nr. 42
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 25 februari 1997
Mede namens de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en mede uit hoofde
van mijn verantwoordelijkheid als coördinerend Minister voor Noordzee-aangelegenheden
bied ik u hierbij de voortgangsrapportage 1996 aan betreffende de uitvoering
van het integraal waterbeleid.1
Zoals ik in mijn begeleidende brief bij de rapportage van 1995 reeds heb
aangegeven, is deze keer de voortgangsrapportage opgesteld onder auspiciën
van de Commissie Integraal Waterbeheer, de CIW/CUWVO. In deze commissie zijn
naast de departementen van VROM en Verkeer en Waterstaat, ook het Interprovinciaal
Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
vertegenwoordigd. Verder heeft afstemming met het Ministerie van LNV plaatsgevonden.
Nadat de CIW werd ingesteld is besloten de Voortgangsrapportage Integraal
Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden door deze commissie te laten voorbereiden
en uitvoeren.
Vanaf de Voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden
1992 is deze voortgangsrapportage een bundeling van een aantal voortgangsrapportages
op het gebied van het waterbeleid. Deze betreffen de beleidsuitvoering van:
– de derde Nota waterhuishouding (TK 21 250)
– de Rijn- en Noordzee-actieprogramma's (TK 21 884)
– het Beleidsplan Harmonisatie Noordzee-beleid (TK 17 408)
– het Milieubeleidsplan Scheepvaart (TK 22 072)
– de Beleidsnota Scheepvaartverkeer (TK 17 408)
– het Watersysteemplan Noordzee (TK 22 101)
– het Saneringsprogramma waterbodems Rijkswateren (TK 21 656)
– de toepassing van de Wet verontreiniging oppervlakte- wateren
en de Wet verontreiniging zeewater
– de Evaluatienota Water (TK 21 250)
In mijn brief aan u van 1 maart 1996 (21 250/21 656, nr. 38)
heb ik aangekondigd dat in verband met de betrokkenheid van de CIW de vorm van de Voortgangsrapportage 1996 er mogelijk anders uit zou zien. Inderdaad
is de opzet enigszins gewijzigd doch niet zeer ingrijpend. De beproefde indeling
van de materie in «schermen» en «pakketten», stammend
uit de derde Nota waterhuishouding, is wegens gebleken geschiktheid aangehouden,
al wordt er nu gesproken van «hoofdgroepen» en «onderdelen».
Wel is de tweedeling tussen enerzijds paragrafen over zoete watersystemen
(inclusief aanpalende zoute watersystemen van Waddenzee en Delta) en anderzijds
het Noordzee-gedeelte, verder doorgetrokken dan voorheen, een en ander op
verzoek van de Tweede Kamer en van vele andere betrokkenen.
Voorts is gepoogd naast de voortgang van het beleid ook iets te zeggen
over de stand van zaken met betrekking tot de watersystemen zèlf. Daartoe
is informatie ontleend aan de Landelijke Watersysteem Rapportage, die tevens
in CIW-verband tot stand wordt gebracht.
In het eerste gedeelte van de rapportage, de Samenvatting (hoofdstuk 3),
wordt de voortgang per hoofdgroep in korte bewoordingen geschetst. Hieruit
blijkt een voorzichtig optimisme voor wat betreft het halen van de emissiereductiedoelstellingen.
De waterkwaliteitsverbetering houdt daar echter geen gelijke tred mee.
Hoewel de voortgangsrapportage nog positief gestemd is over de realisering
van depotruimte voor de waterbodemsaneringen, is hierin door een uitspraak
van de Raad van State verandering opgetreden.
Als gevolg van de vernietiging van de vergunningen voor het depot in het
Hollands Diep dient rekening te worden gehouden met een behoorlijke vertraging
in de aanleg van een depot in die regio. Waterbodems van bijvoorbeeld de Hollandse
IJssel en de Brabantse Biesbosch kunnen hierdoor veel later dan verwacht worden
gesaneerd. Er ontstaan ook flinke knelpunten in de regionale wateren van de
provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant.
Over deze ontstane situatie heb ik u bij brief van 24 februari 1997 (25 015,
nr. 2) bericht.
De voortgang over de totale breedte van het integraal waterbeheer wordt
daarna, per hoofdgroep en onderdeel, nader uitgewerkt (hoofdstuk 4). Hierbij
is ook een plaats ingeruimd voor de internationale samenwerking. In hoofdstuk
5 wordt de financiering van het waterbeheer aan de orde gesteld, voor zover
het gaat om uitgaven van Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen en gemeenten,
die direct zijn gekoppeld aan het waterbeheer.
Als speciaal onderwerp is ditmaal gekozen voor informatieverwerking en
monitoring, wat onontbeerlijk is binnen het integrale waterbeheer (hoofdstuk
6). Hierbij wordt aandacht besteed aan de vele informatie die de waterbeheerder
momenteel ter beschikking staat en die niet voor iedereen zonder meer toegankelijk
is. Een goed systeem om informatie te selecteren is nodig, want zoals het
in het rapport zo mooi is geformuleerd: «als een probleem met een enkele
indicator voldoende in kaart kan worden gebracht is alle verdere informatie
verspilling».
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink