21 250
Derde Nota Waterhuishouding

nr. 37
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

's-Gravenhage, 16 januari 1996

In het nota-overleg van 20 maart 1995 (21 250, nr. 35) heb ik bij de behandeling van de Evaluatienota Water in de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat toegezegd de Tweede Kamer nader te informeren over diffuse bronnen van waterverontreiniging. Met deze brief en de bijgevoegde Notitie diffuse bronnen van waterverontreiniging1 wil ik u informeren over de doelgroepen die de (diffuse) verontreiniging van het Nederlandse oppervlaktewater veroorzaken, de beperkingen bij de aanpak van diffuse bronnen van waterverontreiniging en de activiteiten die momenteel worden ondernomen om diffuse bronnen aan te pakken. Mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bericht ik u hierover het volgende.

De aanpak van diffuse bronnen kan alleen succesvol zijn, indien alle overheden, het Rijk, de provincies, waterkwaliteitsbeheerders, en gemeenten, gezamenlijk optrekken.

Ook om deze reden is de bijgevoegde notitie gezamenlijk met provincies en waterschappen voorbereid en is afgesproken dat de notitie tegelijkertijd met aanbieding aan de Tweede Kamer tevens aan de besturen van provincies en waterschappen zal worden aangeboden.

Vanaf de zeventiger jaren hebben de industrie en waterkwaliteitsbeheerders grote inspanningen gedaan om de lozingen van bedrijven en stedelijk afvalwater te saneren.

De emissies uit deze puntbronnen zijn inmiddels vergaand teruggebracht. De aanpak van diffuse bronnen van waterverontreiniging is hierbij achtergebleven, waardoor de laatste jaren de verbetering van de waterkwaliteit stagneert. Dit geldt met name voor nutriënten, zware metalen, bestrijdingsmiddelen en polycyclisch aromatische koolwaterstoffen (PAK). Het wordt duidelijk dat voor deze stoffen de emissiereductiedoelstellingen en grenswaarden voor oppervlaktewater niet gehaald worden. De noodzaak om maatregelen te nemen ter vermindering van de diffuse verontreiniging wordt daardoor steeds groter. Net als bij de aanpak van de lozingen van puntbronnen vormt bij diffuse bronnen het voorkomen van emissies (preventie) het eerste uitgangspunt.

Echter, bij de aanpak van diffuse bronnen is realisme op zijn plaats over de termijn waarop waterkwaliteitsdoelstellingen gehaald kunnen worden. Dat betekent kansen benutten waar mogelijk, maar ook rekening houden met langere uitvoeringstrajecten voor diffuse bronnen, indien de maatregelen nog niet voor handen zijn of tot onacceptabel hoge maatschappelijke kosten leiden.

Naast enkele succesvolle maatregelen, zoals de overschakeling op loodvrije benzine en fosfaatvrije wasmiddelen, zijn de afgelopen jaren veel initiatieven in gang gezet die lange uitvoeringstrajecten vergen. Sommige maatregelen, bijvoorbeeld het geleidelijk aanpassen of vervangen van corrosie-gevoelige bouwmaterialen of het beperken van de uitspoeling van meststoffen, zullen daarom niet op korte termijn in een verbetering van de waterkwaliteit resulteren. Dergelijke maatregelen dienen wel in uitvoering genomen te worden om met het voorkomen van emissies (preventie) duurzame ontwikkeling in gang te zetten. In de vierde nota Waterhuishouding zal in beeld gebracht worden welke maatregelen mogelijk zijn en tot welke verbetering van de waterkwaliteit dit kan leiden. De aanpak van een aantal belangrijke diffuse bronnen is echter nog in de fase van verkennen van oplossingsrichtingen. Alternatieven voor schadelijke produkten, materialen en werkwijzen worden onderzocht op verschillende aspecten, zoals het voorkomen van emissies naar andere milieucompartimenten, energieverbruik, grondstoffenbeheer en kosten.

Voor de eerdergenoemde vier stofgroepen geldt in zijn algemeenheid, dat er voor bestrijdingsmiddelen en PAK maatregelen mogelijk zijn om op korte termijn een substantiële verbetering van de waterkwaliteit te realiseren. Voor een aantal zware metalen en voor nutriënten lijkt dat vooralsnog niet mogelijk. De emissies van zware metalen en nutriënten gaan slechts langzaam omlaag, waardoor de ophoping van verontreiniging in de waterbodem en slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties blijft doorgaan. Zoals reeds aangekondigd in de Evaluatienota water en het Beleidsstandpunt verwijdering baggerspecie, zullen de consequenties hiervan voor het waterbodembeleid (aanpak van de verspreiding van klasse II-baggerspecie) aan de orde komen in de Vierde nota waterhuishouding.

Mede door recente jurisprudentie over de reikwijdte van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gebruiken waterkwaliteitsbeheerders de laatste jaren de Wet verontreiniging oppervlaktewateren meer en meer bij de aanpak van diffuse bronnen. Voorbeelden hiervan zijn de vergunningverlening voor het toepassen van verduurzaamd hout in de waterbouw, het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw en de vergunningverlening voor activiteiten op percelen in de bloembollenteelt. Andere instrumenten, zoals voorlichting, bestuursovereenkomsten of algemene regels, worden eveneens door waterkwaliteitsbeheerders voor de aanpak van diffuse bronnen ingezet. De mogelijkheid van heffingen op diffuse bronnen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewater wordt momenteel onderzocht in het kader van de Vierde nota waterhuishouding. Bij de financiering van het waterbeheer in deze nota zal hierop worden terug gekomen.

De afgelopen jaren is een generieke aanpak voor diffuse bronnen vorm gegeven in onder meer het Meerjarenplan Gewasbescherming, Beleidsstandpunt PAK en Derde fase mest- en ammoniakbeleid. Daarnaast zijn het Beleidsstandpunt zware metalen, Milieubeleidsplan Scheepvaart II en Meerjarenplan Hygiëne en Materiaalbescherming in voorbereiding. Een generieke aanpak alleen is zeker niet voldoende om waterkwaliteitsdoelstellingen in alle oppervlaktewateren te halen. Ondanks de grote aantallen uniforme diffuse bronnen is in veel gevallen, net als bij de aanpak van de industrie, maatwerk nodig. Prioriteiten kunnen per regio anders worden gesteld. Aanvullend gebiedsgericht beleid kan daarom noodzakelijk zijn.

De komende tijd zal samen met de andere overheden een gezamenlijk Actieprogramma diffuse bronnen worden opgesteld. Dit Actieprogramma diffuse bronnen bundelt reeds lopende initiatieven, waaronder het plan van aanpak terugdringen diffuse belasting waterbodem uit het Nationaal milieubeleidsplan 2 (actiepunt AO10) en de actieprogramma's «Samenwerking op maat» van het Interprovinciaal Overleg, «Werken aan Kwaliteit» van de Unie van Waterschappen en «Kaderplan gemeentelijk milieubeleid» van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. In het samenwerkingsverband GIDS (gezamenlijk initiatief diffuse stofstromen) zijn hiertoe reeds de eerste stappen gezet. Het Actieprogramma diffuse bronnen zal een nieuwe impuls moeten geven aan het (doen) nemen van maatregelen ter vermindering van diffuse verontreiniging. Daarbij gaat het vooral om het signaleren en aanpakken van de «witte vlekken»: diffuse bronnen waarvoor in de generieke óf gebiedsgerichte aanpak nog onvoldoende perspectiefvolle initiatieven zijn genomen. Juist een complementaire generieke aanpak en aanvullende gebiedsgerichte aanpak kan ecologisch herstel van kansrijke of kwetsbare wateren versnellen. In het Actieprogramma diffuse bronnen zal vooral aan de vier belangrijkste doelgroepen aandacht besteed worden, te weten: landbouw, bouw(materialen), (scheepvaart)verkeer en huishoudens. Huishoudens zijn ook van belang, omdat via de vraag naar alternatieve produkten, materialen en werkwijzen de diffuse verontreiniging verminderd kan worden.

In de Notitie Diffuse bronnen van waterverontreiniging wordt meer uitgebreid ingegaan op de oorzaken van diffuse verontreiniging. Tevens is een rapport over de gezamenlijke aanpak van het samenwerkingsverband GIDS bijgesloten.1 Ik hoop u hiermee op dit moment voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven