21 250
Derde Nota waterhuishouding

24 410
Saneringsprogramma waterbodem rijkswateren 1996–2000

12 449
Afsluiting van de Oosterschelde

nr. 39
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 mei 1996

De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat1 heeft op 2 april 1996 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Verkeer en Waterstaat over:

– diffuse bronnen van waterverontreiniging (kamerstuk 21 250, nr. 37);

– het saneringsprogramma rijkswateren (kamerstuk 24 410);

– het interimrapport Programma ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems;

– de evaluatie van de Wet op de waterhuishouding (VW-96–137);

– de voortgangsrapportage Integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden (kamerstuk 21 250/21 656, nr. 38);

– de afsluiting van de Oosterschelde (kamerstuk 12 449, nr. 109).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Kamp (VVD) constateerde dat er onmiskenbaar resultaten worden geboekt met het waterbeleid. De genomen beleidsmaatregelen leiden ertoe dat veel van de doelstellingen worden gehaald. De samenwerking tussen partijen in het binnenland is goed en die met partijen in het buitenland wordt beter. Deze constatering is belangrijk, omdat bij de vaststelling van de vierde nota Waterhuishouding verdergaande maatregelen aan de orde zullen komen.

Twee belangrijke onderdelen verlopen minder naar wens: het terugdringen van de diffuse belasting van het oppervlaktewater met diverse verontreinigende stoffen en het daadwerkelijk saneren van de verontreinigde waterbodems. De relatie tussen beide is duidelijk: het saneren van de waterbodems heeft weinig zin als de verontreiniging van het water gewoon doorgaat. Bovendien is het van belang de kosten van maatregelen om de waterverontreiniging terug te dringen af te zetten tegen de kosten die moeten worden gemaakt om verontreinigde waterbodems te saneren.

De heer Kamp ging eerst in op de diffuse belasting van het oppervlaktewater die onder meer wordt veroorzaakt door nutriënten. Het is duidelijk dat de uitspoeling van landbouwgronden sterk moet worden verminderd. Het mest- en ammoniakbeleid leidt ertoe dat dit niet, zoals de bedoeling

was, in het jaar 2000, maar eerst in 2010 het geval zal zijn, omdat de sector meer tijd nodig heeft om zich aan te passen. Heeft het kabinet zich bij deze nieuwe doelstelling neergelegd? Is het kabinet het ermee eens, dat dan wel door concrete maatregelen en regelmatige voortgang verdere vertraging moet worden voorkomen?

De rioleringsgraad in Nederland is 97% en de rioolwaterzuiveringsinstallaties halen een rendement van 85%. Problematisch zijn nog het frequent voorkomen van riooloverstorten, waaraan in 1998 een einde gekomen zou moeten zijn, en de aansluitingen in het buitengebied. Verreweg de meeste gemeenten hebben nog steeds geen rioleringsplan alhoewel zij daartoe door de Wet milieubeheer al per 1 januari 1994 verplicht waren. De provincie Overijssel heeft over dit onderwerp afspraken met de betrokkenen gemaakt: met het frequent overstorten is het in het jaar 2005 afgelopen en van de percelen in het buitengebied die nog niet op de riolering zijn aangesloten, zal 20% alsnog worden aangesloten. Legt het kabinet zich neer bij het ontbreken van gemeentelijke rioleringsplannen en accepteert het dat het overstorten pas in 2005 afgelopen zal zijn?

De milieu-organisaties maken zich net als de waterleidingbedrijven zorgen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw en proberen met procedures WVO-vergunningen af te dwingen voor bedrijven met open grondteelten. Als zij daarin slagen, dan zullen er naar de heer Kamp meende maximaal 60 000 vergunningaanvragen moeten worden behandeld; een onhaalbare zaak. Dat geldt zeker voor de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden. Terecht vragen de waterschappen om regulering door algemene regels. Is het kabinet het ermee eens dat die regels er moeten komen en dat er haast mee is om de periode van noodgedwongen gedogen zo kort mogelijk te laten zijn? Zijn er voldoende mogelijkheden om gedurende de gedoogperiode op te treden tegen apert onzorgvuldig handelen met bestrijdingsmiddelen?

Evenals de WRR en de Stichting natuur en milieu pleit de VNG ervoor de WVO-heffing toe te passen op de bronnen van diffuse verontreiniging. Naast voordelen zijn daaraan ook grote nadelen verbonden. Het is dan ook verstandig dat het kabinet daarover pas tot besluitvorming wil komen in het kader van de vierde nota Waterhuishouding.

Volgens de normen is 80% van de waterbodems verontreinigd, voor een deel zo ernstig, dat die waterbodems moeten worden gesaneerd. Voor de overige geldt dat het slib dat bij baggerwerk vrijkomt, moet worden verwerkt of gestort. Tot nu toe houdt het beleid nog voornamelijk in dat er onderzoek wordt verricht. Met een daadwerkelijke aanpak moet worden gewacht op het beschikbaar komen van verwerkingscapaciteit en van stort- of bergingsplaatsen. Als die er eenmaal zijn, dan moet er ook geld zijn voor die daadwerkelijke aanpak. Om te kunnen weten hoeveel geld er nodig is, moet bekend zijn hoeveel slib er moet worden verwerkt of gestort. Nu zijn er nog slechts ruwe schattingen van de waterbeheerders die bij elkaar opgeteld overigens tot duizelingwekkende totalen komen. Er moet dus betere informatie over de omvang van het probleem komen.

Het is de bedoeling in 2000 20% van het slib te verwerken. De kosten daarvan lopen op tot f.250/ton droge stof. Er zijn nog geen scheidingsinstallaties voor de gemakkelijkste vorm van verwerking: het verwijderen van zand uit zandige baggerspecie en het storten van het restant. Wanneer komen die installaties beschikbaar, zodat deze verwerkingsvorm kan worden gebruikt? De fractie van de heer Kamp vond het jammer dat is geconstateerd dat er geen perspectief is op biologische in-situ-reiniging en dat het onderzoek daarnaar in het kader van het programma Ontwikkeling sanering waterbodem zelfs is gestaakt. Gegeven de omvang van het probleem zal een echte oplossing toch in die sfeer moeten worden gevonden. Heeft het kabinet hoop dat zoiets op termijn mogelijk wordt?

Tot er voldoende stort- en bergingscapaciteit is, blijft onderhoud aan scheepvaartwegen en havens achterwege en kunnen saneringen niet worden aangepakt. De eerste regionale bergingslocatie zou in 1998 worden gerealiseerd in Gelderland. Ziet het ernaar uit dat Gelderland daarin zal slagen? Op welke termijn zullen de andere provincies volgen? De eerste twee grootschalige landelijke bergingsinstallaties, Ketelmeer (20 mln. m3) en het Hollands Diep (30 mln. m3), zouden in 1995 worden gerealiseerd, maar in de nieuwste planning wordt voor de eerste uitgegaan van 1998 en voor de tweede van 1999. Bovendien heeft de Raad van State recentelijk de milieuvergunning voor het Hollands Diep geschorst.

Particuliere initiatiefnemers hebben voor deze locatie het eiland Tiengemeten als alternatief voorgedragen. De minister heeft het alternatief enige tijd geleden financieel niet interessant genoemd en heeft gezegd dat het tot vertraging zou leiden. De initiatiefnemers hebben recentelijk gesteld dat het 100 mln. goedkoper is en een jaar tijdwinst kan opleveren. Mede vanwege de vertraging als gevolg van het schorsen van de milieuvergunning wilde de heer Kamp weten welke afwegingen de minister heeft gemaakt.

Het evaluatie-onderzoek van de Landbouwuniversiteit in Wageningen heeft tot de constatering geleid dat verbeteringen van de Wet op de waterhuishouding gewenst zijn, maar dat een integrale Wet op het waterbeheer voorlopig niet noodzakelijk is. Hij sloot zich aan bij de stelling van de onderzoekers, dat het beter is in te zetten op het realiseren van integraal waterbeheer door samenwerking tussen de betrokken overheden en instanties dan tijd te verliezen door het opnieuw aan de orde stellen van de bestuurlijke organisatie en van competentiekwesties. Hij waardeerde het dat de waterschappen de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport al willen oppakken, vooruitlopend op de vierde nota. Is het kabinet daartoe ook bereid, in het bijzonder waar het gaat om het op elkaar afstemmen van de vergunningsprocedures van de Wet op de waterhuishouding en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO)?

Tot voor kort is volgehouden dat het mogelijk was om op basis van de bestaande maatregelen te komen tot een vermindering van het areaal verdroogd natuurgebied (550 000 ha) met 25% in het jaar 2000. De heer Kamp twijfelde aan de haalbaarheid, mede omdat er onvoldoende projectvoorstellen zijn ingediend voor 1995, terwijl er voor dat jaar voldoende geld beschikbaar was. Het leek hem niet goed om wat deze doelstelling betreft te wachten tot de vierde nota. Is de minister bereid om de evaluatie die dit voorjaar zal worden gemaakt van de provinciale plannen van aanpak aan te vullen met een beoordeling van de situatie in de provincies die zo'n plan nog niet hebben vastgesteld? Is zij bereid in het najaar te bekijken of er mogelijkheden zijn om de doelstelling alsnog in het jaar 2000 te realiseren?

Tot slot ging de heer Kamp in op de brief over de effecten van het afsluiten van de Oosterschelde. Destijds vielen de kosten van de afsluiting fors hoger uit dan was geraamd en gebudgetteerd. Desondanks zijn er recentelijk mankementen geconstateerd. Er moest extra geld worden uitgetrokken voor herstelwerkzaamheden aan de deklaag op de bodem en aan de schuifdeuren. Hebben die mankementen te maken met het feit dat men heeft geprobeerd zo goedkoop mogelijk te werken, hoewel men om extra geld had gevraagd? Zijn er aanwijzingen dat er meer mankementen te verwachten zijn?

Om de vervuiling van de waterbodem en de eutrofiëring aan te pakken, is besloten het chloridegehalte van het water te verhogen en het waterpeil te laten fluctueren. Is het Landbouwschap inmiddels alsnog om een oordeel gevraagd over het chloridegehalte? Het is verheugend dat er over het peilbeheer een compromis is bereikt, dat nu kan worden uitgevoerd.

Ook de heer Van Waning (D66) had waardering voor de projectmatige aanpak van de voorbereiding van de vierde nota Waterhuishouding waarbij ook de andere ministeries en de Unie van waterschappen zijn betrokken. Waarom doet het IPO niet mee? Ook de vroegtijdige inspraak en de informatieverstrekking zijn te waarderen. Er is de laatste tijd sprake van een positieve koerswijziging van de departementale cultuur inzake communicatie en het in een vroegtijdig stadium betrekken van belangengroeperingen bij projecten en dergelijke. Een voorbeeld van die koerswijziging is de uitgebreide inspraakronde over het ontpolderen in Zeeland.

De minister schrijft dat 1995 een belangrijk peiljaar is en dat over het geheel genomen uit de rapportage kan worden geconcludeerd dat de doelstellingen voor 1995 in aanmerkelijke mate zijn gehaald, met uitzondering van die voor de diffuse belasting van oppervlaktewateren, de verontreinigde waterbodems en de verdrogingsbestrijding.

De directeur-generaal van RWS-RIZA zag als ideaal een nota ruimtelijk beheer, waarin ruimtelijk beleid, milieubeleid en waterbeheer bijeen zijn gevoegd. Voorziet de minister dat er een geïntegreerd beleidsstuk zal kunnen worden geproduceerd door de ministeries, de Unie van waterschappen, het IPO en de VNG?

In het evaluatierapport Wet op de waterhuishouding is een 25-tal nuttige aanbevelingen gedaan. Het rapport is om advies voorgelegd aan de Staatscommissie voor de waterstaatswetgeving. Is de indruk juist dat het kabinet dat advies en eventuele andere adviezen wil betrekken bij de vierde nota Waterhuishouding?

Zal in de vierde nota ook de Noordzee worden betrokken bij het integraal waterbeheer, zoals de voorzitter van de Interdepartementale coördinatiecommissie voor Noordzee-aangelegenheden (Icona) heeft bepleit? Het samenwerkingsverband dat heeft onderzocht of op de Klaverbank zand zou kunnen worden gewonnen, is uit elkaar gegaan, zodat mag worden verwacht dat niet zal worden voldaan aan de in mei 1991 tussen Rijk en provincies afgesproken taakstelling voor beton en metselzand voor de periode 1989–1998 en de periode 1999–2008. Dit is vooral een taakstelling voor Rijkswaterstaat zelf. Immers, die is de grootste gebruiker van zand voor weg- en waterbouw. Aan welke alternatieven wordt gedacht? In den lande is men bevreesd dat er in plaats van zeezand, waarop door de Kamer is aangedrongen bij de behandeling van de structuurnota Oppervlaktedelfstoffen, weer zand zal worden gewonnen op landlocaties. Heeft de minister gehoord dat een nieuwe studie heeft aangetoond dat bij zandwinning bij Maasbommel wel degelijk de veiligheid van de bewoners in het geding is?

De heer Van Waning sprak de hoop uit dat de Kustnota eindelijk in 1996 zal verschijnen. Een combinatie van onvoorziene effecten van de Deltawerken (een grotere afslag van de vooroever van de Noordzee) en de te verwachten stijging van de waterspiegel door klimaatverandering maakt dat de noodzakelijke aanpak van de problemen veel duurder zal uitpakken dan was voorzien. Het vele werk dat de waterbouwers momenteel verrichten in het kader van dijk- en kadeverhoging creëert wel een speerpunt in Nederland. Momenteel wordt onderzocht wat de werkelijke speerpunten van Nederland zijn. Hoe ziet de minister conceptueel de samenhang tussen de EZ-nota Kennis in beweging en het werk aan de kustverdediging en langs de rivieren?

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) constateerde dat volgens de brief over diffuse bronnen van waterverontreiniging de waterkwaliteitsdoelen (schoon water en een schone waterbodem) nog steeds niet worden gehaald, ondanks de sanering van de lozingen van de industrie en de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Met name de kwaliteitsdoelstellingen inzake bestrijdingsmiddelen en PAK's worden niet gehaald. De Vewin heeft in een brochure een overzicht gegeven van het bestrijdingsmiddelenbeleid en de wijze waarop dit volgens de waterleidingbedrijven moet worden bijgesteld. Onderzoek en zuivering kosten deze bedrijven jaarlijks 200 mln., die uiteraard weer op de consument worden verhaald. De Vewin stelt dat de overheid inzake een aantal stoffen nader beleid moet voeren. Tegen de zin van de waterleidingbedrijven in heeft het Bureau voor toelating bestrijdingsmiddelen de toelating van bepaalde bestrijdingsmiddelen verlengd tot 1999. Is het kabinet bereid deze kwestie nader te bezien?

Hoewel in de landbouw het bestrijdingsmiddelengebruik met 40% is teruggebracht, is de regionale waterkwaliteit niet echt verbeterd: de uitspoeling blijkt nog ver boven de norm te zitten. Het ene bestrijdingsmiddel is nu eenmaal schadelijker dan het andere. In het kader van de uitvoering van het meerjarenplan Gewasbescherming zou de aandacht meer gericht moeten zijn op de reductie van het gebruik van de schadelijkste bestrijdingsmiddelen. Om dat te bereiken en om de maatschappelijke kosten van dat gebruik door te berekenen, dacht mevrouw Augusteijn aan heffingen op de bestrijdingsmiddelen die het milieu het meest belasten. Al is dat een zaak voor de minister van LNV, toch wilde zij graag weten hoe de bewindsvrouwe hierover denkt. Mevrouw Augusteijn staafde met een voorbeeld de stelling dat in de praktijk de halfwaardetijd van een bestrijdingsmiddel soms heel anders blijkt te zijn dan werd verwacht.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de sanering van waterbodems is op 25 oktober 1995 gevraagd of de beschikbare rijksmiddelen toereikend zijn voor de aanpak van de waterbodemsanering in de komende jaren. Die vraag kon toen niet beantwoord worden. Kan dat nu wel? Hoe is daarbij de positie van de gemeenten en de waterschappen? De laatsten hebben al eerder gezegd dat de rijksmiddelen onvoldoende zijn.

Om de besluitvorming inzake de verwerking van verontreinigde baggerspecie te vergemakkelijken is het programma Ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems gestart. Dit programma, opgezet om te voorzien in mogelijkheden van verwerking van de verontreinigde baggerspecie en de toepassing daarvan, bevindt zich in de fase van demonstratie- en praktijktesten. Het interimrapport dient als basismateriaal voor de discussie over het waterbodembeleid dat in de vierde nota Waterhuishouding gestalte moet krijgen. Mevrouw Augusteijn somde een aantal conclusies op over de randvoorwaarden van verwerkingstechnieken. In het rapport staat dat storten geen ideale oplossing is, ook niet onder strikte IBC-voorwaarden, en dat – gezien de financiële en planologische consequenties van storten – reinigen van vervuilde baggerspecie en nuttige toepassing van het eindprodukt wenselijk zijn. Zij was het hiermee eens, maar vroeg zich af of niet, omdat storten uiteindelijk goedkoper kan zijn dan goed verwerken, nogal eens te snel wordt gekozen voor storten. Op welke wijze zullen bij grootschalige verwerking de planologische en milieu-aspecten worden gewaarborgd, nu in het rapport staat dat storten toch wel een goede oplossing zou kunnen zijn, ook als de IBC-voorwaarden niet strikt worden toegepast?

Bij de in het rapport genoemde hoeveelheden baggerspecie die om milieu- en waterhuishoudkundige redenen verwijderd moeten worden, gaat het om schattingen. Op welke wijze kan worden bepaald hoeveel baggerspecie moet worden gestort en hoeveel specie nog kan worden gebruikt? De doelstelling is om in 2000 20% van de vervuilde baggerspecie te verwerken en nuttig toe te passen. Zal die doelstelling worden gehaald? Kan een bedrijf dat een techniek voor verwerking ontwikkelt, verzekerd zijn van voldoende toelevering van de grondstof? Een Utrechts bedrijf bijvoorbeeld heeft van baggerspecie een soort bouwkorrel gemaakt die kan worden verwerkt in bijvoorbeeld beton.

In het rapport staat dat de afzet van gereinigde produkten een stimulans zal krijgen, indien Rijkswaterstaat een actief beleid voert en een gedeelte van die produkten afneemt. Heeft Rijkswaterstaat hiertoe plannen voorbereid? Op welke andere wijze denkt de minister de afzet van verwerkingsprodukten te stimuleren?

De realisatie van het bergingsdepot in het Hollands Diep heeft vertraging opgelopen. Ook mevrouw Augusteijn wees op de door een particuliere firma genoemde mogelijkheid om Tiengemeten daarvoor te gebruiken. Zij vroeg in welke verhouding die suggestie staat tot de natuurontwikkelingsplannen van de provincie Zuid-Holland voor het eiland Tiengemeten. Wat is de visie van de minister op de realisatie van de ecologische hoofdstructuur aldaar?

De verdrogingssituatie is inderdaad ernstig. Mevrouw Augusteijn stelde dat er sprake is van een verkokerde behandeling van dit onderwerp. Op 3 april a.s. zal er namelijk een hoorzitting worden gehouden over de PKB beleidsplan Drink- en industriewatervoorziening. Daarna zal nog de vierde nota Waterhuishouding verschijnen. Dat er tegenstrijdige beleidslijnen worden gehanteerd, blijkt uit het feit dat in Gelderland een grote bierbrouwerij zeer veel grondwater oppompt, terwijl de boeren vaak niet mogen sproeien. Ook zij vroeg dan ook hoe kan worden gekomen tot een beter integraal beleid ten aanzien van het waterbeheer in het gehele land.

De heer Lilipaly (PvdA) stelde dat voor het onderwerp van dit overleg de toverformule in feite is: gebiedsgerichte aanpak. Er is maatwerk nodig. Rijksbeleid plus aanvullend gebiedsgericht beleid zou moeten zorgen voor een integrale aanpak van natuurherstel. Het aanpakken van de diffuse verontreinigingsbronnen hangt samen met de bestrijding van de verdroging en de waterbodemsanering, en omgekeerd.

Door aanpassing van wetgeving, zoals de Wet op de waterhuishouding en de Grondwaterwet, is inderdaad een aantal belemmeringen voor voortvarende bestrijding van de verdroging weggenomen. Toch wil de bestrijding van de verdroging niet vlotten. De reductiedoelstelling voor 2000 wordt niet gehaald, met alle gevolgen van dien voor de doelstelling voor 2010. In de voortgangsrapportage staat dat de gebiedsgerichte aanpak van de verdroging moeizaam van de grond komt. De trage verwezenlijking van het anti-verdrogingsbeleid is door de heer Lilipaly reeds aan de orde gesteld bij de behandeling van de evaluatienota Water. Die vertraging houdt verband met de doorvertaling van de verantwoordelijkheden naar provincies en waterschappen. Is er te weinig interesse of bestuurlijke moed? Wat gaat de minister doen, nu blijkt dat de helft van de plannen van aanpak niet is gerealiseerd? Welke ondersteuning kan vanuit het ministerie worden geboden? Is bijstelling van het rijksbeleid te verwachten? De heer Lilipaly herinnerde aan de door hem naar aanleiding van de evaluatienota Water ingediende motie, waarin de regering werd verzocht om in de vierde nota Waterhuishouding een samenhangend pakket maatregelen te presenteren waarmee het herstel van de natuur aanmerkelijk zal worden bespoedigd. Daarbij is van belang dat wordt vastgehouden aan de doelstelling van 25% reductie in het jaar 2000. Welke instrumenten respectievelijk structuren zullen alsnog worden gebruikt om die doelstelling te halen? Kan de minister het rapport over de evaluatie van de plannen van aanpak naar de Kamer sturen, vooruitlopend op een eventuele tweede voortgangsrapportage? Toen het water een deel van Nederland tot de lippen steeg, is de regering met het buitenland in overleg getreden over waterbeheersing. Kunnen er nadere mededelingen worden gedaan over dat overleg?

In de voortgangsrapportage worden veel punten genoemd die niet worden gerealiseerd wat de diffuse bronnen betreft. Conform haar toezegging bij de behandeling van de evaluatienota Water heeft de minister de Kamer geïnformeerd over de diffuse bronnen en met name over de doelgroepen die de verontreinigingen veroorzaken en over de maatregelen die daartegen worden genomen. Die maatregelen hebben vooral betrekking op de norm, zoals in het meerjarenplan Gewasbescherming en het beleidsstandpunt PAK. Met normstelling alleen is men er evenwel niet. Dat vormt een kader waarbinnen overheden kunnen opereren. De initiatiefgroep GIDS heeft terecht gesteld dat de sleutel van de oplossing ligt in de regio en dat derhalve de lokale aanpak van diffuse bronnen moet worden benadrukt. Is alles gedaan om dat te bewerkstelligen? Kan er redelijkerwijs nog meer van het bedrijfsleven worden gevraagd dan nu gebeurt?

Beleid en uitvoering inzake de sanering van de waterbodems komen niet goed op gang. Er is drie jaar vertraging bij de uitvoering van de doelstelling uit de derde nota Waterhuishouding: aanleg van grootschalige stortplaatsen. Voorheen kwam dat door gebrek aan financiën. Op dit moment wordt dat vooral veroorzaakt door de bezwaarschriftenprocedures. Geld, tempo en commitment blijven punten van zorg. Er moet rekening worden gehouden met de wettelijk vereiste procedures naast de benodigde bouwtijd. De overheveling van middelen naar de begrotingen voor 1996 t/m 1999 lijkt onvermijdelijk, omdat anders de middelen ontbreken op het moment dat er gebouwd kan worden. Zijn er tot het jaar 2000 genoeg financiële middelen beschikbaar om de grootschalige landelijke en de regionale depots en de 20%-verwerkingsdoelstelling te realiseren?

In het saneringsprogramma is het rendement van de gelden voor ontwikkeling van de verwerkingstechnieken niet voldoende aangetoond. Het rendement van de middelen voor stortplaatsen is wel ondubbelzinnig.

Het was de heer Lilipaly duidelijk dat de gemeenten niet in staat zijn om de opschoning van de onder hun beheer vallende waterbodems te bekostigen. Dat knelt te meer voor artikel 12-gemeenten. Hoe kan dit probleem worden doorbroken? Door een gezamenlijke aanpak van gemeenten, waterschappen en Rijk?

Hij wees erop dat de minister in haar brief inzake de evaluatie Wet op de waterhuishouding stelt dat uit de studie van de Landbouwuniversiteit Wageningen niet de conclusie kan worden getrokken, dat de wet op korte termijn moet worden uitgebouwd tot een wet op het waterbeheer. De studie maakt evenwel nadrukkelijk melding van verwarring onder en gebrek aan afstemming tussen waterbeheerders en gemeenten. De heer Lilipaly zag wel wat in het advies van de Landbouwuniversiteit om na te gaan of bestuursakkoorden op regionaal stroomgebiedniveau betekenis kunnen hebben voor afstemming van de beleidslijnen voor water, milieu, natuur en ruimtelijke ordening.

In het verleden heeft zijn fractie meermalen gepleit voor ontzandingen in de Noordzee of het IJsselmeer in plaats van op het vasteland, omdat zandwinning op het druk bevolkte vasteland altijd op weerstanden van ingezetenen stuit en tot onveiligheid leidt als gevolg van de diepe putten die door ontzanding ontstaan. Naar aanleiding van de nota Gegrond ontgronden respectievelijk het structuurschema Oppervlaktedelfstoffen is vastgelegd, dat de Klaverbank voor ontzanding geschikt zou zijn, maar dat er eerst een MER moet worden uitgevoerd alvorens kan worden besloten tot zandwinning over te gaan. Het opstellen van die MER is overgelaten aan het bedrijfsleven, dat evenwel – uiteraard uit economische overwegingen – geen heil blijkt te zien in zandwinning op de Klaverbank. Verdere initiatieven worden door de minister overgelaten aan individuele belangstellenden. De taakstelling uit het structuurschema wordt vervolgens min of meer moedwillig op losse schroeven gezet. Het is de vraag of de minister zich in deze niet wat actiever had moeten opstellen. Het zijn ten slotte niet alleen economische motieven die bepalen waar en op welke wijze zandwinning mag plaatsvinden. Ruimtelijke, veiligheids- en milieumotieven moeten daarbij ook een rol spelen. Of denkt de minister hier anders over?

Mevrouw Vos (GroenLinks) wees erop dat de laatste tijd wereldwijd bezorgdheid wordt uitgesproken over de waterkwantiteit en -kwaliteit in de toekomst. Zelfs Nederland zou volgens een deskundige in de problemen kunnen komen wat de waterkwantiteit betreft.

Al stelt de minister optimistisch dat een aantal doelstellingen in 1995 gehaald zijn, toch is er aanleiding tot vragen, bijvoorbeeld over de verdroging, de achterstand bij het realiseren van de 25%-reductiedoelstelling in 2000 en de onderuitputting van het beschikbare budget voor bestrijding van de verdroging. Het is de vraag of de pogingen om meer projecten van de grond te krijgen vruchten hebben afgeworpen. Het leek mevrouw Vos geen vraag meer of het rijksbeleid bijstelling behoeft, zodat meteen kan worden onderzocht hoe het beleid moet worden bijgesteld.

Er is in het jaar dat is verstreken sinds de bespreking van de evaluatienota Water te weinig voortgang geboekt inzake de diffuse bronnen. Intussen is wel de Mestnotitie vastgesteld, maar er zijn geen vorderingen gemaakt inzake het saneren van milieugevaarlijke bestrijdingsmiddelen. Integendeel, het kabinet geeft toe dat voor nutriënten en bestrijdingsmiddelen en voor zware metalen en PAK's de emissiereductiedoelstellingen en grenswaarden voor de oppervlaktewateren niet worden gehaald. Er zouden toch consequenties moeten worden verbonden aan deze treurig stemmende constatering. De drie waterleidingbedrijven hebben al enkele maanden geleden gemeld dat zij niet langer instaan voor topkwaliteit van het kraanwater. Mevrouw Vos vroeg zich af of niet conform het voorstel van de Consumentenbond op de waternota moet worden vermeld wat het nitraatgehalte van het geleverde water is. De Unie van waterschappen heeft gepleit voor maatregelen tegen diffuse lozingen van bestrijdingsmiddelen op het oppervlaktewater. De Vewin heeft recentelijk gesteld dat het bestrijdingsmiddelenbeleid in het kader van levering van goed drinkwater ontoereikend is. Moet de minister zich op dit punt niet nadrukkelijker met het bestrijdingsbeleid gaan bemoeien? Met versnelde sanering van de zes door mevrouw Vos opgesomde bestrijdingsmiddelen zou voor een groot deel de zorg worden weggenomen die de drinkwaterbedrijven in deze terecht hebben. Zij sloot zich derhalve aan bij de vraag van mevrouw Augusteijn hierover en bij de vraag van de heer Kamp over WVO-vergunningen voor open teelt. Zullen in de algemene regels ook voorschriften worden opgenomen ten aanzien van spuit- en teeltvrije zones en spuitgedrag?

De drie tussendoelen voor de sanering van de waterbodems in 1995 zijn geen van alle gerealiseerd. Deze situatie is ten zeerste ongewenst uit het oogpunt van volksgezondheid en vanwege het belang van de scheepvaart, die wordt geconfronteerd met onbruikbare vaarroutes als gevolg van onvoldoende baggeren. Deelt de minister de mening dat er in het kader van de vierde nota Waterhuishouding meer geld voor ter beschikking moet worden gesteld dan de huidige 50 mln.?

In de voortgangsrapportage wordt gemeld dat er geen knelpunten zijn betreffende de maatregelen van pakket 16 inzake emissies op de Noordzee. Ligt men werkelijk op de goede koers als het gaat om het voorkomen van afvalstoffen en het besparen van energie door de scheepvaart? De steeds slechter wordende kwaliteit van de scheepsbrandstof geeft extra problemen. Mevrouw Vos vroeg zich af of de stimulering van het gebruik van de havenontvangstinstallaties verloopt overeenkomstig de voornemens (25% reductie van de illegale lozingen). Is er een significante toename van het aantal zeeschepen dat gebruik maakt van de installaties en van de afgegeven hoeveelheden stoffen?

De uitstoot van zwavel zou met tenminste 50% moeten worden teruggedrongen, maar Nederland heeft in de International Maritime Organization voorgesteld voor het zwavelgehalte in scheepsbrandstoffen een limiet van 4,2% toe te staan, terwijl het gemiddelde zwavelgehalte momenteel op 2,8% ligt. Kan de minister dit verklaren en is zij bereid zich in te zetten voor een tijdpad dat moet resulteren in halvering van het zwavelgehalte van scheepsbrandstof?

De heer Van den Berg (SGP) had waardering voor de heldere voortgangsrapportage en voor de wijze waarop aan de vierde nota Waterhuishouding wordt gewerkt. Hier en daar bestaat de neiging besluitvorming uit te stellen tot de nota is verschenen, maar dat zal nog geruime tijd duren en daarom zullen er voor die tijd op verschillende punten besluiten moeten worden genomen.

Hij kwalificeerde de evaluatie van de Wet op de waterhuishouding als belangrijk en boeiend. De minister wil de implementatie van het aan de staatscommissie om advies toegezonden rapport meenemen in het kader van de vierde nota Waterhuishouding. De heer Van den Berg vroeg zich af of dit wel de juiste weg is, omdat er knelpunten in aan de orde zijn gesteld die al eerder dienen te worden opgelost. Hij verzocht derhalve een nadere uiteenzetting over 's ministers voornemens inzake de implementatie van het rapport, nadat de staatscommissie haar advies heeft uitgebracht. Hij deelde de conclusie van het evaluatierapport over een mogelijke integrale Waterwet en pleitte ervoor eerst eens goed gebruik te maken van de bestaande instrumenten, waaronder de Wet op de waterhuishouding.

Het rapport bevat ook interessante aanbevelingen en beschouwingen van bestuurlijke aard, bijvoorbeeld over de schaalvergroting van de waterschappen. Zijns inziens kan daarbij niet van algemene landelijk geldende blauwdrukken worden uitgegaan, maar zal moeten worden gestreefd naar maatwerk. De rapporteurs wijzen op het perspectief dat de provincies tot één ruimtelijk plan komen, waarin het provinciale plan op de waterhuishouding zou opgaan. Ook voor het rijksniveau worden wel dergelijke structuren bepleit. Een schaduwzijde daarvan is dat de waterplanning het bestuurlijk kader vormt waarbinnen de waterschapstaken dienen te worden geïntegreerd in de totale overheidstaak. Dat is met name de functie van het provinciaal waterhuishoudingsplan. Het is de vraag of een geïntegreerd gebiedsplan op provinciaal niveau wel het juiste kader zou vormen voor de functie van het provinciaal waterhuishoudingsplan. De integratie van het functionele waterschap op provinciaal niveau is een van de basisprincipes van de waterstaatszorg. Daarom moet in het oog worden gehouden dat verkleining van de provinciale schaal en vergroting van de waterschappen zullen leiden tot ongewenste verhoudingen en dat de provinciale planvorming een duidelijk integratiekader is voor de waterschapsactiviteiten binnen een bepaald gebied. De heer Van den Berg was van mening dat de onderscheiden verantwoordelijkheden duidelijk moeten worden gemarkeerd.

Het probleem van diffuse lozingen zal alleen kunnen worden opgelost via een gezamenlijke aanpak door verschillende overheden, voor zover het al kan worden opgelost. Het is de vraag of nog lang kan worden gewacht met heffingen in het kader van de WVO. Ook hij had met teleurstelling geconstateerd dat de rioleringsplanvorming van de gemeenten vertraagd is. Wat is de minister voornemens daaromtrent te doen? Serieus zal moeten worden nagegaan of inderdaad alle of zoveel mogelijk woningen in het buitengebied op de riolering moeten worden aangesloten. Overijssel is tot de conclusie gekomen dat slechts een beperkt aantal van de niet-aangesloten percelen daadwerkelijk moet worden aangesloten en dat voor de overige percelen een andere oplossing moet worden nagestreefd.

Volgens de heer Van den Berg zouden vergunningen voor open teelt moeten worden gebaseerd op algemene regels. Wanneer kunnen die algemene regels worden verwacht?

Om de doelstellingen van het verdrogingsbeleid te halen, zal de bestaande subsidieregeling moeten worden voortgezet. Ook de provinciale plannen van aanpak zullen er een rol bij moeten spelen en moeten derhalve versneld ter hand worden genomen. Hij had nog steeds, mede vanwege het gebrek aan financiële middelen, zorgen over de voortgang van het herstel van watersystemen. Zijn er extra mogelijkheden gebleken om projecten aan te pakken? Er is zijns inziens een structurele regeling van rijkswege nodig.

In het kader van het Noordzeebeleid wordt al jaren gepraat over voorstellen voor een exclusieve economische zone, maar die zijn nog steeds niet ingediend. Wanneer mag dat wetsvoorstel worden verwacht?

De voortgang van de sanering van de waterbodems is teleurstellend. Na jaren is de ontwerp-inbouwwet in 1995 bij de Kamer ingediend, maar de nota naar aanleiding van het verslag laat alweer een halfjaar op zich wachten. Waarom duurt dat zo lang? De minister van VROM zal in deze wel de eerstverantwoordelijke zijn, maar toch riep de heer Van den Berg de bewindsvrouwe op hiermee grote haast te maken. Alle hoop was gevestigd op de grote depots, maar de totstandkoming daarvan is vertraagd, met als gevolg dat het onderhoud en de verdieping van vaarwegen achterwege blijven, met alle nadelen van dien voor de scheepvaart. Gekozen zal moeten worden voor een realistische aanpak. Men dient zich te realiseren dat de beperkte financiële mogelijkheden een goede aanpak in de weg staan. De heer Van den Berg verzocht de bewindsvrouwe daaraan prioriteit te geven bij de begrotingsvoorbereiding. Het bedrijfsleven staat klaar om projecten uit te voeren.

De heer Esselink (CDA) kwalificeerde de aanpak van de voorbereiding van de vierde nota Waterhuishouding als vernieuwend. Hoe wordt georganiseerd dat de uitgangsstellingen bij het schrijven van de nota afgestemd zijn op de uitgangsstellingen bij het schrijven van de vijfde nota Ruimtelijke ordening, het derde Nationaal milieubeleidsplan en het tweede Natuurbeleidsplan en bij de herziening van economische plannen? Dat bij de verschillende planfiguren in het verleden niet precies dezelfde uitgangsstellingen zijn gehanteerd, heeft tot problemen geleid. Veel van wat de minister wil organiseren voor het waterbeheer, zal in andere overheidssectoren tot actie moeten leiden. Vandaar dat dezelfde uitgangsstellingen noodzakelijk zijn.

Dat het beleid inzake diffuse verontreiniging trager van de grond komt dan was afgesproken, was al bekend. Ook de heer Esselink was beducht voor de vele verwijzingen naar de vierde nota Waterhuishouding, terwijl er toch tussentijds actie ondernomen zal moeten worden, wanneer het beleid zich niet in de gewenste richting ontwikkelt. In het actieprogramma van het NMP-2 bijvoorbeeld was het afgelopen najaar te lezen dat het plan van aanpak diffuse bronnen de Kamer rond 1 januari 1996 zou bereiken. Nu ligt er nog slechts een stuk voor ter voorbereiding van dat plan.

De gebiedsgerichte aanpak van diffuse bronnen biedt in veel gevallen mogelijkheden. Als de bron buiten zijn invloedssfeer ligt, wat vaak het geval is, zal de waterbeheerder weinig kunnen doen aan bronbestrijding. Wel kan hij in het kader van de gebiedsgerichte aanpak met anderen samenwerken. Moet de WVO niet worden voorzien van een ontsnappingsartikel voor gebiedsgerichte aanpak? Immers, een waterschap of provincie kan in het kader van een gebiedsgerichte aanpak voor problemen komen te staan bij vergunningverlening. Overstorten van gemeentelijke riolen en rioolzuiveringsinstallaties zouden als puntbronnen kunnen worden aangemerkt, wat betekent dat er vergunningen voor nodig zijn. Een overstort in een kwetsbaar watersysteem heeft hetzelfde effect als een ernstige diffuse lozing. Wat wordt aan actie ondernomen wat die overstorten betreft?

De heer Esselink sloot zich aan bij de opmerkingen van de heer Van den Berg over de noodzaak van uniforme regels voor de open teelt. Die algemene regels zullen er snel moeten komen ter ondervanging van het traject van vergunningverlening.

Hij meende zich te herinneren dat de Kamer nog een plan van aanpak moet krijgen over niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Al is het niet perfect, er is een traject voor landbouwbestrijdingsmiddelen, maar niet voor andere bestrijdingsmiddelen die door toedoen van medeoverheden bijvoorbeeld via onkruidbestrijding in oppervlaktewateren terechtkomen. Hij sloot zich aan bij de vragen van de heer Van den Berg over riolering in het buitengebied en vroeg om een overzicht waaruit blijkt hoeveel gemeenten inmiddels een rioleringsplan hebben. Overijssel legt de grens bij f 14 000 per aansluiting. Boven die grens wil de provincie tot zuivering ter plekke overgaan. Gelderland legt de grens bij f 20 000. Kan inzicht worden gegeven in wat de onderscheiden provincies ter zake doen? Hun handelwijze moet niet te veel uit elkaar lopen. Anders moet de rijksoverheid proberen hen tot harmonisatie te bewegen. Wat de keuze al of niet heffingen op diffuse bronnen betreft, moet er niet worden gewacht op de vierde nota Waterhuishouding. Een relatief lage heffing zou betekenen dat goed optreden zich niet vertaalt in wezenlijk gewin. Dat heeft dus geen zin. Voorkomen moet worden dat de burgers (bedrijven) niet meer begrijpen dat de heffing verband houdt met het milieu en denken dat het gaat om een algemeen belastingmiddel.

Ook de heer Esselink vroeg naar de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel sanering waterbodems. Bij de behandeling van het saneringshoofdstuk van de ontwerp-wet bodembescherming is serieus in de Kamer overwogen om daarin bij nota van wijziging het «wetsvoorstelletje» over watersanering op te nemen, omdat toen al bekend was wat men wilde. Het kabinet voerde argumenten aan om dat niet te doen. De toen genoemde termijn waarbinnen het wetsvoorstel wet zou zijn, is allang verstreken.

Hij sloot zich ook aan bij de vragen over de begrotingspost voor grootschalige depots en voor kleinschalige activiteiten die in rijkswateren moeten worden uitgevoerd. Is het niet zinnig dat iemand van buiten beoordeelt of het gebruik van Tiengemeten een goede oplossing is en inderdaad 100 mln. goedkoper is dan de gekozen oplossing? Het omslagpunt voor natte sanering ligt bij f 45 per ton en voor droge sanering in geval van lichte verontreiniging bij f 100 per ton en in geval van ernstige verontreiniging bij f 250 per ton. Waarom wordt voor natte sanering zo'n veel lager bedrag gehanteerd? Bij een hoger bedrag zou er veel meer worden gesaneerd en zou er veel meer nuttig her te gebruiken residu ter beschikking komen.

De heer Esselink was benieuwd naar de sanering van de Hollandse IJssel, een veelomvattend plan waarbij medeoverheden betrokken zijn en dat zich uitstrekt tot de landbodems en zelfs tot de inrichting van het hele Hollandse-IJsselgebied. Hij wilde weten hoe men integraal tot een complete aanpak komt en wanneer daarmee zal worden begonnen.

Wat de evaluatie betreft van de Wet op de waterhuishouding, maakte ook de heer Esselink een onderscheid tussen datgene wat al dan niet in een integrale wetswijziging moet worden vertaald en de, vaak bestuurlijke, aanbevelingen die op korte termijn tot anders handelen zouden kunnen leiden. Hij verzocht de minister hierop nader in te gaan, nadat de staatscommissie advies heeft uitgebracht.

De voortgangsrapportage Integraal waterbeheer is een helder stuk dat het ook de Kamer mogelijk maakt te volgen wat er op de verschillende deelterreinen gebeurt. Bij de bespreking van de vorige voortgangsrapportage zijn afspraken gemaakt over de bunkerolie. De heer Esselink was benieuwd of de Noordzee-oeverstaten op dat stuk iets kunnen doen, vooruitlopend op IMO-acties.

Wordt wat de verdroging betreft de 25%-reductiedoelstelling uit de motie-Lansink, ingediend bij het eerste NMP, nog reëel geacht en is er nog perspectief op een voortgaande reductie na 2000? Er is ook helderheid nodig over het doorgaan met de GEBEVE-regeling na 1998, omdat men nu moet plannen om er dan gebruik van te kunnen maken.

Een zuiveringschap heeft aangegeven dat het door koppeling met de gemeentelijke administratie technisch mogelijk is om onderscheid te maken tussen één-, twee- en meerpersoonshuishoudens. Zo dat echt goed mogelijk is, kan dan worden nagegaan of er naast de huidige twee tariefcategorieën (één- en meerpersoonshuishoudens) nog een derde categorie (tweepersoonshuishoudens) kan worden ingevoerd?

Antwoord van de regering

De minister stelde dat overal met enthousiasme en inzet wordt gewerkt aan het realiseren van integraal waterbeheer.

De eerste voortgangsrapportage over waterbeheer had vooral betrekking op de actiepunten uit de derde nota Waterhuishouding. Mede op aandrang van de Kamer zijn daarna, dus na 1991, alle volgende voortgangsrapportages over onderdelen van het waterbeheer gebundeld tot één jaarlijkse rapportage. Die rapportage is uitgegroeid tot een algemene rapportage over àlle aspecten van het waterbeheer, inclusief de Noordzee. Dat neemt niet weg dat er nog verbetering mogelijk is. Er wordt dit jaar naar gestreefd om een betere afstemming te bereiken tussen de voortgangsrapportage en de landelijke watersysteemrapportage, die voornamelijk handelt over de kwaliteit van het oppervlaktewater. Uiteindelijk zullen beide rapportages worden geïntegreerd. De voorbereiding van de voortgangsrapportage 1996 zal ter hand worden genomen door de commissie Integraal waterbeheer, waardoor de kwaliteit van de informatie nog beter zal worden. Naar verwachting zal de rapportage in november uitgebracht kunnen worden.

Dat de aanpak van diffuse bronnen van waterverontreiniging een weerbarstige materie is, houdt in dat echte resultaten enige tijd op zich zullen laten wachten. De minister was evenwel niet echt pessimistisch, omdat er al heel wat initiatieven zijn genomen. Het is belangrijk dat er op veel fronten tegelijk wordt gewerkt aan de bestrijding van de problemen. Er is internationaal overleg en nationaal wordt samen met alle andere overheden en diverse sectoren die belangrijke actoren zijn, zoals de landbouw, gewerkt aan een landelijk actieprogramma om alles te doen wat kan. Dat vergt een grote inspanning van alle partijen.

Jurisprudentie heeft geleerd dat het WVO-instrumentarium toegepast kan worden op open-teeltlandbouw. Waar het om ongeveer 100 000 bedrijven gaat, zal de hoofdlijn van het beleid in deze moeten zijn dat er algemene regels worden opgesteld, maar voor een aantal sectoren lijkt vergunningverlening het juiste instrument. Dat geldt in ieder geval voor de bollenteelt. Daarover zijn al afspraken gemaakt in het convenant. Het geldt ook voor de boomteelt waarvoor door de waterbeheerders al initiatieven zijn genomen. Het geldt misschien ook voor de witlofteelt en de fruitteelt. In de tussentijd is er feitelijk geen andere mogelijkheid dan de bestaande situatie passief te gedogen, omdat de grote aantallen het verlenen van vergunningen en actief gedogen fysiek onmogelijk maken. Dat betekent wel dat de rijksoverheid er haast mee heeft en zo snel mogelijk regelingen zal proberen te bereiken. Bij het opstellen van de algemene regels zal ook aandacht worden besteed aan spuit- en teeltvrije zones.

De minister zegde toe te zullen nagaan of er inderdaad voor een gebiedsgerichte aanpak een ontsnappingsclausule moet worden opgenomen in de WVO. Bij haar weten is er een afstemmingsconstructie gemaakt tussen de WVO en de Wet milieubeheer. Er zou wel een probleem kunnen ontstaan als de vergunningverlener een andere opvatting heeft dan de anderen die in het kader van een gebiedsgerichte aanpak samenwerken, maar het is de vraag of dat probleem zou kunnen worden opgelost met een ontsnappingsclausule.

De minister beaamde dat een gezamenlijke aanpak door Rijk en regio en in de regio noodzakelijk is. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft daarbij inderdaad een coördinerende rol. De rijksoverheid en de regionale overheden moeten samen de agenda bepalen. Getracht zal worden de wensen van de regio in het rijksbeleid te honoreren. De aanpak van diffuse bronnen vraagt van bedrijven soms ingrijpende maatregelen die lange uitvoeringstrajecten vergen. Waar nodig zal men daarvoor de tijd moeten krijgen, maar waar mogelijk zal moeten worden begonnen met maatregelen die al uitvoerbaar zijn.

Op zich is de riolering geen diffuse bron. Er wordt hard gewerkt aan de rioleringsplannen. Schriftelijk zal actuele informatie worden verstrekt over het aantal gemeenten met een rioleringsplan. Of men zo'n plan kan afronden, heeft ook iets te maken met de mogelijkheid om het uit te voeren en daarbij treden nogal wat complicaties op. Het gaat om een omvangrijke en kostbare operatie, ook voor de inwoners. Omdat zij de tarieven niet te snel kunnen laten stijgen, stellen sommige gemeenten ook voor om wat langer te doen over het aansluiten van nog niet-ontsloten percelen. Het is aan het ministerie van VROM om op spoed aan te dringen. En dat gebeurt ook. De provincies zien toe op de uitvoering van de plannen. Via de WVO-vergunning houdt ook de waterbeheerder de vinger aan de pols. Voor de afweging van de kosten en baten van het aansluiten in het buitengebied is de provincie verantwoordelijk. Er zijn nog delen van het buitengebied waarin riolering rendabel kan zijn, maar er zijn ook delen waarin dat niet het geval is.

De toelating van bestrijdingsmiddelen is gebaseerd op een aantal criteria, waaronder de schade voor het milieu. Daarom worden zeer schadelijke middelen bij herbeoordeling niet langer toegestaan. Daarnaast treft de sector maatregelen tot vermindering van de emissies tijdens het toepassen van bestrijdingsmiddelen. De waterbeheerders en Verkeer en Waterstaat nemen steeds meer het initiatief om in overleg met de sector te komen tot die maatregelen, enerzijds door mee te praten over het bestrijdingsmiddelenbeleid in het kader van de uitvoering van het meerjarenplan Gewasbescherming en anderzijds via het instrumentarium van de WVO. De bewindsvrouwe deelde mee dat de minister van VROM mede namens haar de Kamer voor de zomer zal informeren over de aanpak van niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. De aanpak van de onkruidbestrijding door gemeenten is overigens onderdeel van het meerjarenplan Gewasbescherming. Sinds de problemen in 1993 en 1994 met een onkruidbestrijdingsmiddel in de Maas is er een duidelijke kentering ter zake in het gemeentelijk beleid. De minister van Landbouw is de eindverantwoordelijke voor het beleid tot toelating van bestrijdingsmiddelen. Dat de toelating van schadelijke middelen soms wordt verlengd, is een gevolg van het ontbreken van alternatieven.

Bij interruptie werd opgemerkt dat de drinkwaterleidingbedrijven serieuze klachten op dit punt hebben en dat de minister van LNV er tot dusverre onvoldoende aan heeft gedaan. Vandaar dat er een dringend beroep op de bewindsvrouwe werd gedaan om met het oog op de waterkwaliteit aan te dringen op een strengere aanpak. De minister wees erop dat in het meerjarenplan Gewasbescherming ook doelstellingen voor het water zijn opgenomen. De Kamer kan ervan overtuigd zijn dat de stukken die zij van een minister ontvangt in het kabinet aan de orde zijn geweest en dus geïntegreerd zijn bekeken. Bij de oplossing van deze problemen gaat het uiteraard niet alleen om de waterkwaliteit.

De minister merkte op dat aanvullend nitraatbeleid op de zandgronden vooral belangrijk is voor het grondwater, maar ook zin heeft voor het oppervlaktewater. Dat aanvullende beleid is heel complex, omdat juist op de zandgronden veel veehouderijen gevestigd zijn die toch al zoveel maatregelen moeten nemen in het kader van het mest- en ammoniakbeleid. Zij kon helaas nog geen nadere mededelingen in deze doen. Waar het drinkwater in Nederland aan alle normen voldoet, is informatie op de waterrekening over het nitraatgehalte onnodig. Voor dit onderwerp is overigens de minister van VROM de eerstverantwoordelijke.

Er is geen sprake van dat de uitspraak van de Raad van State over het Hollands Diep een vertraging van twee jaar veroorzaakt. Er is door derden gekeken naar de locatie Tiengemeten. Tegen een depot daar bestaan zoveel bezwaren, onder meer van LNV, dat mag worden aangenomen dat het nooit op tijd zal kunnen worden gerealiseerd. Er zal zo snel mogelijk een oplossing moeten worden gezocht in het kader van de uitspraak van de Raad van State, maar dat is pas mogelijk als de complete informatie daarover beschikbaar is.

Het heeft wel lang geduurd, maar binnenkort zal de Kamer de reactie van de bewindsvrouwe en haar collega van VROM ontvangen op het verslag over de ontwerp-inbouwwet waterbodemsanering. Er wordt hard gewerkt aan het operationeel maken van zandscheiding als verwerkingstechniek en aan het ontwikkelen en operationeel maken van andere reinigings- en verwerkingstechnieken voor baggerspecie. In de vierde nota Waterhuishouding zullen op basis van een evaluatie van de voortgang de beleidslijnen voor de toekomst verder worden ingevuld. Het zal nog wel enige tijd duren voordat de Kamer de vierde nota ter afronding voorgelegd krijgt, maar de eerste grove schetsen van deze nota zullen al op vrij korte termijn beschikbaar komen. De minister zegde toe te zullen nagaan of de Kamer er dan over kan worden geïnformeerd. Zij beaamde dat de samenhang tussen de verschillende beleidsonderwerpen groot is. Om die reden wordt er dezer dagen een strategische conferentie gehouden van medewerkers van de vijf ministeries die zich met deze onderwerpen bezighouden. Het ministerie van VW heeft al heel wat ontwikkeld op het terrein van het waterbeheer.

Wat de doelstelling voor de verwerking van te verwijderen baggerspecie betreft, deelde de minister mee dat er proeven worden gedaan met een zandscheidingsinstallatie waarbij een deel van het aangeboden slib kan worden verwerkt. Het Programma ontwikkeling saneringsprocessen waterbodems zal volgend jaar worden afgerond. In dit programma wordt een aantal reinigings- en verwerkingstechnieken onderzocht op hun doelmatigheid. Naar verwachting zal er volgend jaar voldoende bekend zijn om te beslissen over de toepassing van verwerkingstechnieken die geavanceerder zijn dan zandscheiding. De definitieve besluitvorming zal worden neergelegd in de vierde nota. Het grote verschil in kosten bij het omslagpunt voor natte en droge sanering is een gevolg van het feit dat de gesaneerde droge bodem een toegevoegde waarde heeft doordat gemeenten en projectontwikkelaars die grond kunnen gebruiken. De toegevoegde waarde van natte sanering voor het in stand houden van scheepvaart is moeilijker in geld om te zetten.

Het beleidsstandpunt baggerspecie, waarin de 20% verwerkingsdoelstelling is opgenomen, wordt momenteel geëvalueerd. Binnenkort wordt de zandscheiding geoperationaliseerd. Of de doelstelling voor 2000 zal kunnen worden gehaald, zal waarschijnlijk pas rond de totstandkoming van de vierde nota bekend zijn. Vooralsnog zal er vooral moeten worden gestort, wat trouwens ook een belangrijk milieurendement oplevert. Zelfs als er veel meer verwerkingsmogelijkheden zijn ontwikkeld, dan nog zal het niet mogelijk zijn àlle verontreinigde baggerspecie te verwerken tot nuttige produkten. Daarvoor zijn de hoeveelheden te groot. Het VNG-rapport toont hoe groot het probleem is. In overleg met de VNG wordt nagegaan in welke gemeenten de problemen het grootst zijn. Als daarin inzicht bestaat, kan worden onderzocht hoe de problemen kunnen worden opgelost. Als rijkswateren worden gesaneerd, wordt waar mogelijk tegelijk daarvoor in aanmerking komend aangrenzend gemeentelijk water gesaneerd, zodat de kosten voor de gemeente lager kunnen zijn dan bij een afzonderlijke saneringsoperatie het geval zou zijn geweest. Over de baggerspecieproblemen van de artikel 12-gemeente Den Haag zal de Kamer nadere informatie bereiken via het antwoord op schriftelijke vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken.

De minister sprak de hoop uit dat het baggerspeciedepot in Gelderland conform de planning zal kunnen worden gerealiseerd. Voor de vergunningverlening en de planologische procedures is zij evenwel afhankelijk van andere overheden en burgers en daarbij is vertraging niet ondenkbaar. De stuurgroep inzake de Hollandse IJssel heeft een startcontract voorbereid, dat een uitwerking behelst van een in 1991 genomen principebesluit over de aanpak van het gebied. Er worden projecten in genoemd die in de periode 1996–1997 moeten worden uitgevoerd en projectdoelen en verantwoordelijkheden voor de langere termijn. Voor Rijkswaterstaat staat nu het noodzakelijke onderhoudsbaggerwerk van delen van de vaargeul op het programma. De benodigde financiën zijn ingepland. Vanaf 2000 komt de sanering van de waterbodem in verschillende fasen aan de orde, maar daarmee kan pas worden gestart als het depot Hollands Diep gereed is. Vandaar dat de minister de procedure voor het depot zo snel mogelijk wilde afronden. De voor de sanering benodigde financiën (naar schatting 100 mln.) moeten nog in het saneringsprogramma worden ingepast. Zolang er geen stortcapaciteit is, zijn er ruim voldoende middelen, maar de uitgetrokken gelden zullen als de sanering eenmaal echt op gang komt, absoluut onvoldoende blijken te zijn. Waar er geen fonds watersanering is, worden niet gebruikte voor de watersanering uitgetrokken gelden voor een ander doel aangewend. De financiering van de grootschalige depots is rond. Dat geldt ook voor een aantal kleinschalige depots. Bij de vierde nota zullen hierover langere-termijnafspraken worden gemaakt.

De evaluatie van de Wet op de waterhuishouding is niet van belang ontbloot. Een belangrijke vraag waaraan ook in de vierde nota aandacht zal worden gegeven is, of het huidige instrumentarium geschikt en toereikend is voor het voeren van integraal waterbeheer. De Unie van waterschappen heeft gereageerd op de belangrijkste aanbevelingen in het evaluatierapport. Met de Unie was de minister van mening dat een en ander op een aantal punten nog moet worden uitgewerkt. Het is dan ook te vroeg voor een definitief standpunt. Naar verwachting zal de staatscommissie voor de zomer advies uitbrengen. Wanneer op bepaalde punten besluitvorming mogelijk is voorafgaand aan de vierde nota, dan zal daartoe worden overgegaan. Dat geldt ook voor mogelijke aanpassingen van de wetgeving. Daarna zal de Kamer over de toekomstige gang van zaken worden geïnformeerd. De kanttekeningen ten aanzien van de planvorming zullen worden meegewogen als verdere integratie aan de orde is. De minister zei ook oog te hebben voor de nadelen van verdergaande integratie. De mogelijkheid wordt onderzocht tot modernisering van de WVO in relatie tot de Wet verontreiniging zeewater. In samenhang daarmee zal de nodige aandacht worden besteed aan de afstemming van de procedures. Voor zover zij daarop betrekking hebben, zullen de aanbevelingen worden betrokken bij de vierde nota Waterhuishouding. Zodra duidelijk is hoe aanbevelingen kunnen worden uitgevoerd, zal daartoe overgegaan worden.

In de Milieubalans 1995 wordt voorspeld dat de uitvoering van op stapel staande herstelprojecten zal leiden tot een reductie van de verdroging in 2000 van 3% tot 5%. Bij die schatting is maar ten dele rekening gehouden met versnelling van de bestrijding van de verdroging tengevolge van de totstandkoming van de provinciale plannen van aanpak en een voortvarender uitvoering van de GEBEVE-regeling. Aan het eind van het jaar zullen àlle provincies beschikken over een plan van aanpak. De reductie van het areaal verdroogde gebied zal naar 's ministers verwachting belangrijk groter kunnen zijn dan in de Milieubalans wordt aangegeven, maar een reductie met 25% lijkt niet haalbaar in 2000; wel een paar jaar later. Over de haalbaarheid van de 40%-doelstelling in 2010 kan nog geen uitspraak worden gedaan. Om zoveel mogelijk te bereiken, moeten de doelstellingen worden gehandhaafd en niet naar beneden worden bijgesteld, tenzij dat niet anders kan. Uiteraard is het vaststellen van een landelijke doelstelling voor het Rijk eenvoudiger dan de verwezenlijking ervan door provincies, waterschappen en waterleidingbedrijven gezamenlijk. De bestrijding van de verdroging wordt nu, zij het trager dan gewenst, door deze instanties opgepakt. Vele waterschappen zijn bezig met het ontwikkelen en uitvoeren van concrete projecten. De indruk bestaat dat op dit moment het bestuurlijke probleem het belangrijkste probleem is. In het kader van de vierde nota zal, afhankelijk van het resultaat van de evaluatie die momenteel door het RIZA wordt uitgevoerd, worden beoordeeld of er meer instrumenten nodig zijn om de doelstelling te bereiken en of er meer mogelijk is. Er komt steeds meer overeenstemming tussen de provincies over de onderscheiden definities. Doordat de provinciale plannen van aanpak later dan voorzien worden afgerond, zal ook de evaluatie later worden uitgevoerd dan in de voortgangsrapportage is vermeld. De evaluatieresultaten zullen worden opgenomen in de volgende voortgangsrapportage.

Sinds eind 1994 wordt door een interdepartementaal projectteam gewerkt aan de vierde nota Waterhuishouding. Daarbij wordt het zogenaamde open planproces gehanteerd, waarbij het projectteam via het systeem van hoor en wederhoor wil komen tot het opstellen van de nota die de basis moet vormen voor het waterhuishoudkundige beleid voor de komende eeuw. Door middel van het open planproces wordt een veel groter draagvlak gecreëerd dan in het verleden mogelijk was. In het begin kost dat meer tijd en investering, maar die worden aan het einde van het traject ruimschoots terugverdiend. Inderdaad bestaat bij veel gebruikers en beheerders van water de wens om de relatie tussen de beleidsterreinen water, milieu en ruimtelijke ordening te versterken. Samen met RPD en DGM worden wegen gezocht om dit te bereiken. Binnen het ministerie zijn de onderwerpen kustzonebeheer, beveiliging tegen overstroming, de aanpak van diffuse verontreiniging en de waterproblematiek aan de orde in het kader van de vierde nota. Om de discussie over het toekomstige beleid te stimuleren heeft het projectteam in oktober de notitie Ruimte voor water uitgebracht. Begin mei zal de discussie daarover worden afgesloten. De resultaten van de discussie zullen worden gepubliceerd. Een volgende discussieronde zal in het najaar starten en daarin zal in ruwe vorm de basis voor de vierde nota worden gelegd. De minister wilde nadenken over de mogelijkheid de Kamer in wat meer formele zin, bijvoorbeeld in de informatieve sfeer, bij het hele proces te betrekken zonder dat deze dan aan het eind niet meer de handen vrij zou hebben bij de beoordeling van de nota.

Bij de start van het project heeft het IPO deelname afgewezen. Wel nemen IPO-vertegenwoordigers deel aan de klankbordgroep en de bestuurlijke begeleidingscommissie. Voorts nemen provinciale ambtenaren deel aan de verschillende voorbereidende onderzoeken.

Bij de behandeling van het peilbesluit is rekening gehouden met het chloridegehalte van het Volkerak en het Zoommeer en de effecten daarvan op de landbouw. Er zijn inderdaad helaas enkele tegenvallers bij het onderhoud van de Oosterscheldekering. Er is niet zozeer scherp gecalculeerd als wel scherp ontworpen, waarbij niet is geprobeerd om elk mogelijk risico te vermijden. Bij het gebruik van een volledig nieuwe techniek in combinatie met een zo dynamische onderwaterbodem mag men ervan uitgaan te worden geconfronteerd met onverwachte dingen.

De Kustnota komt de komende week in de ROM aan de orde en daarna in het kabinet, waarna de nota aan de Kamer zal worden toegezonden. Voor de korte termijn is er geen sprake van een financieel probleem. Wel zal voor de periode na 2000 rekening moeten worden gehouden met een toename van de kosten van kustonderhoud als gevolg van de zeespiegelstijging en versteiling van de kust.

Hoewel de samenwerking tussen de betreffende instituten al sterk is, zijn de ministers van OCW, van EZ en van VW zeer geporteerd voor de vorming van een topinstituut waterbouw, waarin de specialistische krachten op het gebied van onderzoek, onderwijs en bedrijfsleven zullen worden gebundeld, ook om de Nederlandse exportpositie op het gebied van de waterbouw verder te versterken. Rijkswaterstaat is er zeer actief bij betrokken. Nederland wordt in de wereld gezien als hèt land van de waterbouw en moet die positie zien te handhaven.

Voor nadere informatie betreffende het internationale overleg over waterbeheersing verwees de minister naar de notitie van de hoogwaterwerkgroep van de Internationale Rijncommissie. In deze onlangs aan de Kamer aangeboden notitie staat hoe complex het probleem is en dat slechts geleidelijk het vasthouden van water in het stroomgebied kan worden verbeterd. Met de Maascommissie wordt nagedacht over de wijze waarop dit vorm kan worden gegeven.

Het wetsontwerp tot instelling van een exclusieve economische zone is door de Raad van State beoordeeld en ligt nu, een ontwerp-rijkswet zijnde, ter beoordeling voor bij Aruba en de Nederlandse Antillen. Het wetsontwerp zal door de minister van Binnenlandse Zaken worden ingediend, aldus de bewindsvrouwe.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP), Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Van Rooy (CDA), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), Duivesteijn (PvdA), H. G. J. Kamp (VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA).

Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Jeekel (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Terpstra (CDA), Huys (PvdA), Korthals (VVD), Esselink (CDA), Hillen (CDA), H. Vos (PvdA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Boogaard (groep-Nijpels), Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van der Linden (CDA).

Naar boven