21 483
Normstelling ioniserende straling voor arbeid en milieu

nr. 22
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 november 2000

Op 8 februari jl. heeft de Gezondheidsraad aan de ministers van VROM en van VWS advies uitgebracht over de gezondheidsrisico's verbonden aan de blootstelling aan radon in woningen en andere verblijfs- en werkruimten (Advies 2000/05, voor samenvatting zie bijlage)1. Mede namens de Minister van VWS deel ik U in reactie hierop het volgende mede.

Aanleiding voor het nieuwe advies was de recente publicatie van het Biological Effects of Ionizing Radiation rapport nummer VI van de Academie van Wetenschappen in de VS.

De Gezondheidsraad komt in haar advies ondermeer tot de conclusies dat:

1. de veronderstelling dat er sprake is van een lineair effect tussen de mate van blootstelling aan radon en de hoogte van het risico op optreden van longkanker het meest plausibel is. Er wordt dus aangenomen dat er geen sprake is van een drempeleffect;

2. het risico op het krijgen van kanker ten gevolge van een eenheidsmaat aan radon circa 25% hoger moet worden ingeschat dan in 1993 werd aangenomen;

3. het aantal aan radon toe te schrijven longkankergevallen in Nederland echter niet wezenlijk veranderd is onder meer omdat de radonconcentraties in woningen thans lager worden ingeschat dan in 1993. Het aantal extra sterfgevallen per jaar wordt nu ingeschat op 100 tot 1200 per jaar met een centrale schatting van 800 extra sterfgevallen per jaar.

Het vigerende beleid met betrekking tot straling in de woning wordt weergegeven in de brief van de staatssecretaris van VROM d.d. 19 juni 1997 (Tweede Kamer, 1996–1997, 21 483, nr. 21). De recente wetenschappelijke inzichten zoals beschreven door de Gezondheidsraad zijn een duidelijk signaal om met voortvarendheid door te gaan op de ingeslagen weg.

Dat houdt in de ontwikkeling van een Stralings-Prestatie-Norm (SPN) op het niveau van verblijfsgebied/-ruimte van de woning, à la het model van de Energie-Prestatie-Norm (EPN).

In december vorig jaar is voor de berekening van de stralingsprestatie van de woning een ontwerp-norm door het Nederlands Normalisatie Instituut gepubliceerd. In de eindfase van de totstandkoming van deze ontwerp-norm is de normcommissie tot de conclusie gekomen dat er behoefte bestaat aan extra informatie over de stralingseigenschappen van bouwmaterialen. Het betreffende onderzoek is ondertussen gestart en zal eind dit jaar worden afgerond. De implementatie van de SPN voor nieuw te bouwen woningen zal per 1 januari 2002 plaatsvinden door het opnemen in het Bouwbesluit van een grenswaarde voor de maximaal toelaatbare stralingsbelasting vanwege de woning, berekend overeenkomstig de hiervoor aangeduide norm. Bij de keuze van de grenswaarde zal rekening worden gehouden met mogelijkheden van de bouwpraktijk en de hiervoor aangegeven conclusies van het Gezondheidsraadadvies. Hierover vindt overleg plaats met vertegenwoordigers uit de bouwwereld.

De SPN heeft geen invloed op de bestaande bouw. Voor de bestaande bouw zal de aandacht vooral moeten uitgaan naar voldoende ventilatie. Door het steeds minder vóórkomen van onbewuste ventilatie als gevolg van het afdichten van kieren wordt een groter appèl gedaan op het ventilatiegedrag van bewoners. Een goede ventilatie is ook voor andere aspekten van groot belang voor een gezond woonklimaat. Daarom ben ik voornemens hierover een aktief voorlichtingsbeleid te gaan voeren. Voorts wordt in de convenanten Duurzaam Bouwen aandacht geschonken aan het luchtdicht maken van de begane grondvloer ter voorkoming van toetreding in de woonruimte van schadelijke stoffen (inclusief radon) uit de kruipruimte.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven