nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 25 mei 1998
Naar aanleiding van vragen van de leden Witteveen-Hevinga en Rehwinkel
inzake de aardbeving van 19 februari 1997 in Noordoost-Nederland heb ik toegezegd
dat ik de TK nader zou berichten over een bijstelling in de prognose van de
maximaal te verwachten magnitude van de aardbevingen in Noord-Nederland (Handelingen
TK, vergaderjaar 1996–1997, Aanhangsel 1059). In deze brief ga ik nader
op die toezegging in.
Het KNMI heeft na de beving van 19 februari 1997 een onderzoek ingesteld
naar de seismische risico's in Noord-Nederland. Het technische rapport is
in februari 1998 gereed gekomen, en zend ik met deze brief mee1 . Daarnaast heb ik TNO Bouw opdracht gegeven om een studie uit te
voeren naar de relatie tussen schade aan gebouwen en lichte, ondiepe aardbevingen
in Nederland. Ook dat onderzoek is inmiddels afgerond en vanwege de samenhang
tussen beide onderwerpen stuur ik u een samenvatting van dat rapport als bijlage
bij deze brief1. De onderzoeksresultaten en de conclusies die ik
daaruit trek geef ik hieronder samengevat weer:
Het KNMI rapport
Het KNMI heeft alle geregistreerde aardbevingen die in verband kunnen
worden gebracht met de gaswinning in Noord-Nederland aan een analyse onderworpen.
Het gaat om in totaal 125 bevingen in de periode 1986 tot 19 februari 1997,
toen de tot nu toe zwaarste beving werd geregistreerd bij Roswinkel. Het merendeel
van deze 125 bevingen (105) is overigens zeer licht en is niet gevoeld door
de bevolking. Het aantal aardbevingen in deze serie boven 3,0 op de schaal
van Richter is slechts drie. Een van de redenen om nog eens kritisch naar
de prognose van maximaal te verwachten magnitude te kijken is het gegeven
dat in een eerdere studie van het KNMI (1993) een prognose was gegeven van
maximaal 3,4 op de schaal van Richter. Deze prognose was gebaseerd op de eerste
24 waargenomen bevingen vanaf 1986.
Op basis van de huidige inzichten en waarnemingen komt het KNMI tot de
conclusie dat de beste schatting voor de maximale magnitude een waarde is
van 3,8 op de schaal van Richter.
Naast de magnitude is van minstens zo veel belang de intensiteit van de
beving. De intensiteit geeft aan, in een twaalfdelige schaal, in welke mate
een aardschok wordt gevoeld, of waaruit de schade aan gebouwen bestaat. In
de nieuwste berekeningen van het KNMI komt de maximale intensiteit uit op
VI-VII (6,5) op de twaalfdelige European Macroseismic Scale (EMS). Ondanks
het feit dat de maximale magnitude nu groter is geschat, blijft de maximale
intensiteit vrijwel gelijk aan eerdere schattingen. Dit komt doordat de intensiteits-magnitude
relatie iets vlakker is ten opzichte van voorgaande berekeningen.
Het TNO Bouw onderzoek
Het blijkt in de praktijk erg moeilijk om in algemene zin een causaal
verband aan te wijzen tussen schade aan gebouwen en lichte, ondiepe aardbevingen
zoals die in Noord-Nederland voorkomen. Daarnaast is het de vraag of de thans
bestaande praktijkrichtlijn (zoals vastgelegd in de SBR Richtlijn 1 van 1993)
ter voorkoming van schade aan bouwwerken door trillingen toepasbaar is voor
de situatie in Noord-Nederland. Om meer inzicht te krijgen in deze vragen
heb ik TNO Bouw opdracht gegeven om hier onderzoek naar te doen. De TNO Bouw
onderzoekers konden beschikken over de gegevens en registraties van de versnellingsmeters
van het KNMI. Het is voor het eerst dat met deze registraties in het kader
van aardbevingen specifiek bouwtechnisch onderzoek is gedaan. Dit onderzoek
heeft geresulteerd in een eindrapport waarvan de samenvatting is bijgevoegd.
Ten aanzien van de eerste onderzoeksvraag heeft het TNO onderzoek vastgesteld
dat bij aardbevingen tot een intensiteit IV er geen verhoogde kans op schade
is door die aardbevingen. Dit sluit goed aan bij de procedure die is afgesproken
tussen de NAM en de provincies Groningen en Drenthe. In die procedure is vastgelegd
dat particulieren die menen schade te hebben als gevolg van een geregistreerde
aardbeving daarvoor een claim bij de exploitant kunnen indienen als het gaat
om een aardbeving met een intensiteit IV of meer.
Ten aanzien van de praktijkrichtlijn voor het beoordelen van trillingseffecten
als gevolg van aardbevingen concludeert TNO Bouw dat deze goed toepasbaar
zijn op de effecten van lichte, ondiepe aardbevingen in Noord-Nederland. Bovendien
is met deze praktijkrichtlijn een kwantificering van de kans op bouwkundige
schade mogelijk.
Conclusies/overwegingen
Gezien de resultaten van het KNMI onderzoek met daarbij gevoegd de bevindingen
van TNO Bouw kom ik tot de volgende conclusie:
Ondanks het gegeven dat de prognose van de maximale magnitude van aardbevingen
die veroorzaakt worden door de gaswinning naar boven is bijgesteld blijft
de te verwachten maximale intensiteit praktisch hetzelfde. Dat betekent dat
de verwachting ten aanzien van de schade aan gebouwen nauwelijks is gewijzigd;
de mogelijke schade zal beperkt blijven.
Daarnaast merk ik nog het volgende op:
– Ik ga op korte termijn een breed samengestelde en onafhankelijke
commissie in het leven roepen. De taak van die commissie is om adviezen te
verstrekken op het terrein van bodembewegingen en aardschokken. Deze commissie
krijgt een basis in de nieuwe Mijnbouwwet. Het voorstel voor een Mijnbouwwet
zal waarschijnlijk medio dit jaar bij de Kamer worden ingediend.
– Het is gebleken dat er bij de bevolking ter plaatse veel behoefte
bestaat aan informatie over de gaswinning en de gevolgen daarvan. Bovengenoemde
commissie krijgt onder meer tot taak om informatie te verstrekken. Daarnaast
heb ik het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen – TNO
(NITG-TNO) gevraagd om een telefonisch informatiepunt in te richten in Noord-Nederland.
Ten slotte is er de intentie om een tentoonstelling in te richten die gewijd
is aan zowel de positieve als de negatieve gevolgen van delfstofwinning.
– Het is uitdrukkelijk de bedoeling om verder te gaan met kennisopbouw
inzake de oorzaken en de gevolgen van bodembewegingen en aardbevingen. Op
mijn verzoek wordt er thans door de betrokken instituten en diensten, zoals
het NITG-TNO, KNMI en Staatstoezicht op de Mijnen, aan deze kennisopbouw gewerkt.
Ten slotte merk ik op dat schadeclaims die zijn ingediend na de beving
van 19 februari 1997 conform de afgesproken procedure zijn behandeld door
de NAM.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers