter zake. De Nederlandse inzet daarvoor zal in lijn zijn met het Nederlandse Position Paper Toekomst Cohesiebeleid dat uw Kamer is toegezonden op 16 juli jl. (Kamerstuk 21501-08, nr. 335) en kan niet los worden gezien van de bredere discussie over de Financiële Perspectieven na 2013. In het regeerakkoord is bepaald dat het kabinet zich zal inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten door Nederland aan de EU. Ook het cohesiebeleid zal zich dus naar budgettair krappere totaalkaders dienen te voegen.

Voortgangsrapportage Europa 2020-strategie

Mogelijk zal ten aanzien van de Europa 2020-strategie een gezamenlijk rapport van het Belgisch voorzitterschap en de Europese Commissie voorliggen dat de stand van de werkzaamheden weergeeft. Dit rapport is op moment van schrijven nog niet beschikbaar.

De Europese Commissie heeft de lidstaten verzocht in 2010 alvast een voorlopig Nationaal Hervormingsprogramma aan te leveren. Conform de wensen van de Europese Commissie omvat de voorlopige versie van het Nederlandse Hervormingsprogramma een macro-economisch scenario voor de komende jaren, de Nederlandse inzet op (een aantal van) de hoofddoelen van de Europa 2020-strategie, de belangrijkste knelpunten voor groei en de belangrijkste beleidsvoornemens van het kabinet op deze terreinen.

Het kabinet heeft het voorlopige Nationaal Hervormingsprogramma op 29 november jl. aan de Tweede Kamer gestuurd. Na bespreking ervan met de Tweede Kamer op 8 december a.s. zal het worden verstuurd naar de Europese Commissie. Het rapport weerspiegelt de ambities van het kabinet zoals neergelegd in het regeerakkoord. In het rapport wordt op basis van het regeerakkoord voor een deel van de Europese doelen van de Europa 2020-strategie een nationale vertaalslag gemaakt, te weten op het gebied van CO2-uitstoot, duurzame energie en voortijdige schoolverlaters. Voor de Europese doelen op het gebied van arbeidsparticipatie, Research & Development, energie efficiëntie, tertiair onderwijs en sociale inclusie zijn de nationale doelstellingen vooralsnog kwalitatief van aard. In het eerste «volledige» Nationaal Hervormingsprogramma in april 2011 zullen de ambities van het kabinet beleidsmatig nader worden uitgewerkt.

Voorbereiding Europese Raad 4 februari 2011

De Raad zal geannoteerde agenda vaststellen voor de Europese Raad (ER) van 4 februari 2011 die zich met name zal buigen over de thema’s innovatie en energie. Het kabinet zal uw Kamer hierover nader informeren op basis van het gebruikelijke voorbereidingstraject voor Europese Raden. Tijdens de aanstaande Raad Algemene zaken (RAZ) is geen inhoudelijk debat voorzien.

Voorbereiding Europese Raad 16–17 december

Het zwaartepunt van de komende ER ligt (wederom) op financieel-economische onderwerpen. De ER zal besluiten over een beperkte verdragswijziging ten behoeve van het permanent crisismechanisme. Daarnaast zal de ER de contouren van een dergelijk mechanisme overeenkomen. Op 28 november jl. deden de Europese ministers van Financiën reeds een aanzet daartoe. Verder zal de ER de voortgang inventariseren ten aanzien van de uitwerking van de voorstellen van de werkgroep Van Rompuy en de Commissie ter aanscherping van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP), met inbegrip van de discussie over de toerekening van pensioenhervormingen binnen het SGP. Als laatste financieel-economisch onderwerp zal de ER tijd besteden aan de manier waarop de krappe budgettaire situatie in de lidstaten gereflecteerd kan worden in de Europese uitgaven. De ER zal naar verwachting procedurele conclusies aannemen over de EU-begrotingsevaluatie. U werd over de Nederlandse inzet hierbij al geïnformeerd middels een Kamerbrief (Kamerstuk 22 112, nr. 1093). Mogelijk ligt aan de ER ook een eventueel besluit voor tot verlening van de status van kandidaat-lidstaat aan Montenegro. Tot slot zal een rapportage van de Hoge Vertegenwoordiger aan de ER voorliggen waarin de stand van werkzaamheden wordt geschetst ten aanzien van betere invulling van de relaties van de Unie met haar strategische partners (onder meer de VS, Rusland, China, Brazilië, Japan, India). Op dit onderwerp wordt nader ingegaan in de geannoteerde agenda voor de RBZ van 13 december a.s., die uw Kamer separaat toegaat.

Burgerinitiatief

Het voorzitterschap zal de RAZ informeren over de voortgang van de besprekingen met het Europees Parlement over de concept-verordening voor het Europees burgerinitiatief. De verordening is een uitwerking van artikel 11, lid 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Tijdens de RAZ van 14 juni jl. heeft de Raad al een algemene oriëntatie inzake het voorstel aangenomen, op basis waarvan de besprekingen met het Europees Parlement (EP) zijn gestart. De onderhandelingen met het EP zijn op het moment van schrijven nog gaande. Het EP zal waarschijnlijk rond half december stemmen over de eindtekst van de verordening, waarna de Raad waarschijnlijk begin volgend jaar een Raadsbesluit zal nemen. Voor Nederland is een belangrijk uitgangspunt dat het instrument zo uitvoerbaar en simpel mogelijk dient te zijn.

De huidige tekstversie bepaalt onder meer dat de verantwoordelijkheid voor invulling van de authenticiteitscontrole van steunbetuigingen bij de lidstaten zelf wordt gelegd, op basis van steekproeven kan worden uitgevoerd en geen controle van handtekeningen inhoudt. De huidige tekst stelt dat Nederland kan controleren op basis van naam, adres, woonplaats, geboortedatum en geboorteplaats. Aan Nederlandse burgers en ingezetenen zal daarom geen burgerservicenummer of paspoortnummer worden gevraagd. Een ander belangrijk punt van discussie betrof het moment van toetsing van de ontvankelijkheid van een initiatief. De tekst voorziet waarschijnlijk in één ontvankelijkheidstoets door de Commissie op het moment van registratie van het initiatief, voordat de steunbetuigingen worden verzameld. Dit komt de laagdrempeligheid van het initiatief ten goede. Wel bepaalt de tekst – op verzoek van het EP – dat iemand die een burgerinitiatief wil indienen, zich met mede-initiatiefnemers uit andere Europese landen verenigt in een zogeheten burgercomité om het Europese karakter van het initiatief aan te moedigen. Een meerderheid van de lidstaten deelde deze wens met het EP. In de besprekingen heeft Nederland aangegeven twijfels te hebben over dit burgercomité, omdat het drempelverhogend zou kunnen werken. Daarom heeft Nederland erop aangedrongen dat bij de evaluatie van de verordening zal worden nagegaan hoe de ervaring met dit comité in de praktijk is.