21 250
Derde Nota waterhuishouding

nr. 41
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 31 oktober 1996

Hierbij doe ik u, mede namens de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken, toekomen de antwoorden op de vragen van de heer Verkerk inzake radio-activiteit Maas, die gesteld zijn in het ordedebat van 15 oktober 19961.

1. De radioactiviteit die de afgelopen jaren in het Maaswater gemeten is, is niet verontrustend. De radioactiviteit blijft steeds onder het interventieniveau, die bij overschrijding in het drinkwater er toe leidt dat het gebruik van oppervlaktewater voor de bereiding van drinkwater moet worden gestopt. (Nota Kernongevallenbestrijding TK, vergaderjaar 1988–1989, 21 015, nrs. 1, 2 en 3). De radioactiviteit van het Maaswater te Eijsden blijft bij routinematige metingen ook onder de lagere grenswaarden die gelden als kwaliteitsdoelstelling voor water zoals beschreven in de evaluatienota water (TK vergaderjaar 1993–1994, 21 250, nrs. 27–28).

2. Er staan twee nucleaire elektriciteitscentrales langs de Maas: één in Frankrijk (Chooz, nabij de grens met België) en één in Wallonië (Tihange). Bij Eijsden is de afgelopen jaren regelmatig incidenteel verhoogde maar overigens niet verontrustende radioactiviteit gemeten. Wat wel zorgen baart is dat wanneer verhoogde radioactiviteit te Eijsden zou optreden, bij voorbeeld als gevolg van storingen in een nucleaire centrale, dit pas na enige tijd zou blijken, omdat de routinematige metingen niet ingericht zijn voor directe waarschuwing of alarmering. Een meetsysteem dat direct bij meting van radioactieve stoffen resultaat geeft is niet geïnstalleerd.

Het ontbreken van zo'n waarschuwings- en alarmsysteem vormt met name een probleem voor de (Nederlandse) drinkwaterbedrijven.

3. De in het artikel in het Algemeen Dagblad van 15 oktober 1996 genoemde uitspraken van beide ministeries spreken elkaar niet tegen, maar vullen elkaar aan. Er wordt door Verkeer en Waterstaat radioactiviteit in het Maaswater gemeten, soms in verhoogde concentraties. Dit geeft aanleiding voor alertheid aan Nederlandse kant, met name gezien het belang van de Maas voor de drinkwaterbereiding. Vandaar de benadrukking van het belang van de totstandkoming van een goed werkend waarschuwingssysteem door een vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken. Anderzijds geven de resultaten van de monitoring aan dat de situatie niet erg of verontrustend is.

4. Het RIZA is goed in staat nauwkeurig aan te geven hoe hoog de radio-activiteit van het Maaswater is. Een groot aantal radio-actieve stoffen worden regelmatig gemeten; de Maas is het best bemeten rijkswater in Nederland op dit gebied. Maar het RIZA is op dit moment alleen niet in staat om radio-activiteit van het Maaswater onmiddellijk te detecteren. De speciale apparatuur voor zo'n waarschuwingssysteem zal naar verwachting pas in 1998 bij Eijsden geïnstalleerd worden.

5. Het huidige (routinematige) meetprogramma bij Eijsden bepaalt, afhankelijk van het milieu-gedrag van de betreffende stof, de radioactiviteit in het water en/of in de zwevende stofdeeltjes. In de waterfase worden maandelijks de parameters totaal-alpha, totaal-beta, rest beta, tritium en kalium-40 bepaald. Bij strontium-90 en radium-226 vindt dat eens in de twee maanden plaats. In het zwevende stof worden maandelijks de parameters totaal-alpha, totaal-beta en beta-activiteit K40 bepaald. Twee-maandelijks vindt dit voor lood-210 en polonium-210 plaats. De gamma-nucliden, waaronder cobalt-58 en -60, cesium-137 en -134, mangaan-54 en jodium-131 worden wekelijks gemeten in het zwevend stof.

6. Alle RIZA-meetgegevens uit het routinematige meetprogramma zijn openbaar dus ook die welke de radioactiviteit betreffen. De gegevens worden periodiek door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat gepubliceerd.

7. Bij zijn ontmoeting met zijn Waalse collega heeft de Minister-President sprekend over het in overeenstemming brengen van de economische ontwikkeling met het milieu en de Waalse problemen met de waterkwaliteit gewezen op het belang dat Nederland hecht aan een snelle totstandkoming van een Maasactie-programma en een waarschuwingssysteem voor radio-actieve lozingen in het Maaswater. De opmerking van de Minister-President was er primair op gericht om een bijdrage te leveren aan de voortgang van de in de betreffende Maascommissie plaatsvindende discussie op dit terrein. In de bespreking is gezamenlijk geconstateerd dat deze voortgang van belang is.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Zie Handelingen II nr. 5, vergaderjaar 1996–1997.

Naar boven