21 436
Wijziging van de Visserijwet 1963

nr. 31
GEWIJZIGDE AMENDEMENTEN VAN HET LID M. B. VOS TER VERVANGING VAN DIE GEDRUKT ONDER NR. 14

Ontvangen 29 maart 1996

De ondergetekende stelt de volgende amendementen voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

I

Na onderdeel B wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 2c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2d

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de lok- en vangmiddelen die gebruikt worden bij het vissen. Deze regels kunnen een verbod van bepaalde lok- of vangmiddelen bevatten indien het welzijn van de te vangen of de bijgevangen dieren onaanvaardbaar wordt aangetast.

II

In onderdeel D wordt artikel 16, tweede lid, vervangen door:

2. Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid wordt mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

III

Onderdeel M wordt vervangen door:

M

Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b, eerste lid, 2c, eerste en tweede lid, 7, eerste lid, 10, eerste lid, 16, eerste en derde lid, en 21, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b, eerste lid, 2c, eerste en tweede lid, 2d, 7, eerste lid, 10, eerste lid, 16, eerste en derde lid, en 21, eerste lid,.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de voorschriften bedoeld in de artikelen 10, tiende lid, 17, derde lid, 22, tweede, derde en vijfde lid, en in artikel 29, tweede lid,» vervangen door: de voorschriften bedoeld in de artikelen 10, tiende lid, 17, tweede lid, 22, tweede, derde en vijfde lid, 29, tweede lid, en 33, tiende lid,.

Toelichting

In de notitie van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 22 november 1990 (kamerstukken II 1990/91, 16 447, nr. 79) stelt deze dat de Visserijwet 1963 het kader biedt voor alle regelgeving die met het vangen verband houdt. Hij voegt daar expliciet aan toe dat ook welzijnsbepalingen die met het vangen verband houden in deze wet ondergebracht moeten worden. Deze amendementen geven daaraan uitvoering met het ingevoegde artikel 2d. De minister stelt regels ten aanzien van de lok- en vangmiddelen, waarbij vanzelfsprekend het dierenwelzijn in acht wordt genomen, en kan bepaalde middelen verbieden indien daardoor het welzijn van de (bij)gevangen dieren onaanvaardbaar wordt aangetast.

M. B. Vos

Naar boven