Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-02 nr. 1002

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1002 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 december 2010

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 en de vaste commissie voor Europese Zaken2 hebben op 18 november 2010 overleg gevoerd met minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken over:

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 november 2010 ter aanbieding van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van maandag 22 november 2010 (21 501-02, nr. 999);

  • Eventuele fiches.

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Albayrak

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Verburg

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Toor

Voorzitter: Albayrak

Griffier: Van Toor

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Voordewind, El Fassed, Timmermans, Albayrak, Van der Staaij, Van Bommel, Nicolaï, Ormel

en minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken en de ambtenaren die hem steunen van harte welkom bij dit debat over de Raad Buitenlandse Zaken van a.s. maandag. Wij bespreken de geannoteerde agenda voor die Raad. Ik wijs erop dat de agendapunten UMR-top en Pakistan van de agenda zijn gehaald. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de OVSE-top, waaraan volgende week een apart debat wordt gewijd, de EU-VN en Libanon aan de agenda toegevoegd onder het agendapunt MOVP.

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Een punt van orde. Wij vergaderen tot half zes over de RBZ. Van half zes tot half zeven is een vergadering gepland over de Raad Algemene Zaken, maar om zes uur zijn stemmingen voorzien. Ik stel voor om deze vergadering een halfuur in te korten, zodat wij om zes uur kunnen eindigen. Dan hoeven we na de stemmingen niet verder te vergaderen.

De voorzitter: Dat is een goed voorstel. Het is aan de leden om te bepalen of zij dan voldoende tijd hebben voor hun inbreng in eerste en tweede termijn.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Mogelijk is er nog een complicatie, namelijk dat de leden die het woord voeren wellicht niet dezelfde zijn. Het is de vraag of alle leden bereikt kunnen worden. Wat mij betreft kan de vergadering ingekort worden.

De heer Ormel (CDA): Daarom stel ik het nu voor. Dan is er nog voldoende tijd om de leden te bereiken.

De voorzitter: Dat lijkt me een goed voorstel. We kunnen de tijd tussen nu en het eindtijdstip van deze vergadering gebruiken om de woordvoerders erop te attenderen. Als er bezwaren zijn, horen we dat wel.

Ik was van plan om een spreektijd van vijf minuten voor te stellen, maar nu lijkt het mij beter om die spreektijd in te korten tot vier minuten. Ik geef als eerste het woord aan de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Vier minuten spreektijd is wel heel krap om zo'n beetje de halve wereld te bespreken. Er is ook nogal wat aan de gang in de wereld. Om te beginnen noem ik de verkiezingen die pas gehouden zijn in Birma. Die verkiezingen zijn volgens de minister niet eerlijk en vrij verlopen. Daar denkt de ASEAN anders over. Ik vraag me af hoe de contacten met de ASEAN verlopen. Op welke gronden vindt de ASEAN dat de verkiezingen wel eerlijk en vrij zijn verlopen? De minister geeft specifiek aan dat met de kieswet partijen zijn uitgesloten. Het zou mooi zijn als de ASEAN in de contacten met de EU veel scherper naar de verkiezingsuitslag en naar het verloop van de verkiezingen zou kijken. We weten uit het verleden dat wij de ASEAN en China heel hard nodig hebben om iets te bereiken met Birma.

De vrijlating van Aung San Suu Kyi wordt gezien als een positief teken. We weten echter dat dit in 1995 en 2002 ook is gebeurd en dat er toen geen verder democratiseringsproces op gang kwam. Heeft de minister signalen dat dit nu wel op gang komt? Ik ben blij dat de minister na de vrijlating van Aung San Suu Kyi heeft gepleit voor de vrijlating van de 2 200 andere politieke gevangenen.

De minister zet in op steun als het gaat om het vasthouden aan de sancties. Wat de fractie van de ChristenUnie betreft moet er een werkelijke dialoog op gang komen met de democratische oppositie in Birma en met etnische minderheden. Er moet een staakt-het-vuren tot stand gebracht worden, wil men komen tot een afzwakking van de sancties. Dat zou mijn inzet zijn. Is de minister het daarmee eens? Op welke wijze steunt de Nederlandse overheid de opvang van Birmese vluchtelingen aan de Thaise grens? Ik heb begrepen dat de minister heeft gehoord dat er geen sprake is van gedwongen terugkeer. Wat zijn de bronnen van de minister? Wij krijgen berichten dat dit nog wel gebeurt. Bevestigt de UNHCR dat er geen sprake is van gedwongen terugkeer? Is Nederland eventueel financieel betrokken bij de opvang van vluchtelingen door de UNHCR?

Dan kom ik bij de EU-Afrikatop. Wat vindt de minister ervan als de inbreng van de EU bij die top is dat de Afrikaanse landen Al Bashir alleen mogen uitnodigen als zij bereid zijn om hem uit te leveren aan het Internationaal Strafhof? Dat lijkt me een heel reële keuze.

Ik heb begrepen dat Pakistan van de agenda af is. Ik krijg nog steeds verontrustende berichten over discriminatie van hindoes en christenen door de hulpverlening. Het blijft een punt van zorg dat ik nog maar eens onder de aandacht breng. Ook Caritas heeft bevestigd dat er bij hulpverlening geen onderscheid mag worden gemaakt tussen etnische minderheden.

Dank aan de minister dat hij bij de Hoge Vertegenwoordiger Ashton de kwestie van de sancties op schendingen van de mensenrechten in Iran aan de orde heeft gesteld. Ik ben benieuwd of de minister steun krijgt van de andere EU-lidstaten om de mensen om wie het gaat op de zwarte lijst te zetten. Ik wacht met spanning af in hoeverre hij daarin slaagt.

Dan het Midden-Oosten. Ik begrijp uit de brief dat de laatste opmerkingen van Israël nog niet helemaal zijn doorgedrongen. Volgens mijn laatste informatie is Israël bereid om terug te keren naar de onderhandelingstafel en een bouwstop voor 90 dagen af te kondigen. Kan de minister dat bevestigen?

Hoe zit het met het Caïro-overleg tussen Fatah en Hamas? Deze twee organisaties zouden zich toch een keer moeten verzoenen, anders hebben we het over een driestatenoplossing in plaats van een tweestatenoplossing. Kan de minister daar iets over zeggen? De minister waarschuwt voor het eenzijdig uitroepen van een onafhankelijke Palestijnse staat. Ik steun hem daarin, want daar is de zaak niet mee gediend. Dat moet echt aan de onderhandelingstafel gebeuren.

De Union of Good is eerder aan de orde gesteld. De vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd om een en ander uit te zoeken. De Nederlandse vertegenwoordiger van de Union of Good, de heer Amin Abou Rashed, is één van de twee Nederlanders die meevoeren op de Flotilla-vloot richting de Gazastrook. Deze mijnheer is een vertegenwoordiger van Hamas en zamelt geld in voor Hamas. Inzamelen van geld voor een terroristische organisatie is verboden in Nederland. Is de minister bereid om de Union of Good binnen Europees verband aan de kaak te stellen en te bezien of deze organisatie op de lijst van terroristische organisaties kan worden geplaatst?

Tot slot kom ik bij Irak. In zijn brief uit de minister expliciet zijn zorgen over de situatie van christenen in Irak. Wederom veroordeelde de EU de aanslagen op christenen en sprak zich uit voor een blijvende inzet als het gaat om het waarborgen van rechten van etnische en religieuze minderheden. Dat waardeer ik zeer. Helaas blijven we deze teksten tegenkomen in dit soort stukken. In Irak heb je de keuze tussen vluchten of blijven, maar dan ben je je leven niet zeker als christen, gezien alle aanslagen. Er moet toch een safe haven gecreëerd worden voor vluchtelingen uit Basra, Bagdad en Mosul. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. De verkiezingen in Birma waren, zoals verwacht had kunnen worden, niet vrij, eerlijk of transparant. Zoals wel vaker bij verkiezingen het geval is, vindt de meeste fraude vooraf plaats. Met zo'n restrictieve kieswet was te verwachten dat eerlijke en vrije verkiezingen praktisch onmogelijk waren. Het goede nieuws is dat Aung San Suu Kyi is vrijgelaten. Zij riep in haar eerste toespraak op tot nationale verzoening. Zij kan echter op elk moment weer al haar vrijheden verliezen, zoals vaker is gebeurd.

Het is van groot belang dat de EU en de Nederlandse regering de uitslag van de verkiezingen niet erkennen als vrij en eerlijk. Er is geen enkele reden om de bestaande sancties van de EU tegen Birma in te trekken. Wat GroenLinks betreft mogen de sancties worden uitgebreid naar bijvoorbeeld rechters die zware straffen hebben uitgedeeld aan politieke gevangenen en ook naar economische sancties voor bijvoorbeeld de olie- en gassector. Daar wordt het echte geld mee verdiend door Birma. Zal de minister landen als Duitsland, die er misschien voor zullen pleiten om het allemaal nog even af te wachten nu Aung San Suu Kyi is vrijgelaten, er met alle macht van proberen te overtuigen om daar niet in te trappen? De voorganger van de minister heeft in reactie op een ingetrokken motie van mijn collega Dijkhoff en mij laten weten, na de verkiezingen te bezien wat de juiste strategie is om zo breed mogelijke steun voor een internationale onderzoekscommissie te genereren, die de mensenrechtenschendingen in Birma zal onderzoeken. Zal de nieuwe minister deze belofte inlossen? Is de minister bereid, zich ervoor in te zetten dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Birma prominent op de agenda plaatst van het debat over de bescherming van burgers in gewapend conflict, dat op 22 november as. wordt gevoerd? De Verenigde Staten zullen hier zeker voor in zijn.

Dan het Midden-Oosten. Weet de minister meer van de bouwstop van nederzettingen waar Israël op aandringen van de VS mee akkoord is gegaan? Klopt het dat het maar om een bouwvak gaat van drie maanden en dat de bouw of uitbreiding van nederzettingen in en nabij Jeruzalem wordt uitgesloten? Hoe beoordeelt de minister zo'n tijdelijke bouwstop internationaalrechtelijk? Wat gebeurt er als er na afloop niets is bereikt? Klopt het dat de Verenigde Staten na afloop niet opnieuw naar zo'n bouwvak zullen vragen? Hoe groot acht de minister de kans dat er binnen 90 dagen een akkoord bereikt zal worden? Hoe beoordeelt de minister de haalbaarheid van een tweestatenoplossing met alle bouwprojecten op de Westelijke Jordaanoever in en om Oost-Jeruzalem?

Dan de EU-Afrikatop. Het is heel goed dat er veel aandacht komt voor de productieve capaciteit in de relatie met Afrika. Het is noodzakelijk om een «enabling environment» te scheppen voor Afrikanen om zich uit de armoede omhoog te trekken. Dit kan alleen als economische groei in Afrika van onderaf wordt georganiseerd. Deelt de minister deze mening? Zal hij om die reden inzetten op landbouwontwikkeling voor kleine boeren?

Wat de EU-Indiatop betreft hoop ik dat de minister zich ervoor zal inzetten dat kinderarbeid hoog op de agenda wordt geplaatst. Ten aanzien van Sudan vertrouw ik erop dat de minister zijn toezeggingen omtrent de verhoging van het aantal EU-waarnemers waar zal maken.

De heer Timmermans (PvdA): Voorzitter. Het is goed gebruik dat deze Kamer met de minister spreekt voordat hij naar de Raad Buitenlandse Zaken gaat. Zoals collega's al zeiden, passeert zo'n beetje de hele wereld de revue. Dat is interessant. Dat houdt de Kamer in contact met het beleidsterrein van de minister, maar je kunt je soms wel afvragen wat dit concreet betekent voor wat er in de RBZ gebeurt. Sterker nog, welke rol heeft de Europese Unie als gevolg van wat er in de RBZ gebeurt in de wereld? Je ziet mevrouw Ashton modderen als het gaat om de vraag hoe om te gaan met strategische partners. Daaruit kun je afleiden dat de Europese Unie – en dat geldt ook voor de RBZ – zeer sterk gericht is op het ergens intern over eens worden en veel minder op hoe Europa in de grote kwesties die spelen, relevant kan zijn. Ik onderschrijf de vragen van mijn collega's over Birma, over het Midden-Oosten, et cetera, maar ook daarbij kun je alleen spreken van Europese relevantie als we met één stem spreken. Dat moet het resultaat zijn van de RBZ, maar dat zien we toch behoorlijk weinig, want de ministers gaan weer terug naar huis en rapporteren dan dat ze voor hun nationale belang in de RBZ zijn opgekomen. Zo hobbelt het maar door. Mijn inschatting is dat Europa steeds minder relevant is voor de strategische partners, waarvoor de EU zich terecht sterker in wil zetten, omdat de EU zich zo sterk concentreert op de belangenafweging onderling in plaats van dat zich te projecteren op de wereld. Het vredesproces in het Midden-Oosten is daar het sublieme voorbeeld van. De Europese Unie wil daarin relevant zijn, maar dat kan alleen in relatie tot haar mogelijkheden. Zij kan nooit de rol van de Verenigde Staten overnemen. Als de Verenigde Staten daar niet leading in zijn, gebeurt er gewoon niets. Maar tegelijkertijd kan de Europese Unie daar een veel effectievere rol in spelen als ook Nederland bereid is, zich aan te sluiten bij een consensus in Europa en niet altijd een alleingang voorstaat als het om het proces in het Midden-Oosten gaat. Ik hoop dat deze nieuwe minister in tegenstelling tot zijn voorganger bereid is om na te denken over hoe we op dat punt consensus in Europa kunnen bereiken. Hij moet nadenken over een relevante positie van de Europese Unie. Als dat betekent dat Nederland compromissen zal moeten sluiten, is dat nog altijd beter dan Europa tot irrelevantie te veroordelen omdat de lidstaten er niet gezamenlijk uitkomen. Ook in dat verband steun ik de vragen die mijn collega's over het Midden-Oosten hebben gesteld, maar wel vanuit het uitgangspunt hoe we tot een gezamenlijke Europese positie komen.

Dat geldt ook in relatie tot de ASEAN. Natuurlijk is het van het grootste belang dat we de positie van Aung San Suu Kyi in Birma steunen en ervoor zorgen dat er meer democratisering komt. Maar dat moet dan ook door tegenwicht te bieden aan de ASEAN. Tegenwicht bieden aan de ASEAN kan alleen als Europa met één stem spreekt, anders gaan de Chinezen – en dat zie je nu ook al bij de Nobelprijs – de een voor de ander Europese landen aftikken die in het gareel moeten worden gebracht. Dus ook wat dat betreft zou ik sterk willen pleiten voor een gezamenlijke Europese positie.

Dat geldt ook bij de voorbereiding van de toppen. Ze weten allemaal donders goed wanneer Europa verdeeld is. Dan is het bijna beter om die top niet te houden dan tijdens de top die verdeeldheid te etaleren, met als gevolg dat de lachende derde de tegenpartij is en Europa gezamenlijk niets bereikt.

Tot zover mijn bijdrage.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De heer Timmermans heeft natuurlijk de nodige ervaring op dit gebied. Hij heeft veel van dit soort bijeenkomsten meegemaakt in Europa. Daar heb ik veel respect voor. Ik wijs er echter op dat zijn collega Van Dam bij Servië onze Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken ertoe aanzette om vooral vast te houden aan een strikte naleving van het Joegoslavië-tribunaal. Daarin stond toentertijd onze minister van Buitenlandse Zaken ook vrij alleen. Toch heeft hij zijn uiterste best gedaan om aan dit punt vast te houden. Uiteindelijk is er ook resultaat geboekt. Is de heer Timmermans het met mij eens dat dit kan leiden tot een aanscherping van het buitenlandbeleid in Brussel?

De heer Timmermans (PvdA): De heer Voordewind weet uit zijn stelling nog een vraag te persen. Natuurlijk is dat zo, maar je moet wel selectief zijn in de onderwerpen die je kiest. De vorige minister van Buitenlandse Zaken had ook de gewoonte om over alle onderwerpen zijn eigenstandige, alleenstaande positie te kiezen. Op een gegeven moment ben je dan niet meer echt effectief. Het wordt door partnerlanden begrepen als Nederland op een punt als Servië een aparte positie inneemt vanwege zijn gastheerschap voor het Joegoslavië-tribunaal en vanwege zijn geschiedenis met Srebrenica. Die specifieke situatie van Nederland wordt door landen gerespecteerd, maar Nederland kan niet over alle onderwerpen steeds een aparte positie innemen, want dan ondermijnt Nederland uiteindelijk zijn effectiviteit. Een meerderheid van de Kamer staat voor het tot stand brengen van een bepaalde balans in de oplossing van het conflict in het Midden-Oosten. Willen we dat bereiken, dan doen we er beter aan, te zoeken naar consensus binnen de EU. Zo kan de EU een relevante rol in die onderhandelingen spelen. Dat is beter dan dat we strikt vasthouden aan onze positie, met als gevolg dat er geen consensus is in de EU en dat de EU en dus ook Nederland irrelevant is in dat conflict.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Als het gaat om de consensus ben ik het grotendeels met de heer Timmermans eens. Het is wel opmerkelijk dat de heer Timmermans dit meteen koppelt aan het Midden-Oostenbeleid van de vorige minister. Ik vind het in zijn algemeenheid streven naar consensus prima, maar als je daarvan moet afwijken door scherper de mensenrechten aan de kaak te stellen binnen Europa, waar ook heel veel eigenbelang is, kan dat een meerwaarde hebben binnen Europa. Ik zal deze nieuwe minister ook prijzen als hij zijn nek durft uit te steken voor de mensenrechten in Birma of noem alle landen maar op waar de mensenrechtensituatie slecht is.

De voorzitter: Uw interruptie overstijgt uw vraag.

De heer Timmermans (PvdA): Ik kan hier geen vraag in ontdekken. Het is een tweede termijn van de heer Voordewind, dat mag.

De voorzitter: Geef ook maar geen reactie hierop. De heer Ormel heeft een vraag aan u.

De heer Ormel (CDA): Ik vind het betoog van de heer Timmermans interessant. Hij zegt dat Nederland zijn positie wel moet markeren in onderling overleg, maar uiteindelijk moet komen tot consensus. Vindt hij dat dit alleen beperkt moet blijven tot het overleg binnen de Europese Unie of geldt dit ook voor overleg in internationale gremia in de algemene zin des woords?

De heer Timmermans (PvdA): Hier gaat het heel specifiek om de vraag hoe de Europese Unie in het enorme spel tussen continenten, dat nu de toekomst van de wereld bepaalt – en er staan gigantische zaken op het spel – zo effectief mogelijk de belangen van haar 500 miljoen burgers kan verdedigen. Dan is het in het belang van de individuele lidstaten van de Europese Unie om een balans te zoeken tussen het binnenhalen van de eigen punten en het vinden van consensus met andere landen zodat zij zo effectief mogelijk kan opereren op het wereldtoneel. Dat is een afweging die lidstaten voor zichzelf zullen moeten maken, waarbij mij opvalt dat met name de grootste lidstaten vaak van twee walletjes willen eten, dat zij de consensus willen bepalen in de Europese Unie en daarnaast ook nog eens een zelfstandige positie willen markeren. Dat leidt uiteindelijk niet tot een versterking van de positie van de Europese Unie als geheel.

De heer Ormel (CDA): Nu is het andersom. Nu krijg ik een heel uitgebreid antwoord op een korte vraag. Laat ik de vraag specifieker stellen. U bent tot dit inzicht gekomen. Vanmorgen had u een ander inzicht, want toen hebt u een motie ingediend waarin u juist opriep om die consensus te doorbreken. Bent u bereid, nu u tot dit inzicht bent gekomen, om die motie in te trekken?

De heer Timmermans (PvdA): Ja, als we appels met peren gaan vergelijken, komen we op het punt van de heer Ormel uit.

De heer Ormel (CDA): Nu doet u mij en uzelf geen recht.

De heer Timmermans (PvdA): De minister zei zelfs in zijn reactie: dit gaat over de NAVO en niet over de EU. Dus ik citeer hier even de minister. Dit ging over de NAVO en niet over de EU. Intern is in de NAVO broddelwerk geleverd met de begroting. Er is geld verkwist. Als de minister van Defensie vandaag aankondigt dat hij mensen moet ontslaan bij Defensie en tegelijkertijd zegt dat hij nog 5 mln. naar de NAVO brengt, die een rotzooitje van zijn begroting heeft gemaakt, vind ik het niet meer dan logisch dat je zegt: de NAVO moet eerst intern orde op zaken stellen en zolang dat niet gebeurd is, krijgen ze van Nederland geen cent extra.

De voorzitter: Ik snap dat dit uitlokking is, maar dit debat gaan we nu niet voeren. Dat is al gebeurd.

De heer Nicolaï heeft nog een vraag aan de heer Timmermans.

De heer Nicolaï (VVD): Denkt de heer Timmermans dat dergelijke oproepen ook worden gedaan in de parlementen van Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?

De heer Timmermans (PvdA): Als de heer Nicolaï goed heeft geluisterd, heeft hij gehoord dat ik gezegd heb dat het probleem juist is dat men in de grote lidstaten de Europese consensus wil bepalen en daarnaast ook nog eens een eigen zelfstandige positie in wil nemen. Dat hou je nog een tijdje vol, maar in de afgelopen jaren zag je al dat de Amerikanen, de Chinezen en de Indiërs in toenemende mate hun schouders ophalen over wat Europa vindt, omdat Europa niet eensgezind is. Ik vind dat een middelgroot land als Nederland meer gebaat is bij het zoeken naar consensus in de Europese Unie dan bij het voortdurend kiezen van een geïsoleerde positie. Die geïsoleerde positie geeft comfort in de Tweede Kamer: we hebben lekker ons gelijk weer uitgevent! Maar Nederland moet eens afleren om alleen maar de nadruk te leggen op gelijk hebben. Nederland zou zich meer moeten concentreren op gelijk krijgen. En gelijk krijg je alleen als je bereid bent, te geven en te nemen.

De heer Nicolaï (VVD): Begrijp ik goed dat de heer Timmermans zegt dat die grote landen natuurlijk op twee paarden blijven wedden, namelijk Europees en anders gewoon hun eigen buitenlands beleid, maar dat Nederland als middelgroot land bereid moet zijn om dat niet te doen?

De heer Timmermans (PvdA): Als die grote landen dat blijven doen, zal dat uiteindelijk de Europese positie permanent verzwakken. Zij zullen zelf ook moeten kiezen om zich te voegen in een Europese consensus. Doen zij dat evenmin, dan zal de Europese Unie verdeeld blijven. Dat geldt zowel voor de grote lidstaten als voor de kleine lidstaten. In de vraag van de heer Nicolaï bevalt mij niet dat hij zegt: hullie doen het, dus wij moeten het ook doen. Dat levert niets op. Het is voor een land als Nederland van belang om te laten zien dat het bereid is met collega's te streven naar consensus op dossiers waar Europa veel te verliezen heeft in de wereld. Als Nederland daarin het goede voorbeeld geeft, uiteraard binnen marges – we zijn gekke Henkie niet – dan zou dat kunnen helpen om andere lidstaten op dezelfde positie te krijgen. Een ding weet ik zeker: blokkeren we steeds consensus, dan wordt Europa in toenemende mate volstrekt irrelevant.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik wil ook maar beginnen met Birma of Myanmar, zoals de regering zegt, overeenkomstig de aanduiding bij de VN. Ik vraag de minister of het sanctieregime tegen Birma, waarvan de regering zegt dat het moet worden gehandhaafd, ook voor de andere lidstaten geldt. In het verleden bleek steeds dat sanctieregimes ondermijnd worden wanneer bijvoorbeeld landen als Duitsland en Frankrijk zeggen: er kan nu wel een opening komen. Dan komt dat ter discussie te staan. Er zijn voorbeelden te over. Ik noem China.

Een tweede punt met betrekking tot die sancties is het verzoek om, wanneer er over sancties gesproken wordt, altijd in het achterhoofd te houden dat het sancties moeten zijn die zich richten op leden van het regime en die de bevolking zoveel mogelijk ontzien. De ervaring leert dat dit buitengewoon moeilijk is, maar dat het wel buitengewoon belangrijk is.

Vandaag is ook gesproken over de politieke gevangenen. Heb ik begrepen dat de minister steun geeft aan de eis, onder andere door Amnesty gesteld, dat na het opheffen van het huisarrest van Aung San Suu Kyi de politieke gevangenen gewoon vrij moeten komen en dat daar steeds de nadruk op gelegd moet worden? Ik verzoek de regering om vooral steun te blijven geven aan de kleinschalige initiatieven in en soms buiten Birma, in de buurlanden daarvan, die zich richten op familie van politieke gevangenen, zodat zij hun werk kunnen blijven doen ten behoeve van deze mensen. Ik heb dit verzoek eerder in een bijdrage in de krant gedaan. Ook verzoek ik de regering om initiatieven in de sfeer van humanitaire steun aan vluchtelingen te steunen. Verder roep ik de regering op, steun te geven aan de verzoeken en de ideeën die bij de VN leven, onder andere bij de speciale rapporteur voor Birma, om onderzoek te kunnen doen naar mensenrechtenschendingen onder het bewind in Birma. Dat is een buitengewoon lastig voorstel, maar het verdient wel alle steun en aandacht.

Ik ga snel door naar de EU-Afrikatop. Ik wil één specifiek thema eruit lichten, namelijk de katoensubsidies. Dit zijn gigantische EU-subsidies die met een hoogte van ruim $2,50 per pond zelfs hoger liggen dan de actuele prijs van katoen op de markt. Deze druk vanuit de EU op Afrikaanse katoenproducenten heeft een vernietigende werking. Heel concreet: mede naar aanleiding van een mededeling van de Europese Commissie over de relatie tussen de EU en Afrika verzoek ik de minister in het kader van de voorstellen voor herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarin de aanpassing van de landbouwsubsidies wordt geregeld, de katoensubsidies aan de orde te stellen. De katoensubsidies moeten wat de SP-fractie betreft worden uitgefaseerd. Ik roep de minister op, dat vandaag te onderschrijven, maar ook bij de bespreking van de EU-Afrikatop.

Over Iran meldt de minister dat, in aanvulling op wat er al aan sancties is, er ook nog een Europese zwarte lijst komt van personen die de toegang tot de Unie ontzegd zou moeten worden. Het gaat om mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan grove schendingen van de mensenrechten. Vanzelfsprekend steun ik dat. Wel vraag ik mij af of hiermee een nieuwe categorie wordt geïntroduceerd. We hebben de aanduiding persona non grata voor mensen die een deel van het Schengengebied niet in kunnen. Dat geldt dan meteen voor het hele Schengengebied. Wordt er nu een nieuwe categorie geïntroduceerd, speciaal voor de relatie met Iran, of borduren we voort op de categorie persona non grata?

Ik sluit mij aan bij de vorige spreker over de rol van de Europese Unie bij het Midden-Oosten Vredesproces. Alleen Europees handelen heeft daar zin, anders kunnen we nooit betekenisvol aan de dialoog deelnemen. We mogen natuurlijk wel proberen een voorhoederol in Europa te spelen, maar we kunnen in dit debat alleen verschil maken als we binnen de EU gezamenlijk optrekken.

Op de geannoteerde agenda staat Oost-Jeruzalem. Het probleem is dat de VS Netanyahu heeft opgeroepen tot een tijdelijke bouwstop van 90 dagen, maar dat die niet inclusief Oost-Jeruzalem is. Daar ligt een wezenlijk probleem voor het geval Oost-Jeruzalem de hoofdstad van een Palestijnse staat wordt. Wat is met het oog op de laatste ontwikkelingen de inzet van de regering met betrekking tot Oost-Jeruzalem?

Tot slot een vraag die direct samenhangt met het regeerakkoord. Die vraag zullen wij als oppositie wel moeten stellen, want in het regeerakkoord wordt eigenlijk in een andere richting gewezen. Het regeerakkoord wijst in de richting van verdieping, van het aanhalen van nauwere banden met Israël. We moeten vaststellen dat het op een aantal fronten niet de goede kant opgaat. Daarom lijkt mij dat er van die discussie, die al is opgeschort, geen actualiteit meer uitgaat. Die opschorting waar, ik meen, in 2008 toe is besloten, is gewoon nog van kracht. Het regeerakkoord kan op dit punt, wat de regering betreft helaas, maar wat mij betreft gelukkig, niet worden uitgevoerd. Graag een reactie van de minister.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik wil een aantal punten op de agenda eruit lichten. We kunnen nog uren discussiëren over de interessante kwestie van consensus of alleingang, maar onze stelling is dat er, waar mogelijk, op consensus moet worden ingezet, maar dat alleingang, waar nodig, niet geschuwd moet worden. Zo stelde de PvdA-fractie zich in het vorige kabinet op rond de kwestie Afghanistan, waar de consensus op een gegeven moment ook ophield. Toen zei de PvdA-fractie: dat is voor ons zo belangrijk, dat wij de poot echt stijf moeten houden. Zo heeft iedereen dat op bepaalde punten. Dan moeten we onze eigen lijn wel vasthouden en niet in een of ander smakeloos compromis eindigen.

Ik waardeer het positief dat de minister in zijn brief zo nadrukkelijk aandacht schenkt aan de kwestie Irak en dat mede op initiatief van Nederland het grove geweld van de afgelopen tijd, in het bijzonder de aanslagen op christenen, aan de orde wordt gesteld. Hoe kan de EU haar invloed inzetten om terreur tegen christenen en andere religieuze minderheden in Irak in te dammen? Welke mogelijkheden zijn er om via de EU te bevorderen dat politie en veiligheidsgroeperingen in Irak extra worden opgeleid en toegerust om kwetsbare groeperingen te beschermen? Ik sluit mij aan bij de vragen van mijn collega Voordewind. Wij hebben het in het verleden over de vlakte van Nineve gehad, de veilige zone voor christenen. Het probleem daarbij is dat je aan de ene kant in een bepaalde zone wordt teruggedrongen, maar dat je aan de andere kant van mensen uit de regio hoort dat dit soms de enige manier is om bescherming waar te maken. Hoe reageert het kabinet daarop?

Dan kom ik op Birma. De SGP-fractie steunt de inzet om het sanctieregime te handhaven en onderstreept de noodzaak van vrijlating van alle politieke gevangenen.

In het Midden-Oosten Vredesproces is de inzet om spoedig te komen tot vredesbesprekingen. Het is niet alleen belangrijk dat de EU-lidstaten op een lijn zitten, maar ook dat we oog hebben voor de belangrijke positie van de VS in dit proces. Het gaat er ook om in hoeverre de EU en de Verenigde Staten op een lijn zitten. Dat wil ik allereerst onderstrepen. Ten tweede vind ik dat we niet alleen moeten kijken naar de druk van bovenaf, waarbij soms issues worden opgeblazen. Ik doel op het nederzettingenbeleid, waarvan je je kunt afvragen of het daar alleen in zit. We moeten juist ook oog hebben voor de problemen die van onderaf een rol spelen. Dan denk ik ook aan de vergiftiging van lesmateriaal, het haat zaaien dat daar plaatsvindt, de haattirades. Daaraan moet van onderaf gewerkt worden, wil er werkelijk sprake zijn van duurzame vrede.

Iran blijft een belangrijk aandachtspunt. Iran blijft een bedreiging vormen voor de wereldvrede, heel specifiek ook voor Israël. Wat is de uitwerking van de opgelegde sancties tot nu toe? Hoe kan de druk nog verder worden opgevoerd?

De Raad wil werken aan een verbeterde relatie met Rusland. Prima. Isolatie van Rusland drijft dit land slechts naar de dubieuze regimes van Iran, Cuba, Libië en dergelijke. Daar kleven grote nadelen aan. Tegelijkertijd zal de EU Moskou wel duidelijk moeten maken waar de grenzen van haar betoonde machtspolitiek liggen. Tegenover de opvatting van de Baltische staten, Oost-Europese landen en Engeland staat de opvatting van onder meer Duitsland en Frankrijk, die veel meer gericht zijn op het paaien van Rusland. Hoe wordt deze tweespalt binnen de EU overwonnen? Achter welk kamp schaart Nederland zich?

Tot slot sluit ik mij aan bij de opmerkingen van mijn collega Voordewind over Pakistan. Het punt staat niet op de agenda, dus ik zal er nu verder niet uitgebreid op ingaan. Ik deel ten volle de mening van de heer Voordewind dat er bij de hulpverlening ook oog moet zijn voor minderheden als christenen en hindoes. Wij krijgen diezelfde signalen.

De heer Nicolaï (VVD): Voorzitter. Laat ik ook met een algemene opmerking beginnen, geïnspireerd door mijn collega Timmermans. Ik geloof wat minder in «Nederland, gidsland». Ik zou juist deze minister en deze regering willen oproepen om de traditie die de afgelopen tijd enigszins is opgebouwd – een goede traditie wat mij betreft – om niet bang te zijn en zo nu en dan wel de hakken in het zand te zetten, niet te doorbreken. Uiteraard vind ik dat dit wel selectief moet gebeuren. Het gaat er niet om dat wij overal ons gelijk over willen halen, het gaat erom dat wij bepaalde belangen hebben, in het bijzonder als het gaat om met Nederland verbonden overtuigingen. Uiteindelijk kan de polsstok die Europa heeft in de wereld natuurlijk nooit langer zijn dan de lengte die de bevolkingen van de lidstaten eraan willen geven. Ik doel dus op steun van de bevolking. Wat overigens betekent dat er een heel aantal wat algemenere dossiers is: landen die, als ik het plat zeg, misschien wat verder weg liggen of waar wat minder economische belangen aan verbonden zijn voor grote individuele lidstaten en waar de EU wel degelijk effectief op mondiaal of internationaal vlak moet kunnen functioneren, ook effectiever dan nu. Ik licht er meteen twee uit, namelijk Birma en Iran. Daar gaan dan ook mijn belangrijkste opmerkingen over.

De heer Timmermans noemde als eerste voorbeeld het Midden-Oosten Vredesproces. Dan begin je wel meteen aan de achterkant. Dat lijkt mij nu juist een situatie waarbij de belangen en opvattingen zo ver uit elkaar lopen, dat ik dat niet voorop wil stellen in dit verband.

Ik begin met Birma. De fractie van GroenLinks verwees naar de motie die gezamenlijk met de VVD-fractie is ingediend met een verzoek om internationaal onderzoek. Ik sluit mij aan bij wat de heer Voordewind hierover zei. Binnen de EU kunnen we op dat punt vrij goed eendrachtig optreden, maar hoe bevorderen we dat de internationale gemeenschap hier eendrachtiger optreedt? Dat is uiteindelijk de enige manier om echt iets te doen in Birma. Het hangt natuurlijk van China af en niet van de EU. Laten we wel zijn. Wat doet de EU, en Nederland ter bevordering daarvan, om die druk op de goede manier op te voeren en wat dat betreft meer op één lijn te zitten? Wij kunnen het binnen de EU wel eens zijn over het sanctieregime, maar wat kunnen we daar buiten de EU mee?

Dan kom ik op Iran. Ik ben blij met de opmerking van de minister over het op de zwarte lijst plaatsen van mensenrechtenschenders uit Iran. Ik wil ook graag deze gelegenheid aangrijpen om de nieren van de minister te proeven over het sanctiebeleid en de voorbereidingen daarvoor. Het beleid van Iran is vrij duidelijk: pappen en nathouden en zand in de ogen strooien. Mooier kan ik het niet maken. Ik begrijp van de minister dat Iran in beginsel bereid lijkt te zijn om de onderhandelingen te hervatten. Dat is taal die wij kennen van Iran. Dat gebeurt dus alleen wanneer wij daar druk op zetten, leuk of niet. Druk is meer dan die zwarte lijst, hoewel ik dat wel degelijk, zeker met het bevriezen van tegoeden, een effectieve stap vind. Ik vraag de minister of dat gaat lukken. Ook ben ik benieuwd naar de voortgang in de discussie binnen de EU. In hoeverre moet Nederland binnen de EU voorop lopen als het gaat om de sanctiemogelijkheden die samen met de VS zijn overwogen? Liggen die mogelijkheden nu voor? Welke stappen kunnen er wat dat betreft gezet worden?

Tot slot het Midden-Oosten Vredesproces. Ik sluit mij aan bij de mensen die terecht vroegen naar de precieze informatie over de 90-dagenstop. Uiteraard heb ik het over de bouwstop voor nederzettingen. Waar heeft dat precies betrekking op? Hoe kansrijk maakt dat de vredesonderhandelingen naar het oordeel van de minister?

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik zal de agenda volgen, maar ik heb ook nog een onderwerp voor de wandelgangen. De agenda begint met strategische partners. Ik ben het eens met wat daarover staat, maar ik heb wel een vraag, want daaruit blijkt dat de EU wat breder wil gaan dan de klassieke buitenlandpolitieke thema's zoals veiligheid en mensenrechten. De minister noemt onder andere de handelspolitiek. Als je a zegt, moet je ook b zeggen. Dat betekent eigenlijk dat de EU ook zou moeten werken aan het vormen van een EU-handelsdelegatie naar een ander blok. Ik denk dat de EU dan aan kracht zou winnen. Ik vraag daar aandacht voor.

Het is jammer en zorgelijk dat de Mediterrane Unie niet op de agenda staat. De geplande bijeenkomst is uitgesteld. Die wordt eigenlijk afgesteld, terwijl er toch genoeg te bespreken is. Ik denk met name aan onze buren in Noord-Afrika. Daar hebben we toch veel mee te bespreken als het gaat over mensenrechten, over illegale migratie. Ik denk ook aan het conflict tussen Marokko en de Zuidelijke Sahara. Wanneer komt dat wel op de agenda van de externe betrekkingen?

Wat Birma betreft sluit ik aan bij vorige sprekers. Zij vinden het terecht dat de verkiezingen veroordeeld zijn. Wij moeten ervoor oppassen dat wij niet in de valkuil van het bewind daar vallen, dat probeert om blokken tegen elkaar uit te spelen. Dat betekent dat er samengewerkt zal moeten worden tussen EU, VS, ASEAN, China en India. Met sommige van deze landen c.q. blokken zijn er binnenkort toppen. Daar zal Birma op de agenda moeten staan. Er zal gezamenlijk gepleit moeten worden voor de vrijlating van de 2 200 politieke gevangenen en er zal druk moeten worden gezet op het opstarten van een tripartiete dialoog. Als dat niet binnen Birma kan, zou het buiten Birma moeten geschieden. Ik vind dat de EU de bereidheid moet tonen om daar gastheer voor te zijn. Daarin moet sprake zijn van overleg tussen de democratische oppositie, de etnische minderheden en het regime.

Het volgende agendaonderdeel betreft de voorbereiding van de toppen EU-Afrika, EU-India en EU-Rusland. Terecht vragen wij nadrukkelijk aandacht voor de mensenrechtensituatie in Rusland, de situatie van verdedigers van de mensenrechten en journalisten. Eerder heb ik aandacht gevraagd voor de journalist die onlangs in elkaar is geslagen. Dat is een groot punt van zorg.

Ter voorbereiding van de top met India staat er dat de politieke samenwerking versterkt moet worden met als doel India ertoe te bewegen een actievere en meer verantwoordelijke rol te spelen in mondiale kwesties. Ik vind dat aanmatigend; net of de EU zo geweldig is in alles en net of India helemaal niets doet. Ik denk dat het in het belang van de EU is als zij uitstraalt dat zij veel kan leren van India. India is een land met meer inwoners dan in alle lidstaten van de Europese Unie bij elkaar. In India worden meer dan veertig officiële talen gesproken. Toch lukt het India om in het parlement zonder tolken met elkaar te spreken. Dat lukt ons Europees Parlement niet. Het is een democratie. We denken verschillend over mondiale kwesties, maar we moeten niet als Europese Unie zeggen: vanaf nu moeten jullie het doen zoals wij het doen. Nee, we moeten in een echte dialoog geraken. Dat is uiteindelijk beter. We moeten dus minder aanmatigend zijn.

Over Iran deel ik de grote zorg en sluit ik mij kortheidshalve aan bij de opmerkingen van mijn collega Nicolaï. Daar wil ik de situatie in Beloetsjistan aan toevoegen. Dat is een landstreek in Zuid-Pakistan die grenst aan Iran. Iran lijkt wel te wachten op het uiteenvallen van Pakistan om daar veel meer invloed uit te oefenen. Ik wijs ook op de invloed die Iran uitoefent in Irak. Dat is niet direct bemoedigend voor de situatie daar. Graag aandacht daarvoor.

In het kader van het Midden-Oosten Vredesproces heb ik vragen over de situatie in Oost-Jeruzalem. Als er een bouwstop voor 90 dagen wordt afgekondigd, moet die ook voor Oost-Jeruzalem gelden.

Over Sudan hebben wij gisteren al in een overleg gesproken. Ik neem aan dat de minister meeneemt wat hij daar heeft gehoord.

De CDA-fractie heeft aandacht gevraagd voor de zorgelijke situatie van christelijke en andere religieuze minderheden. Wij moeten echter ook beseffen dat heel veel religieuze meerderheden in Irak onder de aanslagen lijden, dat er doden te betreuren zijn onder soennieten en sjiieten. Als wij aandacht vragen voor religieuze minderheden, verzoek ik de minister om te bevorderen dat de Europese Unie haar zorg uitspreekt over alle menselijke slachtoffers in Irak.

Voorzitter. Tot slot vraag ik de minister om in de wandelgangen aandacht te vragen voor Haïti. Ik vind het werkelijk belachelijk dat daar duizenden mensen sterven aan een cholera-epidemie en dat de miljoenen aan hulpgelden die vanuit de portemonnees van onze burgers naar Haïti zijn gestroomd, werkeloos blijven liggen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het laatste punt van de heer Ormel steun ik van harte. Natuurlijk is elk slachtoffer in Irak en overigens ook in de rest van de wereld, er een te veel. Dat geldt voor de hele wereld. Onderkent de heer Ormel niet dat christenen al een aantal jaar specifiek het doelwit als religieuze minderheid zijn, ook gezien de aanslag twee weken geleden in de kerk in Bagdad? Wat vindt hij van de overweging om op de vlakte van Nineve in de toekomst tot een veilige zone te komen?

De heer Ormel (CDA): Sterker nog, ik heb met collega Omtzigt daarover vragen gesteld. Ik heb de regering gevraagd om bij de Arabische Liga niet alleen te kijken naar de situatie van christelijke minderheden in Irak, want het gaat verder. Dan doel ik op de Kopten in Egypte en op de situatie van christelijke minderheden in de Kaukasus. Het lijkt alsof het zich als een veenbrand verspreidt over het Arabisch schiereiland en verder. Daar zijn wij bezorgd om, maar ik vraag mij af of een soort free havens voor religieuze minderheden de oplossing zijn. Op Syrië hebben we heel veel kritiek, maar daar leven religieuze minderheden door elkaar heen. Zij leven al eeuwenlang met elkaar en gunnen elkaar de vrijheid van godsdienst. Daarover is een soort consensus ontstaan. Nu kan Syrië misschien veel van ons leren, maar wat dat betreft kunnen wij veel van Syrië leren. Dat geldt ook voor Irak. Ik ben dus veel meer een voorstander van het met elkaar de vrijheid van godsdienst belijden, van het door elkaar leven en van elkaar leren dan van het organiseren van een vrijhaven voor christenen op de hoogtevlakte van Nineve.

De voorzitter: Ik vond dit eigenlijk wel een duidelijk standpunt, mijnheer Voordewind? Hebt u een vraag?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Natuurlijk is het grote verschil met de soennieten, de sjiieten en de Koerden dat zij hun eigen milities hebben, hun eigen politiemacht. Zij zijn waar zij wonen prominent in het leger aanwezig. Alleen de groepen op de vlakte van Nineve hebben dat niet. Voor de Koerden hebben we het in 1991 gedaan, dus waarom kunnen we dan niet in openheid kijken naar een dergelijke optie voor de christelijke bevolking, die heel specifiek het doelwit van aanslagen is, in tegenstelling tot in Syrië, en waar zij inmiddels van 3 miljoen tot 500 duizend is gereduceerd?

De voorzitter: Ik meen dat u het antwoord op die vraag al had gehad.

De heer Ormel (CDA): Ik ben daar toch bezorgd om. Ik ken de huidige situatie. Die is zorgelijk, zeker ook voor de christelijke minderheden. Mijn visie en die van de CDA-fractie is dat er in Irak religieuze tolerantie zou moeten zijn. Dat moeten wij uitstralen. Als wij ons neerleggen bij de status quo en die versterken, verdwijnt de religieuze tolerantie, die in die gebieden heerste, sneller dan ooit. Daarnaar streven lijkt mij niet in het belang van de christelijke minderheden.

De heer Van Bommel (SP): De heer Ormel zei tussen neus en lippen door helder dat een bouwstop ook zou moeten gelden voor Oost-Jeruzalem. Vraagt hij dat expliciet aan de regering? De brief, de geannoteerde agenda, is op dit punt namelijk achterhaald, gezien het Amerikaanse voorstel. Vindt de heer Ormel dat de regering moet vasthouden aan wat zij in de brief schrijft en hij zelf zegt: dat een bouwstop inclusief Oost-Jeruzalem moet zijn?

De heer Ormel (CDA): Het hele Midden-Oosten Vredesproces is een soort processie van Echternach, waarin twee stapjes vooruit en weer een stapje achteruit worden gezet. We zetten nu een stapje vooruit doordat er in ieder geval voor 90 dagen een bouwstop op de Westelijke Jordaanoever geldt. Als die gebruikt kan worden om nog een stapje verder te zetten, is ons dat heel veel waard. Voor de langere termijn geldt echter dat de CDA-fractie een tweestatenoplossing als de oplossing ziet, waarbij Jeruzalem een gezamenlijke hoofdstad is en waarbij Oost-Jeruzalem dus de hoofdstad wordt van een vrije Palestijnse staat. Daar past niet bij dat daar altijd maar doorgebouwd wordt. Van deze 90 dagen, zeg ik, als het helpt om een stap vooruit te zetten «soit", maar tegelijkertijd zeg ik als vriend van Israël dat ik het onverstandig vind om altijd maar door te bouwen in Oost-Jeruzalem.

De heer Van Bommel (SP): Nu is het mij toch niet helemaal duidelijk. Sluit de heer Ormel zich nu aan bij wat de regering in haar brief stelde, zoals hij in eerste instantie deed, of sluit hij zich nu, in tweede instantie, aan bij de toestemming van de Amerikanen om wel in Oost-Jeruzalem te bouwen, ook in de komende 90 dagen?

De heer Ormel (CDA): Ik sluit mij aan bij de regering. Dat betekent dat ik vind dat de regering er in EU-verband voor moet pleiten om de bouwstop ook te laten gelden in Oost-Jeruzalem en dat de EU dat vervolgens duidelijk maakt aan de Amerikanen. Ik vind alleen niet dat wij er een halszaak van moeten maken. Wij moeten wars blijven, zeker in het Midden-Oosten Vredesproces, van «megafoonpolitiek» ten behoeve van onze eigen kiezers. Het enige wat we moeten doen, is ervoor zorgen dat we met zijn allen stappen vooruit zetten.

De voorzitter: Ik wijs u erop dat de woordvoerders voor het volgende debat op uw verzoek zijn gealarmeerd. Zij zijn hier rond een uur of vijf. Dat betekent dat er geen tijd voor een tweede termijn overblijft als u de minister tijdens zijn beantwoording heel veel interrumpeert.

Mocht u echt behoefte hebben aan een tweede termijn, dan vraag ik u om zeer spaarzaam te zijn met interrupties. Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik heb een punt van orde. Kunnen we, gezien de beperkte tijd, niet beter per onderwerp of per land kijken of er vragen zijn en op die manier een tweede termijn voorkomen?

De voorzitter: Daar is geen bezwaar tegen, zie ik, dus ik vraag de minister om per onderwerp te antwoorden. Aan het einde van ieder antwoord zal ik kijken of er vragen zijn. Die kunnen we dan in een keer per land, per onderwerp of per regio bespreken.

De heer Ormel (CDA): Ik heb ook een punt van orde: beperk ons gewoon tot twee interrupties.

De voorzitter: Misschien zelfs wel tot een, als u zo doorgaat!

Minister Rosenthal: Voorzitter. Ik zal inderdaad proberen om het dan per land van mijn kant te behandelen. Ik begin met Birma, omdat de heer Voordewind daarmee begon. Inderdaad, waarom die bittere teleurstelling over dat hele verkiezingsproces? Omdat er geen Kieswet was, geen waarnemers waren, geen journalisten en partijen uitgesloten waren van het verkiezingsproces. Aung San Suu Kyi, die door ons beschouwd moet worden als de morele winnaar van deze verkiezingen omdat zij de verkiezingen in 1990 met overweldigende meerderheid won, is vrijgelaten, al moeten we afwachten wat dat te betekenen heeft. Het gaat niet alleen om Suu Kyi, maar ook om de 2 200 politieke gevangenen die er nog altijd zijn. Zolang die niet weg zijn blijven onze problemen met Birma bestaan. Over het feit dat de ASEAN er een andere kijk op zegt te hebben, kan ik alleen maar melden dat die in het algemeen een vriendelijker toon aanslaat jegens Birma. Misschien is dat Asian-style; in ieder geval is het simpelweg de enige reden die ik daarvoor kan vinden.

Over de sancties tegen Birma merk ik op dat zij onverminderd gehandhaafd moeten worden. Er moet ook vooral worden gelet op de effectiviteit daarvan. Dit is zonder meer duidelijk.

Verschillende commissieleden hebben vragen gesteld over internationaal onderzoek et cetera. Laat ik daarover zeggen dat de regering het voorstel voor een internationale onderzoekscommissie voor Birma van harte steunt. Zij zal zich daarvoor ook inzetten. De Nederlandse permanente vertegenwoordiger in New York is in overleg met de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over de mogelijkheden tot agendering van Birma in de Veiligheidsraad zelve. Ik zal mij er van mijn kant voor inzetten dat ook de EU steun aan die commission of inquiry geeft. Natuurlijk hoort daarbij dat ik bezie hoe daarvoor zo breed mogelijke steun te genereren is, om daarmee ook de heer Timmermans op dit dossier in elk geval tevreden te stellen. Het moet wel zorgvuldig worden voorbereid – ik zeg dit geheel in die lijn – want als je hierop wordt afgestemd, heb je niets.

De heer Van Bommel heeft nog gevraagd om steun aan kleine organisaties in Birma. Die wordt al volop gegeven. Dan gaat het vooral om mensenrechten en democratisering, maar ook om de ontwikkeling van ngo's aldaar, om steun aan ex-politieke gevangenen en families. Daarom heeft de heer Van Bommel ook expliciet gevraagd. Die wordt dus gegeven. Daarnaast wordt er ook stevig ingezet op het punt van de volksgezondheid, die in Birma op vele punten op het platteland zwaar te wensen over laat.

Nu kom ik op de actuele situatie aan de grens met Thailand. Ik moet het zeggen zoals het is: er zijn geen harde indicaties dat er sprake is van gedwongen terugkeer. Zelfs de UNHCR, toch een van de belangrijkste bronnen, mijnheer Voordewind, geeft die niet. Je kunt er wel een vermoeden van hebben, maar harde indicaties zijn er niet. Nederland steunt de vluchtelingenkampen aan de grens met Birma met een kleine 2 mln. per jaar. Dit kan ik in antwoord op die vragen melden.

De voorzitter: Ik ga ervan uit dat er verder geen vragen over Birma zijn.

Minister Rosenthal: Nu kom ik op Iran. Laat mij beginnen met het punt dat door verschillende fracties is opgebracht: de lijst met mensenrechtenschenders. Die lijst komt van Amerikaanse kant. De vragen die de Kamer daarover heeft gesteld, hebben wij beantwoord overeenkomstig het beleid dat wij nu volgen. Wij proberen zo veel mogelijk op Europees niveau te bewerkstelligen dat besloten wordt, die mensenrechtenschenders toetreding tot Europees grondgebied te ontzeggen. Ik heb daar kort geleden met Hoge Vertegenwoordiger Ashton over gepraat. Zij zegt dat zij positief tegenover deze opvatting staat en dat zij die verder zal voeren. Ik heb inmiddels ook van mijn Britse collegae begrepen dat die deze lijn sowieso ook voorstaan, dus ik hoop nu in EU-verband weer een stap verder te komen en inderdaad ook op dat punt zo ver te komen als bijvoorbeeld de heer Timmermans wil, namelijk inzet vanuit de EU op dit punt.

Gevraagd is naar de specifieke categorisering van zware mensenrechtenschenders. Het gaat op dit moment om mensenrechtenschenders die inderdaad in een aparte categorie zijn geplaatst. Als we die op deze manier hard kunnen sanctioneren, is dat mooi meegenomen.

Over de sancties tegen Iran kan ik allereerst meedelen dat de Hoge Vertegenwoordiger, Lady Ashton, op grond van contacten die zij met Iran heeft gehad, ervan uitgaat dat het E3+3-overleg hervat wordt. Dat is dus, gemakshalve omschreven, het overleg van permanente leden van de Veiligheidsraad + Duitsland met Iran. Wij hebben er nog geen bevestiging van dat er metterdaad op een bepaalde datum op een bepaalde plaats een keer of vaker overleg tussen de E3+3 en Ashton enerzijds en Iran anderzijds zal plaatshebben. Er wordt wel gepraat over Wenen of Istanbul. De inzet van de E3+3 is begin december.

Over de sancties als zodanig kan ik meedelen dat het altijd zo is dat ernaar wordt gestreefd, Iran op deze manier op een betere koers te krijgen. Er zijn aanwijzingen dat de sancties werken of beginnen te werken. De hoop is dat we daarmee, natuurlijk in het grotere verband, narigheden van de ernstige soort voor kunnen zijn. Het is echter allemaal fragiel. Dat kan niet anders gezegd worden.

De sancties werken op dat punt soms ook stevig door. Zo weet u bijvoorbeeld dat het Iran Air op Schiphol moeilijker gemaakt is om kerosine te tanken.

Ik meen dat ik daarmee de kernvragen over Iran wel heb besproken.

De voorzitter: Ik zie dat er een aantal vragen over Iran is. De heer Nicolaï krijgt als eerste het woord.

De heer Nicolaï (VD): Afgezien van de zwarte lijst, wordt in de brief niet vermeld of de verwachting is dat wordt besproken welke sancties wij in de achterzak hebben of wij samen met de VS aan het bespreken zijn of dat er juist alleen wordt gesproken over hoe en wanneer er weer overlegd wordt. We hoeven het hier nu niet allemaal te herhalen, maar de minister weet dat hier door de VVD, maar ook Kamerbreed op aangedrongen is, zij het dat de VVD hierin wellicht net iets verdergaat dan de Kamer. Er lagen natuurlijk al plannen, voornemens en mogelijkheden. Daarom roep ik de minister in ieder geval op om dat proces te bevorderen, zodat het op zijn minst paraat ligt zodra het, liefst in Veiligheidsraadverband, opportuun wordt geacht om stappen te gaan zetten.

Minister Rosenthal: Ik pak het punt van de heer Nicolaï graag op, vanzelfsprekend zou ik haast zeggen, want tot nog toe is het stramien dat we het sanctiepad zo lang mogelijk moeten zien te bewandelen, waarbij «zo lang mogelijk» is gekoppeld aan de effectiviteit die het mogelijkerwijs richting Iran heeft om dat land op zijn minst aan de gesprekstafel te krijgen. Het feit dat Iran nu inderdaad heeft gezegd dat het de gesprekken met de Hoge Vertegenwoordiger en de E3+3 wil hervatten – er wordt niet over onderhandelen gepraat, maar over gesprekken – geeft al aan dat er voortdurend samenhang is tussen de strakke lijn met betrekking tot de sancties en de mogelijke bereidwilligheid van de Iraniërs om in ieder geval te praten en de gesprekken te hervatten.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. De sancties tegen Iran lijken te werken, zei de minister. Doelt hij daarmee op het laatste punt dat men in beginsel bereid is om de gesprekken te hervatten of is er meer waaruit blijkt dat de sancties effectief zijn?

Minister Rosenthal: Wij begrijpen dat de sancties op een aantal punten inderdaad effect sorteren waar het de economische transacties met Iran betreft, op allerlei fronten. Dat blijkt inderdaad door te werken. Daar speelt natuurlijk net als bij andere sancties in andere delen van de wereld een belangrijke rol bij dat je ook hier alles op alles moet zetten om je te richten op sancties die het regime vooral treffen en niet de bevolking.

Ik herhaal toch nog even, al kost dat extra tijd, waarvoor excuus, dat er op zijn minst aanwijzingen zijn dat de werking van de oplopende sancties samenhang vertoont met de bereidwilligheid van de Iraniërs om te praten en mogelijk later ook inderdaad te onderhandelen over de punten waarom het werkelijk gaat.

De Nederlandse regering pleit voor spoedige hervatting van de directe besprekingen in het onderhandelingsproces in het Midden-Oosten. Dat lijkt mij vanzelfsprekend; hiermee vertel ik niets nieuws. De regering legt er hierbij sterk de nadruk op dat Nederland, en wat Nederland betreft ook de EU, alles moet doen wat bijdraagt aan de Amerikaanse rol in de bevordering van het vredesproces. Ik zeg dit in alle duidelijkheid, hiermee meteen een aantal vragen beantwoordend. Ik kan mij best voorstellen dat hier andere opinies over zijn, maar dit is de inzet van de Nederlandse regering. Nederland en, mutatis mutandis, de EU moeten alles op alles zetten om de Amerikanen te helpen bij de rol die zij spelen in het vredesproces. Ik heb dit trouwens ook aan de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Lady Ashton, gemeld. Zij heeft het niet alleen aangehoord, maar was het daarmee, leek mij, ook in grote trekken eens. Laat ik dat gezegd hebben.

Voor het Midden-Oosten geldt bovendien natuurlijk het feit dat Nederland de band met Israël wil intensiveren. Dit staat in het regeerakkoord, dus ik zeg het, al weet ik dat daar door sommigen anders over wordt gedacht. Daarbij zijn twee zaken aan de orde, ten eerste dat de Nederlandse regering de mening is toegedaan dat, waar het bestaan van Israël door veel landen in twijfel wordt getrokken, zie de «delegitimering» die veelal plaatsheeft en zie de uitspraken van president Ahmadinejad van Iran, de Westerse landen, Nederland dus ook, weerstand moeten bieden aan deze trends en dat – ik zeg het ook maar even in die taal – Nederland bijvoorbeeld ook weerstand moet bieden aan de bestaande neiging tot «Israel bashing». Dat neemt natuurlijk niet weg dat de Nederlandse regering voor een evenwichtige en «even-handed» benadering van het Israëlisch-Palestijnse conflict staat. Enerzijds staat de Nederlandse regering voor een tweestatenoplossing en alles wat daaraan vastzit – en ik heb dan ook expliciet mijn teleurstelling uitgesproken over het feit dat de Israëli's kort geleden toch weer zijn gaan bouwen in Oost-Jeruzalem – anderzijds stelt de regering zich op het standpunt dat coûte que coûte moet worden voorkomen dat de Palestijnen unilaterale stappen zetten in de richting van het uitroepen van een Palestijnse staat. Wij zitten dus heel sterk aan het vredesproces vast.

Over het verder investeren in de band met de staat Israël moet ik u erop wijzen – dit is gewoon een feit – dat ik daarbij vooral ook denk aan de verdieping van een aantal betrekkingen op een aantal functionele domeinen. Er liggen kansen voor handel en economie, wetenschap, innovatie, waterbeheer et cetera. Ik wil u ook met nadruk zeggen dat ik aan mijn collega Westerwelle, die vanuit Duitsland die speciale band juist op dat soort terreinen met Israël onderhoudt en bij wie ik in Berlijn op bezoek was, de mogelijkheid heb voorgelegd om op een aantal punten tot gemeenschappelijke activiteiten met de Duitsers te komen. Dat viel in goede aarde.

De voorzitter: Hierover is een aantal vragen. Ik geef het woord aan de heer Timmermans, die zich als eerste meldde.

De heer Timmermans (PvdA): Als de regering de opvatting heeft dat iedere kritiek op Israël «Israel bashing» is, komen we geen stap verder. Ik stel vast dat de minister terecht zegt dat we de Amerikanen moeten faciliteren in de rol die zij daar moeten spelen. Daarmee is mijn fractie het volkomen eens. Een realistische inschatting van de Europese en Nederlandse invloed is nodig. Die realistische inschatting leidt tot de conclusie dat hierin de Amerikanen «leading» zijn. Mij valt alleen wel op dat de minister zegt dat de Nederlandse regering er teleurgesteld over is dat Israël weer is gaan bouwen in Oost-Jeruzalem, terwijl dat volstrekt illegaal is. De Amerikaanse regering veroordeelt dat veel harder dan de Nederlandse regering! Je zou toch op zijn minst verwachten dat wij in de woordkeuze en de opstelling ook dezelfde positie kiezen als de Amerikaanse regering. Ik vraag niet meer dan dat, maar zelfs dat wil de Nederlandse regering niet uit angst voor «Israel bashing». Als de minister de Amerikanen wil faciliteren, laat hij dan dichter bij hun standpunt blijven en niet dichter bij de wensen van Lieberman en Netanyahu. Daar bewijs je Israël echt geen dienst mee; hiervan ben ik ten diepste overtuigd.

Minister Rosenthal: De Nederlandse regering zal in genen dele terughoudend zijn zodra Israël zaken doet waarop kritiek moet worden uitgeoefend. Laat ik dat zeggen. De lijn die wij volgen heeft ook iets te maken met de overall inspanningen die de afgelopen jaren trouwens al geleverd zijn. Die lijn is ontstaan uit het feit dat is gebleken dat, indien wij richting Israël inderdaad een aantal extra inspanningen leveren, de Nederlandse relatie met Israël aantoonbaar positiever wordt, niet alleen rechtstreeks met Israël, maar ook indirect in de zin dat wij dan bij Israël gehoor voor een aantal zaken in het belang van de Palestijnen vinden.

Ik zou het ook huiselijk kunnen zeggen: kritiek van een goede vriend wordt soms beter gehoord dan kritiek van iemand die bij voorbaat als vijandig wordt gezien.

De heer Timmermans (PvdA): Laat ik het dan ook huiselijk zeggen tegen de minister. De heer Verhagen ging bij de heer Lieberman op bezoek, maar werd gewoon als een schooljongen weggestuurd. De heer Lieberman had geen enkele boodschap aan de wensen van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Zijn invloed op de positie van Lieberman was gewoon nihil. Mijn stelling blijft – dit is bepaald geen radicale opstelling – dat je zo dicht mogelijk bij de Amerikaanse positie moet blijven, want daarmee vergroot je de kans om binnen de EU, dus met onze vrienden de Duitsers en de Britten consensus te bereiken en heb je maximaal kans dat je daar iets kunt betekenen. Pak voor jezelf nu niet de positie van: laten we eens aan Jeruzalem vragen welke instructies we voor ze moeten uitvoeren, want daar dienen we Israël het best mee. Dat geloof ik gewoon niet!

Minister Rosenthal: Ik zou bijna zeggen: dat is veel te offensief voor mij als vriendelijke minister van Buitenlandse Zaken. De heer Timmermans maakt nu toch eigenlijk wel een beetje een karikatuur van de Nederlandse koers richting Israël. Nee, wij laten ons helemaal niet door de Israëli's wegsturen met wat de Israëli's graag willen melden. Ik zal mijzelf nooit laten wegsturen als een – hoe noemde u dat – bepaald persoon of dier.

De voorzitter: Als een schooljongetje.

Minister Rosenthal: Ik zal mij niet als een schooljongetje laten wegsturen door de heer Lieberman. Als er een koers is die wij willen uitzetten, is dat inderdaad dat wij de inspanningen van de Amerikanen richting het Midden-Oosten koste wat kost willen steunen. Laat daarover geen misverstand bestaan.

De heer El Fassed (GroenLinks): De minister zei net dat hij teleurgesteld was over de bouw van nederzettingen. Is hij dat vanwege de reeds jarenlange opvatting van Nederland dat de bouw van nederzettingen internationaalrechtelijk niet kan, vanwege het feit dat de bouw van nederzettingen een obstakel vormt voor het vredesproces en de tweestatenoplossing, die al jaren het doel van de Nederlandse regering is, of vanwege het feit dat hij de Amerikaanse opstelling koste wat kost wil volgen, zoals hij net zei.

Minister Rosenthal: Ik zie eigenlijk niet zo veel licht tussen de drie componenten die de heer El Fassed noemt. Ik denk dat het eerste, het tweede en het derde hier opgaan.

De heer El Fassed (GroenLinks): De VS heeft gezegd dat zij na deze bouwstop niet nog eens aan Israël om een tijdelijke bouwstop zal vragen. Als het waar is dat de Amerikaanse opstelling de belangrijkste motivatie is, ben ik wel benieuwd naar de positie van de EU.

Minister Rosenthal: Ik sluit het liefst aan bij degenen die voorstellen om voorlopig maar even tevreden te zijn als het bericht klopt dat er een bouwstop van drie maanden komt. Dit bericht is nog niet aan de Nederlandse regering bevestigd, dus ik moet terughoudend zijn. Het is in ieder geval beter dan als die bouwstop er niet zou zijn. Laten wij alleen niet meteen de illusie koesteren dat er in die drie maanden een vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen tot stand komt, maar hopen dat die drie maanden ten volle worden benut om zo ver mogelijk te komen. Ik zou zeggen: wees tevreden met elk stapje dat in elk geval in de goede richting wordt gezet.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft de Kamer een brief toegezegd over de fondswervende activiteiten van de Union of Good, een Europees functionerende organisatie die fondsen voor Hamas werft. Is de minister bereid om die toezegging aan de Kamer over te nemen? Kan zij die brief nog verwachten?

Minister Rosenthal: Ik vind het prettig om die toezegging zonder meer te kunnen doen.

De heer Timmermans (PvdA): Om ieder misverstand te voorkomen, wil ik de minister toch het volgende vragen. De Nederlandse regering is toch nog steeds van opvatting dat bouwen in bezet gebied illegaal is en daarom moet worden veroordeeld?

Minister Rosenthal: De Nederlandse regering is van mening dat bouwen in bezet gebied illegaal is en dat het ook het vredesproces absoluut niet verder helpt. Laat daarover geen misverstand bestaan. Ik dacht het regeerakkoord uit mijn hoofd te kennen op dit punt en wilde eruit citeren, maar dat is toch niet het geval, dus ik ga onmiddellijk door met een ander niet-gering onderwerp, Irak. Vooral de heren Voordewind en Van der Staaij hebben vragen gesteld over de bescherming van christelijke en andere minderheden in Irak. Daarbij is gerefereerd aan een veilige zone. Misschien klinkt het onheus, maar de Nederlandse regering heeft niet zo veel op met safe havens, veilige zones, vanwege de kwetsbaarheid die je daarmee in wezen oproept. Dat neemt niet weg – wij hebben hierover eerder van gedachten gewisseld – dat de Nederlandse regering messcherp en wat dies meer zij is op het veroordelen van wat er op dit moment op dit punt in Irak speelt. Ik heb mij bij gelegenheid al rechtstreeks tot de autoriteiten in Bagdad gewend om hun de verontrusting van de Nederlandse regering over dit soort zaken kenbaar te maken. Ik voel mij hier dankzij de gestelde vragen in gesteund om dit aldus onverminderd voort te zetten. Laat ik dat daarover gezegd hebben.

Gevraagd is wat wij via de EU in Irak kunnen doen. De EU is actief en zet zich wat dat betreft met volle kracht in. De Hoge Vertegenwoordiger spreekt zich op dat punt ook consequent uit tegen zaken waarover wij zo teleurgesteld zijn, en niet alleen dat. Wij weten dat aanslagen op christenen zijn toegenomen. Op dat punt wijst inderdaad ook

de EU de Iraakse autoriteiten er onversaagd op dat het niet kan. Tegelijkertijd speelt in dit verband een aantal andere zaken, zoals een van de projecten, waarbij in elk geval wordt geprobeerd, de dialoog tussen de religieuze leiders in Irak te verstevigen en te continueren.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Veilige zones hebben inderdaad ook hun kwetsbaarheid, dat geef ik meteen toe, maar die hadden ze ook toen er in Halabja een massamoord op de Koerden plaatsvond en toen de Kosovaren etnisch gezuiverd werden. Hier hebben we het over een religieuze zuivering van eveneens een bevolkingsgroep die daar al eeuwen woont. Nu ziet de minister een veilige zone kennelijk niet zitten, maar hoe kunnen we volgens hem deze groepering, die nu of gedwongen wordt om te vluchten en dus ook Nederland massaal aan zal doen, of massaal wordt afgeslacht, beter beschermen dan via de termen die we tot nu toe hebben gehad, namelijk dat de Europese Unie haar zorgen nog eens uitspreekt en zegt dat de bescherming moet toenemen. Dat heeft tot nu toe niets opgeleverd.

Minister Rosenthal: Dan gaat het mijn inziens om twee zaken, in de eerste plaats om ertoe bij te dragen dat er op zijn minst opvangfaciliteiten in het land zelf worden gecreëerd en in de tweede plaats om het alles op alles zetten om de Iraakse regering bij te staan bij al wat nodig is om de algemene veiligheidssituatie in dat land te vergroten.

De vragen van de heer Timmermans betroffen niet zozeer landen als wel de positie van de EU en de relatie tussen de EU en haar strategische partners. Natuurlijk is het de inzet van de Nederlandse regering om, waar enigszins mogelijk, de inzet van de EU op gemeenschappelijke basis te realiseren en te verzilveren. Per definitie zijn compromissen daarvoor cruciaal. Dat is een feit. Het wordt in het regeerakkoord ook expliciet gemeld, dat weet ik wel. De vraag is wel tot hoe ver je gaat. Wat dat betreft, lijkt het mij inderdaad niet verstandig om alles over een kam te scheren. Laat ik een voorbeeld noemen van waar de Nederlandse regering er veel aan heeft gehad om toch heel strak aan de wind te zeilen: Servië. Mede dankzij, ik zou het bijna noemen: parlementaire diplomatie – zie de desbetreffende motie die destijds is ingediend – ben ik in staat geweest om op de vorige Raad van ministers van Algemene Zaken te realiseren dat de toetreding van Servië afhankelijk blijft van volledige samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal en ben ik in staat geweest om de unanimiteit en de consensus bij het vormen van acquis overeind te houden. Kortom, het kan van groot belang zijn dat Nederland strak en stevig op bepaalde dossiers inzet. Natuurlijk gaat het er uiteindelijk wel om dat je weet dat er in de EU over tal van punten compromissen moeten worden gesloten.

De heer Timmermans was – mag ik dit adjectief gebruiken – mild cynisch over een aantal van de toppen. Laat ik toch zeggen dat de EU er op verschillende toppen wel degelijk in geslaagd is, als blok eenduidige signalen af te geven. Ik noem als voorbeeld de laatste EU-Chinatop, waar de heer Van Rompuy glashelder was over zaken als mensenrechten, het wapenembargo, het belang van de devaluatie van de renminbi en de bescherming van intellectueel eigendom. Op veel punten werkt het dus wel degelijk.

Nu kom ik op de Mediterrane Unie. De heer Ormel toonde zich daarover lichtelijk teleurgesteld. Marokko en andere landen waar problemen zijn, worden hoe dan ook langs allerlei kanalen op die problemen aangesproken. Marokko neemt trouwens ook deel aan de EU-Afrikatop, net zoals andere landen uit de Maghreb. Daar zal dit punt ongetwijfeld worden opgebracht. Als het bovendien om die mediterrane regio gaat, laten we dan niet vergeten dat de Europese Unie via associatieakkoorden allerlei bilateraal contact heeft met landen als Marokko, Algerije, Tunesië en Egypte. Laat ik overigens wel een hartenkreet slaken over die UMR. Het toeval wil dat ik zelf vijf jaar lang lid ben geweest van de parlementaire delegatie naar de Euro-Mediterrane Parlementaire Assemblee. Ik mag hopen – dat staat ook in onze brief aan de Kamer – dat die Mediterrane Unie echt eens wat effectiever gaat werken en dat het daar niet alleen wordt gezocht in de vergroting van secretariaten et cetera.

De heer Van Bommel had nog vragen over de katoensubsidies. Die zijn inderdaad marktverstorend. Ik mag zeggen dat Nederland in dit debat dat de heer Van Bommel terecht aan de orde heeft gesteld, leidend mag worden genoemd, niet alleen in de EU, maar vooral ook in de WTO. Laten we wel wezen, van hieruit gaan katoensubsidies de wereld in, maar nog veel meer vanuit de Verenigde Staten, dus als er echt een arena is waar dit bevochten moet worden, dan is het in de WTO. Daarom is de afronding van de WTO-DOHA ontwikkelingsronde. Daarom dringt Nederland daar ook voortdurend op aan. Het zal overigens en vanzelfsprekend wel mee moeten worden genomen bij de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2013–2020, waar Nederland hard aan werkt zonder dat dit in andere Europese landen op tevredenheid stuit.

Ten slotte zijn er vragen over de EU-Afrikatop gesteld en met name over de president van -Sudan, Bashir. Die heeft gezegd, niet beschikbaar te zijn voor de EU-Afrikatop. Nederland zal van zijn kant benadrukken dat alle Afrikaanse landen moeten meewerken met de ICC-hoofdaanklager en dat zij opvolging moeten geven aan zijn arrestatiebevel, maar daarmee is niet gezegd dat hij eind deze maand niet ineens in Tripoli zal opduiken. Het moge wel duidelijk zijn dat er voor Nederland geen enkele sprake kan zijn van enige coulance of wat dan ook jegens deze president in actie. Dit heb ik ook expliciet tegen de minister van Buitenlandse Zaken van Sudan gezegd.

De voorzitter: Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit debat, want we hadden besloten om de tweede termijn en de interrupties samen te voegen. Ik dank u voor de medewerking om in ieder geval te proberen, om 17.00 uur klaar te zijn. Het is iets na vijven. De andere leden van de vaste commissie voor Europese Zaken en de woordvoerders staan te popelen om aan het volgende debat te beginnen. Ik dank de minister van Buitenlandse Zaken en zijn ondersteuning voor hun komst naar de Kamer en wens hun een fijne reis naar Brussel en een vruchtbare Raad a.s. maandag.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Albayrak (PvdA) (Voorzitter), Timmermans (PvdA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA, Nicolaï (VVD), Haverkamp (CDA), Eijsink (PvdA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Thieme (PvdD), Kortenoeven (PVV), Bosman (VVD), Dikkers (PvdA), El Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66), Dijkhoff (VVD) en Driessen (PVV).

Plv. leden: Van Raak (SP), Recourt (PvdA), Samsom (PvdA), Bruins Slot (CDA), Cöruz (CDA), Muider (VVD), Knops (CDA), Arib (PvdA), Van Dijk (SP), De Mos (PVV), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schouw (D66), Hennis-Plasschaert (VVD), Ouwehand (PvdD), Wilders (PVV), Leegte (VVD), Heijnen (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Van Veldhoven (D66), Taverne (VVD), Bontes (PVV) en Halsema (GroenLinks).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Verburg (CDA) voorzitter, Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Albayrak (PvdA), Verburg (CDA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Nicolaï (VVD), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), De Roon (PVV), Jansen (SP), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Bontes (PVV), Groot (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Sharpe (PVV), Nieuwenhuizen (VVD), Schouw (D66), El Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66) en Dijkhoff (VVD).

Plv. leden: Irrgang (SP), Dijkgraaf (SGP), Jacobi (PvdA), Haverkamp (CDA), Bruins Slot (CDA), Çörüz (CDA), Azmani (VVD), Samsom (PvdA), Timmermans (PvdA), Elissen (PVV), Hennis-Plasschaert (VVD), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Voordewind (ChristenUnie), Driessen (PVV), Dikkers (PvdA), Peters (GroenLinks), Kortenoeven (PVV), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Veldhoven (D66), Van Tongeren (GroenLinks), Pechtold (D66) en Huizing (VVD).