21 250
Derde Nota waterhuishouding

24 165
Zeescheepvaartbeleid

25 611
Saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1998–2010

24 036
Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit

nr. 43
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 27 november 1997

De vaste commissies voor Verkeer en Waterstaat1 en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 hebben op 2 oktober 1997 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Verkeer en Waterstaat over:

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 25 februari 1997 inzake voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden 1996 (21 250, nr. 42);

de voortgangsnota Scheepvaartverkeer Noordzee(24 165, nr. 9);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 13 februari 1997 inzake storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten (25 000-XII, nr. 41);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 24 februari 1997 inzake verontreinigde baggerspecie, met name het depot in het Hollands Diep (25 015, nr. 2);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 11 maart 1997 inzake actieprogramma diffuse bronnen (VW-97–270);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 27 juni 1997 inzake wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (heffing op EOX) (25 129, nr. 5);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 20 augustus 1997 inzake kabinetsstandpunt rapport MDW-werkgroep Wet verontreiniging oppervlaktewateren (24 036, nr. 56);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 29 augustus 1997 inzake brief van Nederlandse non-ferro-industrie(VW-97–775);

de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat d.d. 16 september 1997 ter aanbieding van het saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1998–2010 (25 611).

Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Feenstra (PvdA) sprak allereerst zijn complimenten uit voor de transparante en leesbare voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden 1996 van de hand van de commissie integraal waterbeheer (CIW) en sprak de hoop uit dat deze rapportagevorm op den duur zal leiden tot een soort MIT maar dan voor het natte deel van Verkeer en Waterstaat. Hij had overigens begrepen dat het ministerie van LNV wel fysiek vertegenwoordigd is in de CIW doch daarbinnen niet volwaardig deelneemt en vroeg de minister of zij van zins is om verandering in die situatie te brengen. Als de CIW in staat blijkt om de mogelijkheden te bieden om te komen tot goede bestuurlijke afspraken, zal zij een goed gremium kunnen zijn om de vierde nota Waterhuishouding goed te kunnen uitwerken. In deze nota dienen helder omschreven te worden de doelstellingen gekoppeld aan de jaartallen van beoogde realisering en zal er sprake dienen te zijn van een transparant systeem van monitoring met het oogpunt van een adequate signalering van zowel vorderingen als knelpunten. Verder is het van belang dat naast de ministeries van LNV en van VROM, het ministerie van VW zich vanuit zijn eigen verantwoordelijkheden betrokken weet bij het mestbeleid en het bestrijdingsmiddelenbeleid. Bovendien zal in genoemde nota ook aandacht besteed moeten worden aan de rioleringen in het buitengebied en aan het wegnemen van de knelpunten met betrekking tot de verdroging. Juist op het terrein van het waterbeleid zal de handhaving langzamerhand vrijgemaakt dienen te worden van een meer vrijblijvende aanpak. Als de waterkwaliteit niet in die mate verbetert dat daarmee het biologisch herstel mogelijk is, leek het de heer Feenstra zinnig om na te gaan of er extra middelen kunnen worden ingezet, ook na de GEVEBE-regeling, om voldoende te kunnen doen aan verdroging, natuurherstel etc.

Het probleem van de baggerspecie, in feite een oude rekening uit de pre-NMP-periode die nog betaald moet worden, werkt verstorend in zowel economische als ecologische zin. Wat betreft de verwerking van baggerspecie tot ecokorrels zou sprake kunnen zijn van een technisch verantwoorde aanpak die duidelijk perspectief biedt, maar tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat er procedureel nogal wat belemmeringen kleven aan het hergebruik in algemene zin. Hoe denkt de minister die belemmeringen weg te nemen? In haar brief van 13 februari 1997 stelt de minister dat het ook voor natuur en milieu loont om baggerspecie uit de rivierbedding te halen en op te slaan. In de eerdergenoemde voortgangsrapportage van de CIW staat echter dat het nieuwe sediment nog steeds van een dusdanige kwaliteit is dat daarmee ecologisch herstel nog steeds niet mogelijk is. Dit roept dan ook de vraag op of het verantwoord is om nu over te gaan tot het inrichten van depots en tot berging. Terecht wordt prioriteit gegeven aan zee- en rivierdijken, maar het zou pijnlijk zijn als de consequentie hiervan was dat de problematiek van de onderwaterbodems naar de achtergrond wordt geschoven. Het is van groot belang dat samen met marktpartijen gewerkt blijft worden aan de oplossing van die problematiek.

Op 19 december 1996 heeft de Raad van State de vergunning vernietigd voor de bouw van het baggerdepot in het Hollands Diep. Is de aanpak vanwege het ministerie zodanig geweest dat, gegeven het feit dat bepaalde zaken nog nader moeten worden uitgezocht, aan een bepaalde voortgang kan worden vastgehouden? Zo niet, hoe ziet op dit moment de planning er uit? Worden de nieuwe termijnen gehaald?

Terecht is er inmiddels veel aandacht voor het terugdringen van de vervuiling via diffuse bronnen, waarbij een gedifferentieerde en gebiedsgerichte aanpak van belang is, hetgeen het nodig maakt dat het Rijk ook provincies, gemeenten en doelgroepen daarop aanspreekt. Naast regelgeving zal meer gewerkt moeten worden met het instrumentarium van overleg en convenanten. De heer Feenstra was enthousiast over het voorliggende actieprogramma. De aanpak in Noordoost-Twente toont aan dat door middel van een actief voorlichtingsbeleid en intensief overleg goede resultaten te boeken zijn waar het in dit geval het terugdringen van de inzet van bestrijdingsmiddelen betreft. Wat op één plek kan, kan op meer plekken en wat met één thema kan, kan met meer thema's. Een heldere monitoring van het verdere verloop van het proces is daarbij onontbeerlijk voor de Kamer.

Inmiddels is met Duitsland het Eems-Dollardverdrag getekend. Er circuleren berichten over de aanleg van een dam in de Eems vanwege scheepswerven in Duitsland. Is daarover overleg gaande en wat zijn de consequenties van een dergelijke dam voor het natuurgebied in Nederland?

Eigen onderzoek door provinciale staten van Gelderland heeft opgeleverd dat hun taakstelling met betrekking tot zand is verdubbeld ten opzichte van de eerder overeengekomen taakstelling. De heer Feenstra had begrepen dat een en ander moet leiden tot nieuw bestuurlijk overleg. Is dat overleg al op gang gekomen en wat is het standpunt van de minister in dezen?

De heer Feenstra kon instemmen met de rapportage van de minister over het MDW-traject in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Verder stelde hij voor dat de Kamer binnen haar eigen activiteiten nog aandacht zal besteden aan de relatie Wet milieubeheer en vergunningverlening WVO. Ten slotte had hij begrepen dat er wat betreft de naleving van de EU-richtlijn lozingen chemische stoffen in water, een procedure is aangespannen bij het Europese Hof. Zijn er inmiddels al vorderingen op dit punt te melden?

De heer Luchtenveld (VVD) was er verheugd over dat de vierde nota Waterhuishouding inmiddels de inspraak is ingegaan. Mede in het licht van het beleid van de rijksoverheid gericht op het tegengaan van het gebruik van zink en koper in de bouw om diffuse verspreiding te voorkomen, is voor de tweede helft van 1995 een toxiciteitsrapport aangekondigd van de Gezondheidsraad. Dat rapport is echter inmiddels nog steeds niet verschenen. Waar in de zink- en kopersector in Nederland 10 000 mensen werken en nog onvoldoende onduidelijk is of het gebruik van die materialen slechter voor het milieu zijn dan vervangende materialen, is het van belang dat dit rapport er alsnog zo snel mogelijk komt. Is de minister tevens bereid te bewerkstelligen dat het een rol speelt bij genoemde inspraakprocedure?

De Noordzee is een van de drukst bevaren zeeën met de grootste haven ter wereld, veel visserij en een groot aantal offshoreactiviteiten. Het Nederlands deel van het Continentaal Plat, in het bijzonder het zuidelijk deel, blijkt verreweg het drukste deel van de Noordzee. Positief is dat geconcludeerd kan worden dat het scheepvaartverkeer veilig en vlot kan worden afgewerkt en dat zich geen structurele knelpunten voordoen, functioneel noch territoriaal. Schepen houden zich goed aan de verkeersscheidingsstelsels. Het aantal wachtende schepen voor de Nederlandse havens is sterk afgenomen. Waakzaamheid blijft echter geboden, omdat ongevallen grote negatieve consequenties kunnen hebben. Daarom is het positief dat er draagvlak blijkt te zijn voor maatregelen gericht op verdere verbetering van de veiligheid. Namens de VVD-fractie stemde de heer Luchtenveld in met de voortzetting van het succesvolle beleid met de nieuwe beleidsaccenten zoals door de minister aangegeven.

Een van de problemen wat betreft de kwaliteit van het zeewater is het scheepsafval dat in strijd met de regels vaak overboord wordt gezet. Behalve aanscherping van de regels is een effectief inzamelingssysteem in de havens nodig. De schepen moeten hun afval gemakkelijk op een legale manier kwijt kunnen. Waarom wel verplicht een groencontainer bij ieder woonhuis in het buitengebied en niet een afvalcontainer bij een schip in de Rotterdamse haven? Gerefereerd kan in dezen worden aan het op 27 mei jl. door de minister op het strand van Scheveningen in ontvangst genomen rapport met aanbevelingen van de stichting Werkgroep Noordzee, dat is onderschreven door ruim 50 gemeenten en waterschappen. Is de minister van plan de benodigde maatregelen te nemen?

Het knelpunt lozingen diffuse bronnen, vooral stikstof en fosfaat, is bekend. De voornaamste bron is de uitspoeling vanuit landbouwgronden. Er is nog geen sprake van evenwichtsbemesting. De planning was 2000, doch nu is het beleid uitgezet tot 2010, dat echter als eindsituatie geen evenwichtsbemesting zal hebben. Kan Nederland zich desondanks houden aan de tijdens de vierde Noordzee ministerconferentie bevestigde afspraak tot 50% reductie van de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater?

Met betrekking tot het Deltaplan grote rivieren sprak het de heer Luchtenveld aan dat bepaalde procedures in elkaar zijn geschoven, dat de wettelijke termijnen zijn verkort, dat de rechtsbescherming is geconcentreerd bij de afdeling rechtspraak van de Raad van State en dat de onteigeningsprocedure is verkort tot drie maanden. De extra regenval deze zomer in Midden-Europa herinnert eraan dat hetzelfde verschijnsel dat zich in de winters van 1993 en 1994 voordeed, zich kan herhalen. Kan de minister in dit verband ingaan op de berichten over tegenvallende kosten en opbrengsten (zand- en grindwinning) en een uitstel van tien jaar bij de profielverruiming van de Maas?

Het is goed dat het kabinet zich bewust is van het belang van de verkeersfunctie van de waterwegen en meer middelen beschikbaar heeft gesteld waardoor een inhaalslag mogelijk is. Helaas was er vorig jaar nog sprake van onderuitputting en bovendien ontbreekt nog opslagcapaciteit voor de baggerspecie.

De minister kwam op grond van recente onderzoeken en ervaringen tot de conclusie dat de opslag van verontreinigde baggerspecie in diepe zand- of grondwinputten, al dan niet in open water, mogelijk is. Wanneer zal de afweging tussen kosten en milieueffecten plaatsvinden en om welke capaciteit kan het dan gaan? Kan het een alternatief zijn voor de locatie Hollands Diep? Is de ligging van de putten zodanig dat de baggerspecie niet over te grote afstand vervoerd behoeft te worden?

Het is zeer teleurstellend dat de Raad van State de vergunning heeft vernietigd voor de bouw van een depot voor verontreinigde baggerspecie in het Hollands Diep. Zonder dit depot blijft men wat betreft het zuidwestelijk deel van het land steken in goede voornemens als het gaat om het bereikbaar houden van waterwegen en het saneren van ernstige verontreinigingen. Het is vooral teleurstellend dat de rijksoverheid niet in staat blijkt om een project dat zo belangrijk gevonden wordt op de juiste wijze van een vergunning te voorzien. Aannemende dat alles uit de kast is gehaald om deze vernietiging te voorkomen, blijkt dit toch niet voldoende te zijn geweest. Teleurstellend is ook dat een initiatief vanuit het bedrijfsleven (Tiengemeten) destijds buiten beeld bleef omdat het depot in het Hollands Diep al zo ver in de procedure was en men geen verdere vertraging wilde. Die vertraging is er nu toch en het alternatief Tiengemeten is van tafel.

Gelukkig zal het depot in het Ketelmeer het volgend jaar wel beschikbaar zijn. Dit 40 meter diepe depot in het Ketelmeer ligt op 1 km afstand van de dijk. In een landstrook van 2500 ha achter die dijk liggen 35 akkerbouwbedrijven. De eigenaren daarvan zijn niet in beroep bij de Raad van State gegaan, omdat zij en hun organisatie de FLTO zich door Rijkswaterstaat hebben laten overtuigen dat geen schade te verwachten zou zijn. Ondanks de 40 meter diepe put zou er geen extra kwel zijn en zouden de gevaarlijke stoffen in het slib uit het depot langzamer landinwaarts trekken dan in de huidige situatie waarbij het slib op de bodem van het Ketelmeer ligt. Nu blijkt echter uit gegevens van de landbouwkundige dienst, dat er tijdens de aanleg al problemen zijn. De grondwaterstand zou 1 meter à 1,1 meter in plaats van 0,6 meter zijn met als gevolg schade aan de gewassen. De kwel is voor de boeren een probleem en bovendien vragen zij zich af of de vervuilde stoffen in het slib niet eerder landinwaarts trekken dan verwacht door Rijkswaterstaat. Tussen FLTO en Rijkswaterstaat is afgesproken eventuele schade in onderling overleg te vergoeden. Volgend jaar maart kan aan de hand van metingen en ervaringsgegevens worden vastgesteld wat de effecten zijn geweest. Wil de minister toezeggen de Kamer dan te informeren over de schade en de regeling daarvan en dat wellicht een jaar later nog eens te doen? De ondernemers in de directe omgeving van het depot mogen niet de dupe worden van het slibdepot.

Overigens is er sprake van dat 30% van de meest vervuilde grond op het Olasfaterrein aan de IJssel in Olst, een van de top vijftien bodemvervuilingen, naar het depot in het Ketelmeer gaat. Als het om IJsselslib gaat, lijkt dat logisch, maar als het om gewone vervuilde grond gaat niet. Daar is dat depot niet voor bedoeld.

Het is positief dat volgend jaar twee grote industriële verwerkingseenheden (verglazing en versintering) voor het meest vervuilde slib, ruim boven de grens van klasse 4, beschikbaar zijn. Zijn of worden afspraken gemaakt met de desbetreffende bedrijven voor de aanvoer van het materiaal?

De Unie van waterschappen wil de klasse 2-specie ook na het jaar 2000 op de kant kunnen verspreiden, omdat anders de baggerkosten voor de waterschappen stijgen van 30 mln. naar 120 mln. Hoe kijkt de minister aan tegen de risico's van die verspreiding?

De doelstellingen 1995 voor natuurherstel- en ontwikkelingsprojecten zijn gehaald. Om die van 2000 te halen, is een extra inspanning nodig. De werkelijkheid is dat de succesvolle REGIWA-regeling niet is verlengd. Hoe kunnen desondanks de 2000-doelstellingen worden gehaald?

De verdrogingsdoelstelling, te weten in 2000 een herstel van 25% van het verdroogde gebied, lijkt niet realiseerbaar. Een percentage van 15 lijkt dat wel, hetgeen niet onbelangrijke winst is vergeleken met het percentage van 5 zoals opgenomen in de Milieubalans '95. De relatieve waarde van de doelstelling blijkt anderzijds uit het feit dat als gevolg van het hanteren van een andere beoordelingsmethode het areaal verdroogd gebied tussen 1994 en 1996 met ruim 10% is gestegen. Houdt de minister desondanks vast aan de 25% en, zo ja, welke maatregelen wil zij dan nemen?

Mevrouw Assen (CDA) vond het grote struikelblok in het voorliggende totale dossier dat hoewel de einddoelen duidelijk zijn, het niet altijd helder is wanneer die bereikt zijn, dan wel hoe ver het daarmee staat en of er tussendoelstellingen zijn geformuleerd. Zij had dan ook behoefte aan meer inzicht op dit punt.

Ten aanzien van integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden kan gesteld worden dat de emissiedoeleinden worden gehaald op een aantal onderdelen na die misschien wel de belangrijkste zijn om beleid in dezen te voeren. Zo komen de gemeentelijke rioleringsplannen nog steeds onvoldoende van de grond om met name financiële redenen. Het is voor gemeenten ook geen aantrekkelijk aandachtspunt. Ze winnen er geen verkiezingen mee maar het kost wel handenvol geld. Hoe denkt de minister de gemeenten ertoe over te kunnen halen alsnog meer aandacht aan dit beleidsonderdeel te besteden en hoe denkt zij de landelijke doelstelling te halen? De rioleringen in het buitengebied vormen hierbij een van de belangrijkste items.

De emissies fosfaat en nitraat via de grote rivieren zijn sterk verminderd, vooral bij de Rijn. De emissie van stikstof is alleen wat minder bij de Maas. Zijn deze resultaten behaald door internationale afspraken of komen ze voort uit beleid in de aangrenzende landen? Wat is hierbij de bijdrage van Nederland? Met betrekking tot de emissies van fosfaat en nitraat als gevolg van uitspoeling van nutriënten van landbouwgronden in het oppervlaktewater blijven resultaten nog steeds achter, ondanks inspanningen van de landbouwsector zelf. Welke krachtsinspanningen onderneemt de minister om hierin verbetering te brengen?

De Noordzee Ministerconferentie, het Rijnverdrag en de Maas-Scheldecommissie zijn goede instrumenten om internationaal tot goede afspraken over het waterbeheer te komen. Behalve samenwerking en afspraken zijn echter ook coördinatie en controle nodig. Hoe wordt een en ander onderling afgestemd en wie neemt daarin het voortouw?

Door de uitspraak van de Raad van State over het depot in het Hollands Diep is de minister in grote problemen gekomen. Er kan nu niet op tijd afdoende bergingscapaciteit gevonden worden. Bovendien blijkt de hoeveelheid verontreinigde baggerspecie groter dan verwacht, maar hoeveel groter is niet bekend. Kan de minister aangeven hoeveel baggerspecie, vervuilde bagger, de komende jaren wordt verwacht en op welke wijze die geborgen kan worden? Verwacht zij, gezien de uitspraak van de Raad van State, dat er in de toekomst nog wel baggerdepots in het Hollands Diep mogen worden aangelegd en, zo ja, binnen welke termijn komen die dan beschikbaar? Wat gebeurt er overigens in de tussentijd? Het uiteindelijk doel moet zijn verwerking van de vervuilde baggerspecie en niet de opslag ervan. Tot nu toe lukt dat niet goed, omdat de verwerkingsmethodes niet optimaal maar wel erg kostbaar zijn. Ontwikkeling op grote schaal en het goedkoper worden van verwerkingstechnieken moeten hogere prioriteit hebben dan opslag. Is de minister het hiermee eens en is zij van plan gebruik te maken van de kennis en kunde van het bedrijfsleven in dezen?

Mevrouw Assen had grote moeite met de brief waarin de minister aankondigt klasse 4-baggerspecie te bergen in zandwingaten in het rivierengebied in Gelderland en Limburg. Zullen de niet-afgedekte depots bij hoogwater niet in contact komen met het rivierwater en beïnvloeden dergelijke opslagen de waterdynamiek in het rivierengebied niet? Welke consequenties voor hernieuwde vervuiling kan deze vorm van opslag hebben? Is dit beleid niet in tegenspraak met de beleidslijn «Ruimte voor de rivier», waarin juist meer behoefte is aan verdieping van de bedding en aan meer opvangmogelijkheden van rivierwater bij hogere waterstanden.

De aanpak van vervuiling door diffuse bronnen is uiteraard moeilijker dan die van puntbronnen, in het bijzonder via water, waardoor de verspreiding zeer groot is. Toch worden er vorderingen gemaakt. Een van de onduidelijkheden bij dit beleid betreft de verdeling van taken en bevoegdheden. Wie van de verschillende overheden heeft de eindverantwoordelijkheid in dezen? Hoe wordt gecontroleerd of de beoogde doelstellingen worden gehaald?

Gelukkig was mevrouw Assen met het intrekken van het wetsvoorstel inzake de heffing op EOX. Ad hocwetgeving voor enkele bedrijven is niet zinvol. Het is dan beter met convenanten te werken.

Naar aanleiding van de gesprekken die mevrouw Assen onlangs had met de NFI over het beleid ten aanzien van het terugdringen van koper en zink in het oppervlaktewater, een beleid waar haar fractie overigens nog steeds achterstaat, had zij er behoefte aan de minister een aantal vragen voor te leggen. Is het waar dat er ten aanzien van koper en zink andere normen worden geadviseerd door verschillende instanties? Zijn er verschillen tussen de oordelen van de Gezondheidsraad, het RIZA en het RIVM? Worden er internationaal andere normen gesteld? Wat zijn daarover de afspraken? Wordt er onderzocht of is al bekend welke alternatieven er zijn voor het gebruik van koper en zink? Zijn die alternatieven ook getoetst op milieuvriendelijkheid, gezondheidsaspecten en recyclingmogelijkheden?

De heer Van Waning (D66) herinnerde aan de bij de bespreking van begin april 1996 van de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden 1995 gedane toezegging van de minister, te willen nadenken over de mogelijkheid om de Kamer bij het gehele proces inzake de vierde nota Waterhuishouding informeel te betrekken zonder dat de Kamer aan het eind niet meer de handen vrij zou hebben bij de beoordeling van die nota. Mede op basis hiervan had de heer Van Waning getracht de nu aan de orde zijnde bespreking mede te benutten voor het geven van een eerste reactie op het regeringsvoornemen inzake deze nota. Die poging is echter niet gelukt. De nota ligt nu slechts ter kennisneming bij de Kamer voor, daar deze de inspraak is ingegaan. Het regeringsstandpunt verschijnt pas in de loop van het volgend jaar. Hoewel er grote waardering bestaat voor de wijze waarop het open planproces tot nu toe plaatsvindt en het uiteraard van groot belang is dat met name bij grote infrastructurele projecten een heldere inspraakprocedure wordt gevolgd, is tegelijkertijd het verwijt hoorbaar dat de Kamerleden op die manier wel erg laat worden betrokken bij het geheel. De heer Van Waning had overigens begrepen dat de inspraakronde met vier maanden was uitgesteld ten opzichte van de oorspronkelijke planning. Het gevolg hiervan is dat de besluitvorming over de kabinetsformatie wordt heengetild. Is de oorzaak hiervan er in gelegen dat de minister het aan de verschillende partijen overlaat om zelf te zorgen voor de financiële invulling?

Met de lijn die duidelijk wordt uit alle informatie die tot nu toe rond de vierde nota naar voren komt, kon de heer Van Waning zich verenigen. Cruciaal is en blijft het ambitieniveau wat betreft het nastreven van de einddoelen. Het ziet er naar uit dat de bij de derde nota afgesproken doelstellingen inzake de diffuse bronnen, de waterbodem en de verdroging niet gehaald worden. Er moet gestreefd blijven worden naar een integraal waterbeheer dat hand in hand gaat met natuurontwikkelingen. Wil de minister reageren op kritiek van natuur- en milieuorganisaties dat er steeds meer sprake is van een versoepeling van de normeringen in het kader van de vierde nota?

Op basis van artikel 17 met betrekking tot de vierde Noordzee ministerconferentie is afgesproken om binnen 25 jaar te komen tot nullozing. Wordt dat uitgangspunt inmiddels nog steeds nagestreefd?

Uit de vraag van de heer Van Waning tijdens de begrotingsbehandeling op 10 en 11 december 1996 of het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten mogelijk en milieutechnisch uitvoerbaar is, mag absoluut niet afgeleid worden dat hij voorstander zou zijn van dergelijke stort. Zijn vraag was ingegeven door informatie uit de wandelgangen dat de regering een dergelijke maatregel zou overwegen. De heer Van Waning sloot zich dan ook aan bij de kritische opmerkingen van voorgaande sprekers over dit onderwerp.

Wat betreft de zeescheepvaart ligt er het streven om mede aan de hand van transponders precies te kunnen volgen welke schepen met gevaarlijke stoffen welke havens aandoen. Zijn er al vorderingen op dit belangrijke punt te melden?

Verontrustend vond de heer Van Waning het gegeven dat 80% van de scheepsongevallen is te wijten aan persoonlijke fouten. Hoe wil de minister dat probleem aanpakken?

In het jaaroverzicht Kustwacht 1996 valt op, dat slechts 1% van alle alarmmeldingen op zee reëel is. Hoe denkt de minister verandering in die situatie te brengen? Verder wordt gesteld dat de afhandeling van meldingen van vermoedelijke overtredingen plaatsvindt op de ministeries van Justitie en van VW. In hoeverre worden die overtredingen echter afgehandeld, zodanig dat ze uitmonden in straffen?

De heer Van den Berg (SGP) constateerde dat in de vierde nota Waterhuishouding de veiligheid terecht centraal staat, doch dat daardoor een aantal andere elementen financieel wat onderbelicht dreigen te raken, zoals de sanering waterbodems en het beheer en de verbetering van de watersystemen. In dat licht sloot hij zich aan bij de aandachtspunten wat betreft de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden die de heer Feenstra de minister heeft meegegeven met het oog op de verdere behandeling van de vierde nota.

De voortgangsnota Scheepvaartverkeer Noordzee, die qua opzet waardering verdient, is nogal gedateerd, in de zin dat die eigenlijk een evaluatie betreft van de nota uit 1988. Zo is er niets in terug te vinden in relatie tot de stelling van de minister in haar begeleidende brief, dat ondanks de conclusie dat zich geen structurele knelpunten voordoen, uit de analyse een aantal onderdelen naar voren komt die in de toekomstige beleidsontwikkeling nadere aandacht zullen vergen. Een voortgangsrapportage mag niet alleen terugblikkend van aard zijn, maar moet ook aangeven welk beleidsmatig vervolg er aan de diverse onderdelen wordt gegeven.

De vertraging die is opgetreden in de procedure rond het baggerdepot in het Hollands Diep is te betreuren en heeft nogal wat gevolgen. Het Centraal overleg vaarwegen heeft er overigens terecht op geattendeerd dat de bergingsfaciliteiten voor nautische specie gegarandeerd moeten blijven, ook in verband met dreigende verondieping.

De heer Van den Berg kon instemmen met de actuele maatregelen die zijn voorgesteld over het terugdringen van de vervuiling door diffuse bronnen. Het beleid in bredere zin op dit punt dient verder te worden bediscussieerd in onderlinge samenhang met de vierde nota.

De brief houdende de intrekking van het wetsvoorstel inzake de heffing op EOX had de hartelijke instemming van de fractie van de SGP. Zij had reeds in de schriftelijke voorbereiding kritische kanttekeningen geplaatst bij het effect van dit wetsvoorstel.

De heer Van den Berg was het eens met de conclusies van de regering over het belangrijke rapport van de MDW-werkgroep WVO. Geconstateerd kan worden dat de WVO tot nu toe een van de meest succesvolle wetten is voor met name de verbetering van de milieukwaliteit. Hij ging er overigens wel van uit, dat de minister spoedig aan het werk gaat met de in het rapport vervatte juridische aanbevelingen. Hoewel het kabinet in 1992 naar aanleiding van het advies van de commissie-Zevenbergen besloten heeft tot invoering van leges voor WVO-vergunningen verleend door het Rijk, neemt het de aanbeveling van de werkgroep om hiervan af te zien over. Waar vrij recent in de nieuwe Wet beheer rijkswaterstaatswerken een wettelijke basis voor deze leges is opgenomen, achtte de heer Van den Berg een nadere toelichting op dit punt toch nodig, juist met het oog op continuïteit in beleid en wetgeving.

Namens zijn fractie sprak de heer Van den Berg uit absoluut geen behoefte te hebben om het punt van de integratie van de WVO en de WM, ook wat betreft de vergunningen, opnieuw op de agenda te zetten. Signalen uit de praktijk geven aan dat de huidige opzet en wijze van afstemming goed zijn. Het streven van de 1 loket-functie voor WVO- en WM-vergunningverlening is inderdaad niet gerealiseerd, maar beseft dient te worden dat een dergelijke functie op een heleboel terreinen niet haalbaar is gezien het feit dat er altijd meerdere overheden betrokken zijn.

In relatie tot het rapport van de commissie-Cohen refereerde de heer Van den Berg verder aan de brede discussie over de marktwerking in de gehele watersector, een onderwerp dat in wezen een apart overleg waard is. Overigens was de heer Van den Berg van oordeel dat terughoudendheid moet worden betracht bij marktwerking op genoemd terrein, gezien de centrale functie van water en watersystemen, waarbij het een overheidsverantwoordelijkheid is om hierin de regie te blijven voeren. Desgevraagd door de heer Van Waning antwoordde de heer Van den Berg dat mede op grond van de conclusies van de staatscommissie voor de waterstaatswetgeving en de desbetreffende studie van de landbouwuniversiteit Wageningen het vooralsnog niet nodig en zinvol is om verder te gaan met een project integrale waterstaatswetgeving. Wel zal op grond van onder meer eerdergenoemde rapportage niet alleen de WVO maar ook de Wet op de waterhuishouding een aantal concrete aanpassingen behoeven. Heeft de minister hiervoor al een traject voor ogen?

Het saneringsprogramma Waterbodem rijkswateren is in feite te typeren met de zinsnede die in de samenvatting staat: «De inspanning voor verder onderzoek en sanering is voor de komende jaren laag». Het is een prachtig programma, maar er is geen geld, zo zou de conclusie kunnen zijn. Waar hier sprake is van een enorm knelpunt, is het belangrijk dat niet alleen in het kader van de vierde nota en wellicht eerder al bij de begroting, maar ook in het kader van het regeerakkoord nagegaan wordt of hieraan iets kan worden gedaan.

Mevrouw Vos (GroenLinks) refereerde allereerst aan de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden, waarin een zeker optimisme is waar te nemen ten aanzien van het halen van de emissiereductiedoelen, maar waarin tevens tot uiting komt dat de waterkwaliteitsverbetering nog onvoldoende is en dat vele grenswaarden terzake niet gehaald worden, hetgeen versnelling van beleid op dit punt noodzakelijk maakt. Met name op het punt van het mestbeleid en het bestrijdingsmiddelenbeleid kraakt de voortgangsrapportage kritische noten. Juist met het oog op de waterkwaliteitsverbetering is het van groot belang dat de minister van Verkeer en Waterstaat nadrukkelijk en actief betrokken blijft bij het beleid op deze onderdelen.

Mevrouw Vos kon zich vinden in de uitgangspunten en het ambitieniveau van het actieprogramma diffuse bronnen. De lijst van voornemens die het programma bevat had naar haar mening echter eerder het karakter van een boodschappenlijst in plaats van dat ze reel zicht biedt op het halen van de desbetreffende grenswaarden en streefwaarden. Is de minister voornemens versnellingen aan te brengen teneinde die waarden te realiseren? Zal zij nieuwe, scherpere emissiereductiedoelstellingen formuleren? Verder zou serieus onderzocht moeten worden of de diffuse bronnen onder de heffingsplicht van de WVO kunnen worden ondergebracht. In dit verband valt onder meer te denken aan luchtverontreinigingen die direct tot waterverontreiniging leiden.

Tijdens de vierde Noordzee ministerconferentie hebben regeringen plechtig afgesproken dat binnen een generatie, 25 jaar, de lozing van milieugevaarlijke stoffen geheel moet worden beëindigd. Uit de nu voorliggende stukken valt echter moeilijk op te maken hoe serieus deze afspraak door Nederland wordt genomen. In ieder geval schiet het huidige beleid tekort om het onderhavige voorzorgsbeginsel voluit van kracht te laten zijn. Moeten er ook op dit terrein geen heldere tussen- en einddoelen zijn en is het niet van belang om aan te geven welke stoffen binnen welke termijn niet meer geloosd mogen worden? Het eerder toegezegde implementatieplan in dit kader, inclusief een meer gebiedsgerichte aanpak, zag mevrouw Vos dan ook graag tegemoet.

De Kamer wacht sinds december 1985 op een door de minister van VROM toegezegd plan van aanpak voor de droge zandgronden en de fosfaatverzadigde gronden. Is de minister bereid er bij haar collega van VROM op aan te dringen spoedig met dit plan te komen?

Het antiverdrogingsbeleid blijft achter bij de doelstellingen. De indruk bestaat dat de provincies op dit punt achterlopen ten opzichte van wat van hen verwacht mocht worden. Is de minister bereid ze meer onder druk te zetten om datgene waar te maken wat ze moeten doen?

De kwaliteit van de waterbodems en van de baggerspecie is zorgelijk. Daarnaast zal er veel meer baggerspecie vrijkomen dan verwacht. Mevrouw Vos zag het bergen van baggerspecie slechts als een tijdelijke oplossing. Uiteindelijk moet gestreefd worden naar reiniging. Is het in dit verband niet zinvol om in dezen de mogelijkheid van een heffing in het kader van de WVO of een afvalstoffenheffing serieus te bekijken? Het principe van de vervuiler betaalt, dient hierbij van toepassing te zijn. De opbrengsten van die heffing zouden dan aangewend kunnen worden voor versnelling van een verantwoorde verwerking van de specie.

Het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten en kleiwinputten achtte mevrouw Vos een heel riskante onderneming en zou naar haar mening ongewenste gevolgen kunnen hebben voor de ecologische hoofdstructuur. Door het afzetten van vervuilde baggerspecie in bijvoorbeeld uiterwaarden van rivieren is het verspreidingsrisico te groot. Hoewel op zichzelf bezwaarlijk, zou binnendijkse opslag onder tijdelijke en zeer strikte voorwaarden kunnen plaatsvinden. Feit blijft overigens dat er door de rijksoverheid vooralsnog te weinig beschikbaar wordt gesteld voor het algehele dossier van de kwaliteit van de waterbodems en de baggerspecie, waardoor het probleem te ver naar de toekomst wordt doorgeschoven. Onder meer in het kader van de ICES zou de minister dienen te pleiten voor een hogere bijdrage aan dit dossier, waarvoor tot het jaar 2010 minstens een bedrag nodig is van minstens 4 mld.

Vraagtekens plaatste mevrouw Vos bij de intrekking van het wetsvoorstel inzake de heffing op EOX en was ook niet overtuigd door de brief van de minister op dit punt. Genoemde heffing zou wel degelijk een positief effect kunnen hebben op de terugdringing van de desbetreffende schadelijke stoffen.

Benieuwd was mevrouw Vos naar het regeringsoordeel over de huidige ontwikkelingen rond de zandwinning in Gelderland, waarbij er sprake van is dat er veel meer zand gewonnen kan worden dan in de taakopstelling van de provincie is opgenomen.

Voor de inzichtelijkheid van de gehele discussie, is het te betreuren dat in het regeringsvoornemen inzake de vierde nota Waterhuishouding niet een aantal verschillende scenario's zijn aangegeven waar het betreft de verdere ontwikkeling van het waterbeleid.

Vooruitlopend op de eigenlijk discussie op de vierde nota Waterhuishouding, gaf mevrouw Vos nu reeds te kennen niet te blij te zijn met de voorgenomen verandering van de normstellingen op dit beleidsterrein. Het is juist van belang de huidige lijn te handhaven en af te rekenen op zaken die bereikt worden. Zij meende overigens dat de relatie tussen de Vierde nota en het NMP 3 zodanig sterk is, dat beide stukken in onderlinge samenhang besproken zouden moeten worden, zeker als het om cruciale onderdelen gaat als zo-even genoemde normstellingen.

Antwoord van de regering

De minister was zich ervan bewust dat het feit dat nogal wat onderwerpen die vandaag aan de orde zijn in de sfeer van brieven en voortgangsrapportages uiteindelijk zullen uitmonden in nieuwe beleidsvoornemen c.q. voortzetting van beleid in de vierde nota Waterhuishouding, de discussie van vandaag enigszins diffuus maakt.

Aan het adres van de heer Van Waning merkte zij op, dat in het kader van het open planproces met betrekking tot de vierde nota Waterhuishouding met een aantal Kamerleden gesprekken zijn gevoerd. Het kan echter niet zo zijn dat aan het begin van een inspraakproces de Kamer in feite het eindbeeld bepaalt. Het ambitieniveau wordt uiteindelijk vastgelegd in een regeringsbeslissing en de taak van de Kamer is om te controleren of de regering wat betreft die beslissing op de goede weg is. Indien volgende kabinetten andere zaken in dat kader gerealiseerd willen zien dan dit kabinet tot de mogelijkheden ziet, dan is dat altijd mogelijk via wijziging van wetten en PKB's.

De minister onderschreef de opmerking van de heer Feenstra over het karakter van de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden. De rapportages zijn steeds een feitelijk gevolg van de nota's Waterhuishouding. Het lastigste is wellicht wel het doen verschijnen van een voortgangsrapportage die qua tijd in de buurt ligt van een nieuwe nota. Op een gegeven moment komt men voor de situatie te staan waarin men nieuwe regeringsvoornemens moet vastleggen in een nieuwe nota waterhuishouding.

De CIW vormt een samenwerkingsverband van de overheden die regulerende dan wel uitvoerende taken in het waterbeheer hebben. De betrokkenheid van LNV is een indirecte via natuur- en landschapsbeleid. Overigens is LNV uitgebreid vertegenwoordigd in de relevante werkgroepen in CIW-kader. Bij de evaluatie van de CIW zal de rol van LNV in dit geheel nog eens goed bekeken worden, zonder dat er overigens op dit moment het gevoelen is dat daarmee iets mis zou zijn.

Wat betreft het pleidooi van de heer Feenstra om in de vierde nota de doelstellingen zoveel mogelijk te koppelen aan jaartallen, meende de minister dat in ieder geval voorkomen moet worden dat, zoals in het verleden wel gebeurde, te veel deze koppeling wordt gelegd zonder dat er maar enig zicht is op de haalbaarheid ervan. Er is nu gekozen voor doelen, waarbij er de zekerheid is dat er daadwerkelijk op afgerekend kan worden als ze niet gerealiseerd kunnen worden, hetgeen ook meer verantwoordelijkheid bij de regio legt. Een en ander wordt in de gaten gehouden aan de hand van een adequate beleidsmonitoring op grond waarvan de Kamer via de voortgangsrapportages op de hoogte zal worden gesteld.

De minister was het ermee eens dat zoveel mogelijk gestreefd zou moeten worden naar verwerking van baggerspecie in plaats van stort. Gerealiseerd dient wel te worden dat alle verwerkingstechnieken niet allemaal hetzelfde zijn. Een geavanceerde techniek zoals immobilisatie is nogal kostbaar, terwijl tevens de vraag is wat de milieugevolgen ervan zijn. Dit neemt niet weg dat wanneer bedrijven op deze manier baggerspecie concurrerend kunnen verwerken, wel degelijk van die mogelijkheid gebruik gemaakt zal kunnen worden.

Een van de belangrijkste redenen waarom er vooralsnog niet veel meer middelen voor waterbodemsanering zijn opgenomen in de begroting, is gelegen in het feit dat het vrijwel onmogelijk is om de bagger te storten. Hoewel er ten aanzien van het Ketelmeer sprake is van goede voortgang, is de ontwikkeling rond het Hollands Diep jammerlijk te noemen. Volgens de Raad van State was er wat betreft laatstgenoemde locatie sprake van een onvoldoende onderbouwing en waren ook de landschappelijke aspecten te licht meegewogen ten opzichte van de milieuaspecten. De raad voegde er tevens aan toe dat oplossingen binnen het Hollands Diep gevonden moeten worden. Er wordt nu uitgegaan van de varianten uit de oorspronkelijke MER en in een open planproces met alle betrokken belangengroeperingen en bewonersvertegenwoordigingen wordt nagegaan of er nog meerdere varianten aan de orde kunnen komen. Het kabinet zoekt naar alternatieven voor een betere inpassing van het depot in de omgeving, ook qua natuurontwikkeling en recreatiemogelijkheden. In november vindt een workshop met alle betrokkenen plaats, waarna het bedoeling is dat eind 1997 een beslissing wordt genomen door de stuurgroep over welke alternatieven in procedure komen. In het eerste kwartaal van het volgend jaar start de MER-procedure en verschijnt de nieuwe startnotitie. Het is de bedoeling om in 2001 deels gereed te zijn voor de ontvangst van verontreinigd baggerspecie. Aan deze vertraging was volgens de minister niet veel te doen, tenzij de Kamer ervoor zou voelen om voortaan voor dit soort opslag een andere procedure te volgen.

In de nu ontstane situatie kunnen vooralsnog alleen knelpunten in de regio IJsseloog in de nabije toekomst worden opgelost, waaronder de verbetering van de vaarweg voor het Ketelmeer. De Slufter blijft als enige mogelijkheid over om echt brandende knelpunten op te lossen. In overleg met de gemeente Rotterdam wordt die gebruikt voor relatief kleine hoeveelheden knelpuntenspecie, onder strenge milieuvoorwaarden en voorwaarden van herkomst. Of de capaciteit van de Slufter in de toekomst gebruikt kan worden om meerdere knelpunten, ook ten aanzien van waterbodemsanering en waterhuishouding, in het land op te lossen is, is een lastige vraag. Het kan in ieder geval nooit een structurele oplossing voor andere regio's inhouden.

Vervolgens ging de minister in op de suggestie van mevrouw Vos om terzake van baggerspecie het instrument van heffingen te hanteren. Zij wees erop dat de overheid dan als zodanig bijna uitsluitend als enige aangeslagen zou worden. Het is in dezen dan ook van tweeën een. Ofwel de opbrengst van de desbetreffende heffing wordt toegevoegd aan het budget voor het saneren van de bodem. Dan is er echter puur sprake van rondpompen van geld. Ofwel de opbrengst wordt naar de algemene middelen teruggegeven en niet aan de vervuiler of degene die moet storten, hetgeen overeenkomt met het principe van de regulerende heffing. Dat laatste betekent dat men per saldo met het ter beschikking gestelde budget nog minder kan doen.

In het regeringsvoornemen inzake de vierde nota is een keuze kenbaar gemaakt voor een bepaald scenario. In dat licht zou het wat merkwaardig zijn om, zoals mevrouw Vos voorstelde, in datzelfde voornemen weer met allerlei verschillende scenario's te komen. Er is gekozen voor een open planproces, waarbij alle scenario's en studies openbaar zijn. Eenieder kan derhalve nagaan op grond van welke informatie de regering tot haar keuze is gekomen.

De minister was van oordeel dat afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, een WVO-vergunning voor het storten van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten verstrekt kan worden, mits met voldoende milieuwaarborgen en onderzoek omkleed. Deze vorm van stort lijkt perspectiefvol. Het RIZA heeft een vervolgopdracht gekregen om na te gaan of het storten van klasse 3- en klasse 4-specie in diepe putten in open water mogelijk is, met name ten aanzien van de WVO-aspecten. Naar verwachting kan in de tweede helft van 1998 daarover worden gerapporteerd. De resultaten van die studie zullen uiteraard betrokken worden bij het MER voor het depot in het Hollands Diep.

Vanuit milieuoverwegingen is het wenselijk om te saneren als de bodem of de waterbodem ernstig verontreinigd is, hetgeen neerkomt op klasse 4-baggerspecie. Van echt schoon is echter pas sprake bij baggerspecie van klasse 0. Tussen beide klassen zit derhalve nog een forse range. Nieuw sediment is bijna nooit zo schoon dat sprake is van klasse 0 maar tegelijkertijd zelden zo verontreinigd dat sprake is van klasse 4. In de praktijk zal sanering met milieuwinst al heel goed plaats kunnen vinden als nieuw sediment nog van klasse 1 of 2 is. Het materiaal is weliswaar niet geheel schoon, maar is weer niet zo verontreinigd dat direct tot een tweede sanering zou moeten worden overgegaan.

Met betrekking tot de gang van zaken rond het Ketelmeer is inmiddels een schadecommissie ingesteld. Als vast te stellen is welke schade is veroorzaakt, wordt die vanzelfsprekend vergoed. Uiteraard zal de Kamer hierover verder worden geïnformeerd.

Met betrekking tot de stabilisatie van het aantal ongevallen in het scheepvaartverkeer op de Noordzee en de achterliggende oorzaken ervan is er vooralsnog geen reden tot beleidswijziging of intensivering. Daarbij kan nog aangetekend worden dat van de inmiddels getroffen maatregelen nog de nodige positieve effecten zijn te verwachten. Een en ander betekent niet dat de aandacht voor het Noordzeescheepvaartverkeer mag verslappen. Ondanks de feiten en resultaten van de analyses kan zich natuurlijk op elk willekeurig moment een ongeval op de Noordzee voordoen. Daarnaast kunnen zich onvoorziene ontwikkelingen voordoen die het bestaande beeld veranderen. Wel moet worden vastgesteld dat alleen door diepgaand onderzoek en systematische evaluatie nadere beleidsmatige aanknopingspunten kunnen worden gevonden die een bijdrage kunnen leveren aan de verdere reductie van ongevalskansen en hun potentiële effecten.

Ten aanzien van de menselijke factor als medeoorzaak van ongevallen is reeds een aantal maatregelen genomen en zit er een aantal in de pen. Hierbij moet gedacht worden aan de implementatie en naleving van het STCW-verdrag en de ISM, verder onderzoek naar oorzaken van menselijk falen en voorlichting aan zeevarenden.

Wat betreft de naleving van de relevante regelgeving voor de zeescheepvaart is eveneens een aantal maatregelen genomen, zoals het verscherpte toezicht op de uitrustingseisen. Ook op dat punt zijn gerichte voorlichtingsactiviteiten in gang gezet.

Ten behoeve van de verdere verbetering van voorzieningen ten behoeve van de communicatie en navigatie ter vermindering van misinformatie en desoriëntatie vindt de implementatie plaats van DGPS en GMDSS. Verder wordt de veiligheidsinformatievoorziening gestroomlijnd en wordt meer structureel gebruikgemaakt van elektronische zeekaarten voor met name de visserij en de werkvaart.

De nu voorliggende nota heeft vooral betrekking op het beleid inzake de veiligheid en de vlotheid van het scheepvaartverkeer op de Noordzee. De lozingen die in dit verband aan de orde komen, zijn gerelateerd aan ongevallen of calamiteiten. Havenontvangstinstallaties zijn bestemd voor de inname van afvalstoffen die vrijkomen bij normale bedrijfsvoering. Het nieuwe beleid omtrent de HOI's wordt binnenkort aan de Kamer gepresenteerd in een nota die volgt op het milieubeleidsplan voor de scheepvaart.

Er is in 1996 en 1997 onderzoek verricht naar de uitvoering van het verdrag van het zeescheepvaartverkeer binnen de verkeersscheidingsstelsels. Zodra de resultaten van dat onderzoek bekend zijn, zullen die ook worden besproken met de belangenvereniging van de visserij.

Naar verwachting zal het hoge percentage meldingen vals alarm pas na 1998 afnemen, als gevolg van het feit dat pas per 1 februari 1999 het GMDSS zal zijn geïmplementeerd. Nog lang niet alle schepen zijn op dit moment met dat systeem uitgerust. Bovendien loopt de opleiding van zeevarenden terzake helaas wat achter. Een en ander laat onverlet dat de eerste actie altijd is gericht op het redden van mensen. Waar er sprake blijkt te zijn van een onterecht alarm, zal waar mogelijk getracht worden de veroorzaker te achterhalen. Als er herhaald en aantoonbaar misbruik wordt gemaakt, zal het OM tot vervolging overgaan. Overigens betreft het veelal buitenlandse schepen die pas aangehouden kunnen worden als ze de havens in Nederland aandoen, tenzij er in geslaagd wordt om het OM van het vlaggenland over te halen om over te gaan tot aanhouding.

Doordat het geen nut heeft transponders alleen Europees in te stellen, is het derhalve nodig deze kwestie in IMO-verband te regelen. De verwachting is echter dat er geen sprake zal zijn van een brede toepassing voor het jaar 2005.

Het standpunt van Nederland inzake de ingebrekestelling ligt nu bij het Europese Hof. De Europese Commissie is overigens wel bezig om een nieuwe kaderrichtlijn voor lozingen op te stellen, zodat na ommekomst daarvan de oude kan vervallen.

Vervolgens ging de minister in op de diffuse bronnen die door hun naamgeving al tevens de complexiteit van de materie aangeven. De suggestie van mevrouw Vos om terzake een soort WVO-heffing te hanteren, kon zij niet overnemen. Zo'n heffing is in dezen simpelweg niet mogelijk is. Het alternatief is een andersoortige heffing, maar die leidt tot het grote nadeel dat het individuele gedrag van bijvoorbeeld boeren niet beloond wordt doch alleen het goede gedrag van de gehele groep. Gelet op de gigantische investeringen die individuele boeren moeten doen, achtte zij een dergelijke maatregel dan ook niet evenwichtig. Wat betreft het onderbrengen van luchtverontreiniging bij de WVO kon de minister melden dat de Raad van State de afgelopen maand het Europese Hof om een prejudicieel advies had gevraagd over de vraag in hoeverre dergelijke bronnen van verontreiniging in verband te brengen zijn met de Europese regelgeving. De Nederlandse regering is van mening dat dit laatste alleen kan als er een duidelijke directe relatie is te leggen tussen de bron en het oppervlaktewater. Ruimere reikwijdte creëert alleen maar onduidelijkheid in de afbakening met andere wetten en is derhalve ongewenst.

De minister van Verkeer en Waterstaat is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en dus ook voor de aanpak van vervuiling via diffuse bronnen. Die aanpak vindt overigens plaats in samenspraak met alle medeverantwoordelijke partijen. Vandaar het gezamenlijke actieprogramma. De CIW zal via rapportering de voortgang monitoren.

Met betrekking tot het gebruik van zink en koper verwees de minister naar haar brief die zij in februari 1997 hierover aan de non-ferro-industrie heeft geschreven. Sinds de jaren zeventig is de regering al bezig om verontreiniging van het water door zware metalen terug te brengen. Inmiddels zijn de industriële puntlozingen sterk gereduceerd. Dat geldt in mindere mate voor de diffuse bronnen. Hoewel er blijkbaar enige discussie is over de normen, mag er geen misverstand over bestaan dat ze al jaren bestaan. Door de toenemende kennis geven ze soms aanleiding tot aanpassing. Juist waar er in het onderhavige geval sprake is van een conflict tussen twee instellingen, is de Gezondheidsraad gevraagd om een advies dat volgens zijn zeggen aan het eind van dit jaar afkomt. Een en ander neemt niet weg dat voor zink en koper de streefwaarden nog lang niet bereikt zijn. Waar mogelijk zullen de emissies dus verder beperkt moeten worden. Het moge als bekend worden verondersteld dat er allang alternatieven zijn voor koper en zink. Met definitieve uitspraken over hoe daarmee om te gaan wordt echter onder meer gewacht op eerdergenoemd advies van de Gezondheidsraad. De minister vond het overigens niet onverstandig om waar minder milieubelastende alternatieven aanwezig zijn, deze alvast te gaan gebruiken.

Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is direct betrokken bij de aanpak in het kader van het meerjarenplan Gewasbescherming en neemt daarbij het initiatief ten aanzien van de waterkwaliteit. Op dit moment is een AMvB voor de vollegrondteelt in voorbereiding die gericht is op vermindering van 90% van de emissies. Ook bij het mestbeleid is VW wel degelijk betrokken, zij het indirect. De voorbereidingen voor de evaluatie in het jaar 2000 zijn reeds in gang gezet.

In reactie op de opmerking van mevrouw Vos dat de huidige aanpak van de vervuiling via diffuse bronnen onvoldoende is om de waterkwaliteitsdoelstelling te halen, wees de minister op het grote aantal beleidsinitiatieven dat de laatste jaren in gang is gezet. Te denken valt aan het scheepsafvalstoffenverdrag voor de inzameling van afvalolie en ladingafval uit de binnenvaart in Nederland en omliggende landen, het duurzaam bouwen, de overschakeling op PAK-arme scheepsverven en algemene regels voor de emissie van bestrijdingsmiddelen uit de akkerbouw en fruiten groenteteelt. Daarnaast hebben in februari het Rijk, de waterschappen, de provincies en de gemeenten in het actieprogramma hun gezamenlijke werkagenda gepresenteerd. Met een dertigtal aanvullende acties worden de gaten in het huidige beleid gedicht. Voor de uitvoering daarvan is de komende jaren een verschuiving van middelen voor puntbronnen naar diffuse bronnen noodzakelijk bij alle overheden. De waterkwaliteitsdoelstellingen voor de lange termijn zullen met het actieprogramma inderdaad nog niet overal gehaald worden, maar bij alle overheden krijgt de aanpak van de diffuse bronnen nu wel prioriteit. Gaandeweg zal moeten blijken of en, zo ja, welke aanvullende activiteiten in gang gezet moeten worden om de uiteindelijke doelstellingen te realiseren. Er is dus sprake van voortschrijdend beleid.

Over de fosfor- en nitraatemissiereductie kan gesteld worden dat de saneringen bij de industrie en de rioolwaterzuiveringsinstallaties het resultaat zijn van onder meer internationale afspraken, zoals het Rijn actieplan. Ook nationaal wordt er op dit terrein overigens de nodige actie ondernomen.

De minister was met de heer Feenstra zeer enthousiast over de gebiedsgerichte aanpak waar het de diffuse bronnen betreft. Ook bij de landbouw is er het toenemende besef dat zij er belang bij heeft om een milieuvriendelijk imago te krijgen.

Steeds meer gemeentelijke rioleringsplannen komen gereed. Wat dat betreft gaat het mede door de afspraken die door de minister van VROM zijn gemaakt, de goede kant op. De rioleringen in het buitengebied vormen een probleem dat vooral van financiële aard is. Er wordt hard gewerkt aan de oplossing ervan, onder meer via het opzetten van alternatieven zoals individuele kleine zuiveringsinstallaties. In het beleidsvoornemen van de vierde nota staat dat een proef zal worden gehouden in het buitengebied waarbij de riolering door de waterbeheerders zal worden verzorgd.

De landelijke monitoring van de voortgang van de bestrijding van de verdroging blijkt in de praktijk tamelijk complex, onder meer omdat op provinciaal en waterschapsniveau nog niet per gebied is vastgelegd wat de gewenste grondwatersituatie is. Daardoor zijn zowel op provinciaal als op landelijk niveau verschillende getallen in omloop. Volgens de jongste inzichten wordt in het jaar 2000 een reductie van 10% van het verdroogde areaal verwacht. Uit voorspellingen aangaande het resultaat van de op gang komende verdrogingsbestrijdingsaanpak komt naar voren dat rond 2010 uitlopend tot 2020 een reductie van verdroogd areaal van 30% tot 40% te verwachten is. Overigens lopen de landelijke voorspellingen van de diverse instituten over de kosten ook vrij sterk uiteen. In het beleidsvoornemen van de vierde nota wordt voorgesteld de reductiedoelstelling van 40% voor 2010 te handhaven. Daarnaast is het opvallend dat de GEVEBE-regeling elk jaar onderuitputting vertoont, hetgeen aanleiding is om er met de andere overheden nader over van gedachten te wisselen.

De effecten voor het Nederlands gebied van de bouw van een kering in de Eems zijn op dit moment niet goed in te schatten. De effecten kunnen grofweg in twee categorieën onderverdeeld worden, te weten de verhoging van de waterstand tijdens een stormvloed in het Eems-Dollardgebied bij sluiting en de effecten op natuur en milieu van de zoetwatergolf die vrijkomt bij de opening van de kering. Over de plannen inzake de aanleg wordt overleg gevoerd met de Duitsers. Een belangrijk overlegforum daarbij is de subcommissie Eems-Dollard van de permanente Nederlands-Duitse grenswatercommissie. De Nederlandse regering heeft zich tot nu toe vrij terughoudend opgesteld en zal binnen enkele weken haar standpunt nader bepalen, mede op basis van de door de Duitsers inmiddels vrijgegeven documenten. De regering zal de Kamer bij brief overigens nog nader informeren over de verdere ontwikkelingen.

De minister deelde de conclusie van de heer Van den Berg dat er geen behoefte meer is aan een verdere discussie over het in elkaar schuiven van de WM en de WVO. Uiteraard zullen zo nodig verbeteringen in de samenwerking worden aangebracht, maar het koste wat kost doorzetten van de eenloketgedachte zou wel eens kunnen leiden tot een zeer ingewikkelde en grootschalige reorganisatie die geen beter milieu tot gevolg heeft en die het wellicht ook niet eenvoudiger maakt voor de bedrijven.

Ten aanzien van de implementatie van de aanbevelingen van de MDW-werkgroep is in het kabinetsstandpunt aangegeven dat de eerste acties dit najaar van start gaan en dat in de eerste helft van 1998 de uitkomsten gemeld kunnen worden. Over andere acties zal er pas in een later stadium resultaat te melden zijn. De minister zegde toe om vanaf de eerste helft van 1998 de Kamer nader te informeren over het verloop van de implementatie.

De afschaffing van de milieuleges was ten tijde van de rapportage door de MDW-werkgroep nog in discussie en is derhalve niet betrokken bij de aanbevelingen. De werkgroep heeft zich beperkt tot een vergelijking tussen de situatie bij het Rijk en die bij de waterschappen en kwam tot de conclusie dat er zowel voor als tegen het instandhouden van de leges bij waterschappen argumenten zijn aan te voeren. Alles overwegende heeft het geleid tot de aanbeveling deze leges nog eens te bezien. Daarbij zal de beslissing om de milieuleges af te schaffen als nieuwe informatie betrokken worden. Duidelijk onderscheid ten opzichte van de klassieke waterstaatswetgeving is overigens wel dat de WVO-legesgelden via de heffing binnen komen, hetgeen efficiënter is.

Op grond van de aanbevelingen van de commissie-Zevenbergen in 1992 is destijds besloten tot het introduceren van een wetsvoorstel inzake heffing op EOX, een voorstel dat toen ook door de Unie van waterschappen werd ondersteund. Nadat het wetsvoorstel was ingediend, bleek echter dat de geschatte inkomsten van die heffing aanmerkelijk lager zouden zijn dan een aantal jaren daarvoor was berekend. Die daling werd vooral veroorzaakt door al uitgevoerde en voorgenomen saneringen door de chemische industrie. Waarschijnlijk heeft het dreigen met de heffing zijn sanerende werking gehad. Met genoemde opbrengst komen de perceptiekosten heel dicht in de buurt bij wat in het algemeen bij belastingen als aanvaardbaar wordt geacht. Bovendien is gebleken dat naast de Kamer inmiddels ook de Unie van waterschappen een aantal behoorlijke bezwaren heeft tegen het wetsvoorstel. Een en ander was reden voor de minister om het wetsvoorstel in te trekken.

De tijdens de vierde Noordzee ministerconferentie gemaakte afspraak over het binnen 25 jaar beëindigen van de lozing van milieugevaarlijke stoffen, wordt geïmplementeerd in de vierde nota.

Over de zandwinning in Gelderland is met deze provincie een bestuurlijk overleg gepland in begin november. Na ommekomst daarvan kunnen verdere mededelingen hierover gedaan.

Ten slotte wees de minister erop dat de vierde nota Waterhuishouding en het NMP 3 uiteraard onderling zullen worden afgestemd.

Nadere gedachtewisseling

De heer Feenstra (PvdA) begreep van de minister dat zij instemt met zijn suggestie om de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzeeaangelegenheden uit te bouwen tot een soort MIT maar dan voor de natte sector.

De angst van de minister wat betreft de afrekenbaarheid van doelstellingen die gekoppeld zijn aan jaartallen deelde de heer Feenstra niet. Van cruciaal belang is en blijft dat de goede doelstellingen aan de goede jaartallen worden gekoppeld.

Gelet op het feit dat een grote meerderheid in deze commissie te kennen heeft gegeven dat er al snel te weinig geld beschikbaar is op het terrein van de kwaliteit van de waterbodems, achtte hij het A4'tje voor de formateur op dat terrein rap geschreven. Hij pleitte in dezen ook voor een beverachtige aanpak, zoals bij de bodemsanering, dus functiegericht en alleen bedoeld voor die gebieden waar echt sprake is van risicoreductie.

De heer Feenstra had in eerste termijn bewust niet gesproken over de berging in diepe zandputten, vanuit het principe dat wie niet spreekt, geacht wordt in te stemmen. Een zorgvuldige MER-afweging is uiteraard wel van belang.

Ten aanzien van de diffuse bronnen dient juist niet gekozen te worden voor heffingen maar voor het volgen van de route van een gebiedsgerichte aanpak, die het meest fundamenteel vorm kan krijgen via de lijn van de EU, de Rijncommissie en de Maascommissie.

De heer Luchtenveld (VVD) herinnerde aan het antwoord van de minister dat er ten aanzien van de verdroging verschillende streefpercentages en jaartallen in omloop zijn en vroeg haar ernaar te willen streven dat binnen afzienbare termijn alsnog duidelijkheid en eenduidigheid op dat punt komt.

Mevrouw Assen (CDA) achtte het een goede zaak dat steeds meer gemeenten hun rioleringsplannen presenteren, hetgeen niet wegneemt dat de financiering ervan een probleem is, evenals die van de rioleringen in het buitengebied. Zij was ook benieuwd naar de resultaten van de proef waarbij het beheer geschiedt door waterbeheerders.

Mevrouw Assen hoorde nog graag van de minister of er wat betreft de verwerking van bagger niet meer mogelijkheden zijn om het bedrijfsleven te prikkelen. Wellicht is het denkbaar om een deel van de middelen bestemd voor de stort, daartoe aan te wenden.

Zij bleef moeite houden met de lijn die de minister volgt ten aanzien van de stort van klasse 4-baggerspecie in diepe zandwingaten.

Met betrekking tot de vervuiling via diffuse bronnen was zij het eens met de voorgestane gebiedsgerichte aanpak en het niet invoeren van heffingen.

De heer Van Waning (D66) bleef bij zijn in eerste termijn reeds geventileerde indruk dat er wat betreft de vierde nota Waterhuishouding sprake is van een uitstel van vier maanden, waardoor de eigenlijke beslissingen over de huidige kabinetsperiode worden heengetild. Overigens wilde hij van deze gelegenheid graag gebruikmaken om de hier aanwezige projectleider en zijn team te complimenteren voor het open planproces met betrekking tot genoemde vierde nota.

De heer Van Waning constateerde tot zijn genoegen dat er de laatste drieënhalf jaar bij het ministerie en de Kamer sprake is van een revolutionaire kentering in de visie op waterkering, in de zin dat nu meer ruimte voor de rivieren en voor de kust wordt gecreëerd, hetgeen ook in lijn ligt met de ideeën van de fractie van D66. De vierde nota beoogt onder meer verdiepen, hetgeen er op neerkomt dat men zich instelt op de gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling. Dat raakt tevens de kwestie van verdroging, waarbij elementen zoals peil, beheer en interactie tussen zout en zoet aan de orde zijn. Gerealiseerd moet worden dat waar het zoveel problemen geeft om ten aanzien van de verdroging een goed peilbeheer per provincie te voeren, een aanpak op hoger niveau noodzakelijk is.

De heer Van den Berg (SGP) vroeg of de minister daadwerkelijk voornemens was om de komende maanden met een nieuwe voortgangsrapportage inzake waterbeheer te komen. Hij vreesde namelijk dat een dergelijk stuk als nog onbevredigender zal worden ervaren, aangezien daarin wellicht nog sterker zal worden verwezen naar de inmiddels verschenen vierde nota.

Ten slotte vroeg hij of het depot Ketelmeer, nadat dit het volgend jaar gereed zal komen, aangewend zal kunnen worden voor het bergen van urgente hoeveelheden specie elders uit het land. Het is en blijft van belang dat de benodigde diepgangen van de vaarwegen op peil worden gehouden.

Mevrouw Vos (GroenLinks) handhaafde haar suggestie om, naast de maatregel van de gebiedsgerichte aanpak, de diffuse bronnen onder de heffingsplicht van de WVO te brengen. Het principe van de vervuiler betaalt, is in dezen voor haar wezenlijk.

Mevrouw Vos nam met vreugde kennis van het feit dat de minister vanuit haar verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit nadrukkelijk betrokken is bij het bestrijdingsmiddelenbeleid.

Wat betreft de verdroging verwacht de minister een reductie van 10% in het jaar 2000, terwijl in de Natuurverkenning 1997 nog gesproken wordt over 3%. Hoe is dat verschil te verklaren? Wil de minister tevens ingaan op het in genoemd stuk aangegeven belang om de grote gebieden aan te pakken in het kader van de verdroging?

De minister memoreerde dat de Kamer het A4'tje waarop de heer Feenstra doelde in feite al heeft gekregen in de vorm van de brief die de ministers van EZ, LNV, VROM en VW naar de Kamer hebben gezonden.

Het grote verschil tussen een MIT en een voortgangsrapportage is dat eerstgenoemde een planningskader is, doch voor het overige kon de minister zich vinden in de opmerking van de heer Feenstra terzake.

Zij bevestigde dat er wat betreft de waterbodems gestreefd zal worden naar de beverachtige aanpak. Verwezen kan in dit verband al worden naar de beleidslijn klasse 4-specie uiterwaarden.

Waar het in de Natuurverkenning 1997 genoemde percentage van 3 voor 2000 inzake de verdroging op is gebaseerd, was de minister niet bekend. Het correcte percentage is in ieder geval 10. Voorkomen moet inderdaad worden dat er steeds verschillende cijfers naar buiten komen.

In het kader van de verwerking van bagger is reeds een bedrag van 30 mln. in het POSW gestopt. Daaruit is een belangrijke nieuwe werkwijze totstandgekomen, namelijk de scheiding van zand uit zanderige specie. Voor het overige zag de minister vooralsnog geen mogelijkheid van financiële prikkels voor alternatieven. Feit is dat deze alternatieven in enige verhouding moeten staan tot de kosten van verwijdering op een andere wijze. De ambitieuze doelstelling dat 20% verwerkt zal moeten worden, blijft overigens overeind.

De inspraakprocedure rond de vierde nota Waterhuishouding zal worden afgerond in februari. Vervolgens wordt de zaak voorbereid. Het zou dan uiteraard vreemd zijn als ongeveer op de laatste dag van de verkiezingscampagne de minister van Verkeer en Waterstaat met die nota naar buiten zou komen. Een en ander neemt niet weg dat het volstrekt logisch is dat een dergelijk stuk ook mede aan de orde komt in de formatie.

De voortgangsrapportage waarop de heer Van den Berg doelt, zal verschijnen, zij het dat die aangepast is ten opzichte van de huidige rapportage.

Het depot Ketelmeer is in principe bedoeld voor het omliggende gebied. Het ligt erg gevoelig bij de regio om er anderszins mee om te gaan. Hoewel de mogelijkheden terzake wel degelijk bekeken moeten worden, biedt het niet dé oplossing voor andere regio's. Wat dat betreft zou het echt beperkt moeten blijven tot de ergste knelpunten.

De voorzitter van de commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Biesheuvel

De voorzitter van de commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Versnel-Schmitz

De griffier van de commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Roovers


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP), Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD), Assen (CDA), Ten Hoopen (CDA) en Luchtenveld (VVD).

Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Jeekel (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Terpstra (CDA), A. de Jong (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Hofstra (VVD), Hillen (CDA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD), Van der Linden (CDA), Meijer (CDA) en Te Veldhuis (VVD).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van den Berg (SGP), M. M. van der Burg (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), voorzitter, Van Gijzel (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), A. de Jong (PvdA), Gabor (CDA), ondervoorzitter, Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Poppe (SP), Augusteijn-Esser (D66), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA), Jeekel (D66), Meijer (CDA), Visser-van Doorn (CDA) en Luchtenveld (VVD).

Plv. leden: Biesheuvel (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Van Middelkoop (GPV), Verspaget (PvdA), Jorritsma-van Oosten (D66), Dijksma (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Hendriks, Reitsma (CDA), Huys (PvdA), De Graaf (D66), Leerkes (Unie 55+), Swildens-Rozendaal (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Keur (VVD), H. G. J. Kamp (VVD), Ten Hoopen (CDA), Van 't Riet (D66), Van de Camp (CDA), De Haan (CDA) en Blauw (VVD).

Naar boven