21 250
Derde Nota Waterhuishouding

nr. 36
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 september 1995

Op 22 maart 1995 heb ik met de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat van uw Kamer overleg gevoerd over de Evaluatienota Water (Tweede Kamer, 1994–1995, 21 250 enz., nr. 35). In genoemd overleg is onder meer gesproken over de problematiek van de mogelijke schade aan de landbouw door projecten die er op zijn gericht de verdroging van gebieden met een natuurfunctie terug te dringen. Ik heb daarbij melding gemaakt van een lopend onderzoek naar de bestuurlijk-juridische aspecten van de schadeproblematiek. Daarbij heb ik toegezegd de Kamer nader te zullen informeren zodra er door rijk, provincies en waterschappen is vastgelegd hoe met deze problematiek zal worden omgegaan.

Als inlossing van deze toezegging kan ik u mede namens mijn ambtgenoten van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het volgende meedelen:

Het bedoelde onderzoek is in april 1994 afgerond. Naar aanleiding van het door KPMG-Milieu uitgevoerde onderzoek heeft een briefwisseling plaatsgevonden tussen het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een afschrift van de twee brieven voeg ik hierbij1 .

Kort samengevat is door middel van deze briefwisseling vastgelegd dat:

– bij de begrenzing van kern- en natuurontwikkelingsgebieden rekening zal worden gehouden met de hydrologische situatie opdat schade-situaties zoveel mogelijk worden voorkomen;

– bij de ontwikkeling van gebiedsgerichte herstelprojecten in eerste instantie zal worden getracht potentieel voorzienbare schade te voorkomen en/of te compenseren door het treffen van technische voorzieningen in het kader van betreffende projecten;

– onevenredige schade in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt, waarbij bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening gehouden zal moeten worden met vergoedingen die de betreffende agrariër voor dit type schade eventueel ontvangt in het kader van andere vergoedingsregelingen;

– bij de beoordeling van voorstellen voor herstelprojecten zal moeten worden nagegaan of de kosten voor de schadevergoeding in redelijke verhouding staan tot de overige projectkosten en het te verwachten natuurrendement;

– de gekapitaliseerde voorzienbare schade bij herstelprojecten kan worden beschouwd als projectkosten. De op deze wijze berekende schadekosten komen voor subsidiëring in het kader van de Regeling gebiedsgerichte bestrijding van verdroging (GEBEVE-regeling) in aanmerking;

– bij de nadere uitwerking van een aantal uitvoeringsaspecten de werkgroep Grondwater en Verdroging van de Commissie Integraal Waterbeheer/CUWVO zal worden ingeschakeld;

– in het kader van de vierde Nota waterhuishouding een beslissing zal worden genomen over een mogelijke voortzetting van de GEBEVE-regeling (in één of andere vorm), waarbij ook rekening zal worden gehouden met de problematiek van de schadevergoeding.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven