20 454
Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen

nr. 98
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 januari 2010

1. Inleiding

Met deze brief wil ik u graag informeren over de ontwikkelingen op het terrein van verzetsdeelnemers, oorlogsgetroffenen en herinnering Tweede Wereldoorlog. De uitgangspunten van mijn beleid zijn, zoals ik u eerder in mijn voortgangs-apportages heb gemeld: toekomstbestendigheid en continuïteit. Het aantal mensen dat de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt wordt steeds kleiner. Mijn doelstelling is de groep die er nog is te blijven bedienen, op basis van het stelsel dat ontworpen is vanuit de beginselen ereschuld en bijzondere solidariteit. Een tweede doelstelling is het verhaal over de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog door te geven aan nieuwe generaties, zodat het betekenis houdt, ook wanneer er straks geen ooggetuigen meer zijn die dit verhaal uit eigen ervaring kunnen vertellen.

In deze brief informeer ik u eerst over de maatregelen die ik sinds het algemeen overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op 12 november 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454, nr. 95) genomen heb met betrekking tot het wettelijke stelsel voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Vervolgens schets ik u nog enkele actuele discussies binnen dit stelsel. Tot slot van deze brief geef ik u een overzicht van de ontwikkelingen op het terrein van herinnering.

Een belangrijk onderwerp bij de actuele discussies is de «Gerichte benadering», waarbij in de afgelopen jaren potentiële gerechtigden gericht op naam zijn benaderd om hen te wijzen op de (on)mogelijkheden van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Onlangs heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een uitspraak gedaan die gevolgen kan hebben voor de financiële resultaten van dit project. Deze uitspraak gaat over de preciese ingangsdatum van de financiële aanspraak. Clienten hebben op basis van hun aanvraagdatum een toekenning voor financiële aanspraak gekregen, de CRvB wijst erop dat de datum van erkenning in dit geval de startdatum van het project zou moeten zijn.

Momenteel bestudeer ik de gevolgen van deze uitspraak. Ik zal u daarover op korte termijn separaat nader informeren.

2. De wijzigingen van het uitvoeringsbestel: de stand van zaken in het project overdracht van taken PUR-SVB

In de afgelopen jaren heb ik u, mede namens mijn ambstgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), diverse malen geïnformeerd over de relevante ontwikkelingen op het beleidsterrein verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.

Daarin is steeds naar voren gekomen dat nadere maatregelen nodig zijn om in de komende jaren een reële inhoud te kunnen blijven geven aan de principiële grondslagen van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen: ereschuld en bijzondere solidariteit.

Om continuïteit van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen te garanderen is, in overleg met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), besloten om het cliëntenbeheer per 1 januari 2011 in zijn geheel wettelijk over te hevelen van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het is daarbij van groot belang voor de doelgroepen deze overgang met zorg te begeleiden en tot stand te laten komen. Met grote zorgvuldigheid wordt thans gewerkt aan de overgang. Zo is er uitvoerig overleg geweest met de belangenorganisaties en is mede naar aanleiding van opmerkingen van deze belangenorganisaties gezocht naar oplossingen waar alle betrokken partijen mee uit de voeten kunnen.

Stand van zaken overdrachtsproject

Sinds het algemeen overleg van 12 november 2008 heeft dit project veel vooruitgang geboekt. Inmiddels is de volgende tussenstand bereikt:

• Een wetsvoorstel over de organisatie van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, dat de instemming heeft van de PUR-doelgroepen vertegenwoordigd in de Klankbordgroep. Dit wetsvoorstel wordt u binnenkort aangeboden.

• Een principe-akkoord met de vakbonden over een sociaal plan voor de overgang van PUR-personeel naar de SVB.

• Een organisatie- en formatierapport over de nieuwe SVB-afdeling voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en over de ondersteuning vanuit SVB-diensten voor de taakuitvoering van deze SVB-afdeling.

• Afspraken tussen SVB en VWS over een meerjarig financieel kader voor de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.

• Afspraken tussen PUR en SVB over de overdracht van ICT-systemen inclusief de aanpak van een Due-dilligence onderzoek als acceptatietest, te starten in januari 2010.

• Afspraken over de toekomstige rol van de buitenlandse posten bij de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Daarbij is in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken besloten om, conform de wens van de cliëntenraad van de PUR in Israël, de verplaatsing van het Nederlands Informatiekantoor van Jeruzalem naar de Nederlandse ambassade in Tel Aviv niet eerder dan begin 2013 te realiseren.

De uitvoering van bovenstaande punten en de resultaten tot nu toe worden hierna verder toegelicht.

Strekking wetsvoorstel

In mijn brief van 17 juni 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454, nr. 90) heb ik u gemeld dat de organisatie van de wetsuitvoering vanaf 2011, zoals die mij voor ogen staat, de volgende kenmerken zal hebben:

• Alle nieuwe eerste aanvragen worden beslist door de PUR «nieuwe stijl». De PUR zal in de toekomst de facto bestaan uit een college dat de rechtsopvolger is van de huidige PUR.

• Vervolgaanvragen worden vanaf 2011 afgehandeld door (dan voormalige) PUR-medewerkers, in dienst van de SVB. Bij de beslissingen over deze vervolgaanvragen is de SVB evenwel gebonden aan het door de PUR geformuleerde beleidskader. In het beleidskader zijn de regels ten aanzien van de toepassing van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen gedetailleerd beschreven. Ook nu al is het beleid van de raadskamers van de PUR in beleidsboeken uitgewerkt. Voor de gevallen waarin het beleidskader niet voorziet (naar schatting in maximaal 5% van de gevallen) zal wettelijk worden geregeld dat de SVB gehouden is advies te vragen aan de PUR.

• De noodzakelijke onderlinge afstemming tussen de PUR en de SVB over de door deze organisaties te nemen besluiten krijgt de vorm van een gestructureerd uitvoeringsoverleg.

• Alle voorbereidende en uitvoerende taken in het kader van zowel de nieuwe eerste aanvragen als van de vervolgaanvragen van bestaande cliënten, worden ondergebracht bij de SVB. Het betreft globaal alle werkzaamheden die nu door «het bureau» van de PUR worden uitgevoerd.

• De wetsuitvoering door de SVB zal voldoen aan dezelfde hoge standaarden op het terrein van cliëntgerichtheid, toegankelijkheid en communicatie als nu worden gehanteerd door de PUR-organisatie.

• De verantwoordelijke bewindspersoon van VWS houdt rechtstreeks toezicht op de wetsuitvoering door PUR en SVB. Bijzonder aandachtpunt zal daarbij de (wijze van) afstemming tussen beide uitvoeringsorganisaties zijn.

Op dit moment is op basis van de Wet op de PUR de PUR het zelfstandige bestuursorgaan dat is belast met de toepassing en de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. In het wetsvoorstel dat deze principes uitwerkt (Wuvo, Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen) wordt de overdracht van taken van de PUR naar de SVB geregeld volgens de afspraken die ik hierover met uw Kamer in het algemeen overleg op 12 november 2008 heb gemaakt en vervolgens in goed overleg met PUR en SVB én met vertegenwoordigers van de PUR-doelgroepen nader heb uitgewerkt. De Raad van State heeft recent advies uitgebracht over het wetsvoorstel, dat binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden.

Afstemming wetsvoorstel met de doelgroepen

In de voorbereiding van de voorstellen rondom de overdracht van taken van de PUR naar de SVB heb ik in gesprekken met belangenorganisaties en met de cliëntenraad van de PUR gemerkt dat men vooral zorgen heeft over de toekomstige kwaliteit van de zorg en de cliëntgerichtheid in de nieuwe situatie.

Om deze verontrusting weg te nemen vindt het proces van overgang van taken van de PUR naar de SVB plaats in nauwe samenspraak met de belangenorganisaties en de PUR-cliëntenraad. Daartoe is een Klankbordgroep geformeerd, met vertegenwoordigers vanuit de cliëntenraad van de PUR, belangengroepen en organisaties van verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit binnen- en buitenland. Hiermee is verzekerd dat bij de uitwerking van dit proces de doelgroepen van dit project zeer nauw zijn betrokken. Van vitaal belang is daarbij de functie van de Klankbordgroep. In deze Klankbordgroep wordt uitvoerig gesproken over de stappen in dit proces. Uiteraard is ook over de (contouren van) het wetsvoorstel Wuvo intensief overleg gevoerd.

De belangrijkste thema’s die in de Klankbordgroep aan de orde zijn geweest:

• Kwaliteitsborging

  De Klankbordgroep heeft aangegeven groot belang te hechten aan een vorm van kwaliteitsborging. De zorgplicht voor de kwaliteit van de dienstverlening wordt in het wetsvoorstel Wuvo geregeld in het verlengde van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De SVB is verplicht zich over de invulling van de zorgplicht in het jaarverslag te verantwoorden. Daarnaast zal in een nader op te stellen ministeriële regeling een aantal kwaliteitsindicatoren worden opgenomen op basis waarvan de SVB periodiek bepaalde informatie aan VWS dient aan te leveren (bijvoorbeeld behandeltermijnen en het aantal door cliënten ingediende klachten en bezwaarschriften). Het hanteren van kwaliteitssystemen en de verantwoording over de toepassing daarvan zijn de belangrijkste waarborgen in de kwaliteit van dienstverlening. In goed overleg met de Klankbordgroep zal worden bezien in hoeverre voor de afdeling verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen kan worden aangesloten bij de bestaande SVB-kwaliteitssystemen. Hetzelfde geldt voor aansluiting bij de periodieke SVB-klant-tevredenheidsonderzoeken.

• Functie van externe audits

  Door de Klankbordgroep is aangegeven dat externe audits als toezichtinstrument belangrijk kunnen zijn, bijvoorbeeld om de samenwerking tussen de PUR en de SVB te onderzoeken of om de kwaliteit van de dienstverlening te bewaken. Vastgesteld is dat het instrument «audit», in het kader van de verantwoording van de middelen op de begroting van het Ministerie van VWS, behoort tot de instrumenten die door de minister van VWS kunnen worden ingezet in het kader van het toezicht op de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Bij de beantwoording van Tweede Kamervragen in het kader van de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van VWS voor het jaar 2009 (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 XVI, nr. 23) is al gesteld dat VWS, bijvoorbeeld via een periodieke audit, toezicht zal kunnen houden op de wijze waarop de PUR en de SVB de noodzakelijke afstemming in de praktijk vormgeven. De intensiteit van het toezicht wordt wel afgestemd op de mate waarin en de wijze waarop de organisaties laten zien dat adequate uitvoering is gewaarborgd; «gerechtvaardigd vertrouwen» speelt hierbij een belangrijke rol. Externe audits zijn pas aan de orde als de kwaliteit van dienstverlening niet voldoende is.

• Handhaving procedures bezwaarschriften en klachten

  De Klankbordgroep hecht er waarde aan dat in het wetsvoorstel expliciet wordt aangegeven dat de bezwaarschriften van cliënten door ex-PUR-medewerkers zullen worden behandeld.

  Om die reden heb ik in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel benadrukt dat de taken die overgaan van de PUR naar de SVB zullen worden verricht door SVB-werknemers die deze taken vóór de overdracht in dienst van de PUR verrichtten. Hierdoor wordt een extra waarborg gegeven voor het behoud van de bij de huidige PUR aanwezige kennis en betrokkenheid en het hoge niveau van dienstverlening. In dit kader zijn de PUR en de SVB overeengekomen dat de bestaande praktijk rondom bezwaar en beroep in organisatorisch opzicht na de overdracht van taken niet zal wijzigen. Daarnaast is het van belang dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de klachtenprocedures voor cliënten nu al zijn geregeld en dus ongewijzigd blijven.

• Bestuurlijke verhoudingen VWS, SZW, SVB en PUR

  In de Klankbordgroep zijn vragen aan de orde geweest over de bestuurlijke verhoudingen tussen de betrokken ministeries en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) SVB en PUR, met name over eventueel ingrijpen bij taakverwaarlozing bij de SVB en de «eigen beleidsruimte» van de SVB bij het beslissen op vervolgaanvragen. De vragen betreffende de beleidsruimte van de SVB zijn uiteraard ingegeven door het grote vertrouwen dat men heeft in de huidige PUR-raadskamers en omdat men de huidige uitvoering bij de PUR gewend is en deze uitvoeringspraktijk graag voortgezet wil hebben.

  Ten aanzien van de taakverwaarlozingsregeling is mijn reactie geweest dat het een beslissing van het kabinet is om vanuit haar politieke verantwoordelijkheid de uitvoering van de vervolgaanvragen met betrekking tot de zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen bij de SVB te beleggen. Het Rijk opereert als eenheid en in dat kader zal de minister van SZW in het geval van ernstige taakverwaarlozing, – al dan niet op voordracht van VWS – vanuit de verantwoordelijkheid voor het zelfstandige bestuursorgaan SVB en als medeondertekenaar van de wet Wuvo op bestuurlijk niveau ingrijpen. Overigens gaat het hierbij nadrukkelijk om een «ultimum remedium» om in te grijpen. Met deze uitleg kan de Klankbordgroep zich in deze uitwerking vinden, met uitzondering van het Indisch Platform. Hierop zal op pagina 6 nader worden in gegaan.

  Met de Klankbordgroep is ook uitvoerig gesproken over de balans tussen PUR-beleidsregels en de SVB-uitvoering daarvan. De PUR is belast met het beslissen over de toelating tot de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Tevens krijgt de PUR de bevoegdheid om beleidsregels op te stellen voor de door de SVB te nemen beschikkingen op aanvragen van cliënten die al een financiële aanspraak hebben op grond van één van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Door het continueren van het door de PUR opstellen van beleidsregels voor deze vervolgaanvragen, wordt de lijn voortgezet, waarin het beleid voor beslissingen betreffende individuele gerechtigden wordt vastgesteld door personen die bekend zijn met de problematiek van de doelgroep en die affiniteit met deze doelgroep hebben. Indien de beleidsregels in een concreet geval voor de SVB niet toepasbaar zijn, wordt de SVB wettelijk verplicht om de PUR advies te vragen. Als uitgangspunt hierbij geldt dat het advies van de PUR leidend is voor de SVB. Wanneer de SVB een besluit neemt dat afwijkt van het advies van de PUR, moet dit op grond van de Awb gebeuren onder vermelding van de reden van afwijking in de motivering. Ook wordt de SVB verplicht de PUR (en de Minister van VWS) hiervan op de hoogte te stellen.

  Sluitstuk van de verhouding tussen PUR-SVB is dat op basis van de bevoegdheid van de PUR tot het stellen van beleidsregels het ook mogelijk is, dat de PUR naar aanleiding van een SVB-verzoek om een advies over een vervolgaanvraag, als antwoord hierop voor vergelijkbare gevallen een aanvullende beleidsregel formuleert.

  De Klankbordgroep heeft aangegeven het een probleem te vinden dat er geen duidelijke juridische mogelijkheid is voor de PUR om actie te ondernemen tegen een besluit van de SVB waarbij wordt afgeweken van het advies van de PUR. Men had daarom graag gezien dat er in het wetsvoorstel een bepaling zou worden opgenomen waarin wordt geregeld dat de PUR belanghebbende is bij besluiten van de SVB. Hierdoor zou het voor de PUR mogelijk zijn bezwaar te maken tegen het besluit van de SVB waarbij van het PUR-advies is afgeweken.

  Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven. Bij besluiten van de SVB heeft de PUR geen belang, het gaat om het belang van de aanvrager. Indien de aanvrager het niet eens is met het door de SVB afwijken van het advies van de PUR, heeft hij op basis van de Awb zelf de rechtsmiddelen bezwaar en beroep in handen om de beslissing van de SVB aan te vechten. De administratieve rechter (in casu de Centrale Raad van Beroep) kan de beslissing van de SVB uitstekend toetsen omdat, zoals hiervoor gesteld, de SVB het afwijken van het advies van de PUR grondig moet motiveren. Ook in dit geval kan de PUR als reactie een nieuwe beleidsregel opstellen of een bestaande beleidsregel aanpassen, waardoor de SVB voortaan conform deze regel moet beslissen.

  In de voorbereidingsfase van het wetsvoorstel heeft de PUR bovendien nadrukkelijk aangegeven er absoluut geen prijs op te stellen als belanghebbende in bovenstaande zin bij besluiten van de SVB te worden aangemerkt.

• Herkenbaarheid merknaam PUR in communicatie SVB

  De Klankbordgroep hecht er aan dat in de communicatie met de cliënten wordt verwezen naar het feit dat de SVB zijn beslissingen neemt op basis van de beleidsregels van de PUR. Dit zal permanent als gegeven worden opgenomen in de correspondentie ter zake. De Klankbordgroep heeft bovendien aangegeven te hechten aan het feit dat de «merknaam» PUR waar mogelijk tijdelijk wordt verwerkt in de correspondentie van de SVB met de cliënten van de PUR. VWS en de SVB hebben met beide punten ingestemd.

• Behoud cliëntenraad

  De Klankbordgroep heeft gevraagd om behoud van een aparte cliëntenraad. Conform afspraak zal – wettelijk verankerd – een aparte cliëntenraad bij de SVB voor het domein verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden ingesteld.

Resultaten afstemming over wetsvoorstel met Klankbordgroep

De leden van de Klankbordgroep zijn tevreden over de gang van zaken en de toezeggingen naar aanleiding van geuite zorgen en gevoeligheden.

De leden van de cliëntenraad van de PUR hebben expliciet aangegeven dat, alhoewel zij voorstander zijn van een andere organisatievorm – dit is uiteengezet in mijn brief aan de cliëntenraad van 4 november 2008 die in afschrift aan u is verzonden (kenmerk, OHW-U-2889759) –, men toch met het voorgestelde wetsvoorstel kan leven.

De leden van de cliëntenraad van de PUR hebben hun waardering uitgesproken over de wijze waarop VWS met deze, voor de cliënten zo gevoelige materie, omgaat. Dit hebben zij ook te kennen gegeven in het oktober nummer van «Aanspraak», een magazine voor de cliënten van de PUR (zie bijlage 1).1

Het Indisch Platform heeft aangegeven nog een probleem te zien in geval van ernstige taakverwaarlozing door de SVB. Volgens het Indisch Platform is er een risico dat de minister van SZW voorbij kan gaan aan klachten van de minister van VWS over ernstige taakverwaarlozing. Indien zich die situatie voordoet, wil het Indisch Platform de instelling van een interdepartementale onderzoekscommissie. Deze suggestie heb ik bij de afronding van het wetsvoorstel niet overgenomen. Met de Wuvo, die mede door de minister van SZW wordt ondertekend, wordt door het kabinet de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen herijkt. Bij eventuele problemen in de uitvoering zullen de bewindspersonen van VWS en SZW in goed onderling overleg het kabinetsbeleid vorm geven, waarbij de Wuvo een toereikend kader biedt. Mocht daarbij een interdepartementaal onderzoek nodig zijn, dan kan dit en behoeft dat geen specifieke wettelijke basis.

Overgang van personeel en inrichting nieuwe organisatie bij de SVB

Met de vakbonden en met de ondernemingsraden van PUR en SVB is uitvoerig overleg gevoerd over de gevolgen van de overdracht van het cliëntenbeheer van de PUR naar de SVB per 1 januari 2011 voor het personeel. Tegelijkertijd is er in de aanloop naar de overdracht sprake van een forse reductie van personeel bij de PUR door:

• Effecten van de wet vereenvoudiging van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen van 20 november 2008 met veel minder administratieve lasten voor cliënten en minder werk voor de PUR;

• Afronding van de projecten voor Gerichte en Brede Benadering, waardoor het aantal eerste aanvragen naar verwachting op korte termijn fors zal dalen;

• Introductie bij de PUR van nieuwe ICT-systemen (digitale post en dergelijke);

• Minder cliënten door de demografische ontwikkeling.

Het gevolg van deze ontwikkelingen is een forse daling van het aantal benodigde FTE’s. Deze daling zou ook zonder de overgang van het cliëntbeheer van de PUR naar de SVB plaats hebben gevonden. De PUR heeft aangegeven dat zij, in geval van zelfstandig doorgaan, circa 100 FTE’s in 2011 nodig zal hebben. Dit betekent een forse daling ten opzichte van 2008 (circa 240 FTE’s). Juist het feit dat de krimp zich in die mate voordoet onderstreept de noodzaak om PUR-taken tijdig in de grotere SVB-organisatie onder te brengen.

In mei en juni 2009 is een aanzienlijke versnelling bereikt bij de besluitvorming over de inrichting van de SVB-organisatie na de overdracht van PUR-taken en over de personele gevolgen.

Het overleg van PUR en SVB met de vakbonden heeft geleid tot principe-overeenstemming over flankerend sociaal beleid en over de rechtspositionele gevolgen voor het PUR-personeel dat overgaat naar een SVB-dienstverband.

Het overleg met de ondernemingsraden van PUR en SVB zal naar verwachting geen belemmeringen opleveren voor de implementatie van de overdracht per 1 januari 2011.

Overdracht van ICT-systemen van de PUR.

Om de continuïteit van de dienstverlening te kunnen garanderen is besloten dat de ICT-ondersteuning van de PUR mee gaat naar de SVB. De PUR is momenteel bezig met een vrijwel integrale vernieuwing van de ICT-systemen, onder andere in verband met de vereenvoudiging van de wetsuitvoering. Op verzoek van VWS heeft de PUR in het voorjaar van 2009 een risicoanalyse laten uitvoeren op grond waarvan de PUR-leiding VWS en SVB heeft medegedeeld, dat de aanpassing van het systeem in verband met de vereenvoudiging van de wetsuitvoering voor 2010 wordt ingevoerd. Per december 2009 is het nieuwe systeem van kracht.

Met de SVB is afgesproken dat deze systemen door de SVB worden overgenomen nadat zij in het kader van de overdracht begin 2010 een Due Diligence-onderzoek als acceptatietest heeft uitgevoerd.

Financiële meerjarenafspraken VWS-SVB

Met de SVB-leiding is door VWS in juni en juli 2009 uitvoerig gesproken over een financieel meerjarenkader. Daarbij zijn meerjarige financiële afspraken gemaakt over de bekostigingssystematiek van de taken in het kader van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. De uitwerking van deze meerjarenafspraken en de indicatoren voor het monitoren van de door de SVB te leveren prestaties worden opgenomen in een op basis van de Wuvo op te stellen ministeriële regeling.

Kwartiermaken als volgende stap in de overgang

Met de resultaten tot dusverre kan worden vastgesteld dat er sinds het begin van dit project in november 2008 veel werk is verzet en dat het overdrachtsproject inmiddels is beland aan het einde van de «huiswerk-fase». In het najaar van 2009 is begonnen met de kwartiermakersfase. Dat betekent minder regie vanuit VWS en een grotere rol voor de beide uitvoeringspartners.

Met deze nieuwe fase in het PUR-SVB-project is het karakter van dit overdrachtsproces veranderd. In de huiswerkfase is het creëren van de condities die voor deze operatie nodig zijn (wetgeving, sociaal beleid voor het personeel, overleg en advies, inrichting van de nieuwe organisatie, ICT, financiële gevolgen etcetera), en die intensieve samenwerking tussen de betrokken ministeries en de beide ZBO’s heeft gevergd, bepalend geweest. In het najaar van 2009 is de nadruk in dit proces verschoven naar operationele vragen bij de SVB en bij de PUR, die minder directe bemoeienis vanuit VWS (en SZW) vragen. Het zwaartepunt rondom deze vragen is nu met name bij de SVB komen te liggen.

De SVB heeft besloten de rol van de SVB-kwartiermaker in te vullen op het niveau van de Raad van Bestuur. De SVB geeft – samen met de PUR – in een migratieplan invulling aan operationele vragen bij de overgang van personeel, ICT en dergelijke.

Er is begonnen met de voorbereiding van de inrichting van een «nieuwe PUR», wat mede gelet op de betrokkenheid vanuit de organisaties van verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, een bestuurlijk-sensitief proces is.

Inmiddels heb ik de voorzitter van het College van Raadskamers van de PUR bereid gevonden op te treden als kwartiermaker voor de nieuwe PUR, in het bijzonder voor de te benoemen leden van de PUR per 1 januari 2011. De kwartiermaker is tevens de beoogde voorzitter van de PUR per 1 januari 2011. In oktober heeft deze kwartiermaker een plan van aanpak opgesteld waarmee ik heb ingestemd.

3. Afhandeling rechtsherstel: stand van zaken

Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR)

Met mijn brief van 22 oktober 2008 heb ik u geïnformeerd over de plannen gericht op de voortgang van de inrichting van een landelijk steunpunt voor Sinti en Roma. Ook in de brief van het kabinet van 29 juni 2009 (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 XVIII, nr. 90), gericht op de aanpak van de problematiek van – specifiek – Roma van de groep die in 1978 werd genaturaliseerd, is aandacht besteed aan het steunpunt.

SRSR nadert het einde van zijn bestaan als ZBO dat zich bezig houdt met het besteden van de middelen die in het kader van het naoorlogs rechtsherstel beschikbaar zijn gesteld voor de Sinti en Roma in Nederland.

De stichting heeft de afgelopen jaren veel initiatieven ontplooid gericht op het verbeteren van de maatschappelijke positie van de Sinti en Roma in Nederland. De stichting richtte zich daarbij specifiek op de doelgroep Sinti en Roma – en hun familie – die de Tweede Wereldoorlog in Nederland mee hebben gemaakt. De ervaring heeft geleerd dat met name een samenhangende aanpak zijn vruchten kan afwerpen. In overleg met mijn ministerie, en met draagvlak bij andere ministeries, gemeenten, maatschappelijke organisaties en Sinti en Roma zelf, is de conclusie getrokken dat aandacht voor verbetering van de maatschappelijke positie een lange adem vereist en dus een meer structurele aanpak in de vorm van een centraal steunpunt. Dit steunpunt zal op 1 januari 2010 formeel van start gaan onder de naam Nederlands Instituut Sinti en Roma (NISR).

SRSR zal uiterlijk op 1 januari 2013 zijn opgeheven, waarbij de taken in de komende periode uitsluitend nog gekoppeld zullen zijn aan de financiële relatie met het NISR, inclusief een evaluatie van het functioneren van het NISR in de eerste twee jaren na de oprichting. Zo is, in combinatie met het toezicht door de Raad van Advies van het NISR zelf, toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen verzekerd.

In de brief van 29 juni 2009 is tevens melding gemaakt van activiteiten die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de komende jaren zal ontplooien.

Die activiteiten zijn met name gericht op het, in bestuurlijke zin, ondersteunen en informeren van de Roma-gemeenten op het terrein van handhaving. De focus van het NISR ligt bij het bieden van perspectieven voor Sinti en Roma. Het NISR zal vanzelfsprekend goede contacten onderhouden met de VNG, evenals met alle andere organisaties die, met respect voor eigen identiteit voor de Sinti en Roma, een rol kunnen spelen bij de verbetering van de maatschappelijke positie van alle legaal in Nederland verblijvende Sinti en Roma.

Stichting Afwikkeling Het Gebaar

Per 1 januari 2009 is de Stichting Afwikkeling Het Gebaar (SAGE) in het leven geroepen als rechtsopvolger van Stichting Het Gebaar. Doel van SAGE is de afrekening van lopende projecten, de overdracht van dossiers aan het Nationaal Archief en de behandeling van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Op 1 oktober 2009 is SAGE ontbonden. Naar verwachting zijn de (vereffenings) werkzaamheden op 1 januari 2010 afgerond.

Breed historisch onderzoek; rapportages Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

Naar aanleiding van uw verzoek heb ik op 28 oktober 2009 opnieuw gesproken met een afvaardiging van het Indisch Platform over de rapportages van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) die in 2005 en 2006 zijn uitgebracht in het kader van het breed historisch onderzoek1. Ik heb met het Indisch Platform afgesproken dat ik nog eens exact zal nagaan voor welke doeleinden Stichting Het Gebaar destijds is ingesteld. Tevens zal ik de resultaten hiervan inbrengen in het kabinet, omdat de instelling van de stichting en de uitvoering van het breed historisch onderzoek in 2000 en 2001 een kabinetsbrede aangelegenheid is geweest. Separaat zal ik u op de hoogte brengen van de conclusies van het kabinet.

4. Rupiah-grondslag in de Wet uitkeringen en vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Met mijn brief van 27 februari 2008, (kenmerk OHW-CB-U-2830702), informeerde ik u over het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) van 16 augustus 2007 en het daarop gebaseerde beleidsadvies naar aanleiding van een klacht van een in Indonesië wonende gerechtigde ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv). De klacht betreft de uitzonderingsbepaling in de Wuv voor het berekenen van de hoogte van de uitkering, waarbij niet het Nederlandse levenspeil maar het levenspeil in Indonesië het uitgangspunt is, de zogenoemde «rupiah-grondslag». In mijn brief van 22 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 92) schreef ik u dat ik – vanwege de complexiteit van het onderwerp – deskundigen heb ingeschakeld om onderzoek te doen naar de gevolgen van alternatieve berekeningswijzen.

De uitkomsten van die onderzoeken zijn van dien aard dat ik de CGB onlangs heb laten weten dat ik geen uitvoering zal kunnen geven aan de door hen aangedragen alternatieven voor de rupiah-grondslag.

Achtergrond

De Wuv-uitkering wordt normaliter berekend op basis van een zogenoemde «euro-grondslag». Slachtoffers kunnen ook in aanmerking komen voor een uitkering als de vervolging heeft plaatsgevonden in het voormalig Nederlands-Indië en men de uitkering in Indonesië aanvraagt. In dat geval geldt als uitgangspunt voor de berekening van de uitkering het aldaar uitgeoefende beroep of bedrijf en daarmee in feite het levenspeil in Indonesië – de kern van het gewraakte artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Wuv. De CGB is van oordeel dat er met dat artikel sprake is van een verboden (indirect) onderscheid op grond van ras. Het aantal gerechtigden in Indonesië van niet-Nederlandse afkomst is groter dan het aantal gerechtigden in Indonesië van Nederlandse afkomst en bovendien is de rupiah-uitkering in Indonesië lager dan die in euro’s, terwijl in andere «ontwikkelingslanden» (in totaliteit enkele tientallen gerechtigden) wettelijk een eurogrondslag wordt gehanteerd.

Nader onderzoek

Om een weloverwogen besluit te kunnen nemen in deze kwestie, heb ik onderzoek laten verrichten naar de door de CBG gesuggereerde alternatieven voor de huidige regeling:

– het schrappen van de gewraakte bepaling sec;

– het invoeren van een geheel nieuw berekensysteem voor de buitengewone pensioenen en uitkeringen waarbij in alle gevallen het levenspeil in het woonland op het moment van uitkering wordt gehanteerd.

Aan beide oplossingsrichtingen blijken dusdanig grote bezwaren te kleven dat het niet mogelijk is om daar zonder meer uitvoering aan te geven. Dat geldt evenzeer voor de door de onderzoekers ontwikkelde varianten op deze twee hoofdrichtingen. Het zonder meer «schrappen» van het gewraakte artikel heeft tot gevolg dat de circa 790 uitkeringsgerechtigden in Indonesië een uitkering gaan ontvangen die is afgeleid van het levenspeil in Nederland. De uitkering wordt daarmee buitenproportioneel hoog in vergelijking tot het algemene levenspeil in Indonesië. De rupiah-grondslag ligt nu al hoger dan het inkomen van het overgrote deel van de inwoners van Indonesië. Ten aanzien van de toepassing van het door de CGB aangedragen tweede alternatief concludeert de PUR, in een door mij gevraagde uitvoeringstoets, dat deze route uitvoeringstechnisch buitengewoon complex of zelfs nagenoeg onuitvoerbaar is.

Deze consequenties zijn in tegenspraak met de kern van mijn beleid op dit terrein. Ten eerste heb ik in de afgelopen jaren een grondige vereenvoudiging van de wetsuitvoering tot stand gebracht in verband met de intussen hoge gemiddelde leeftijd van de gerechtigden en de hoge administratieve lastendruk voor cliënt en uitvoeringsorganisatie (de «vereenvoudigingswet» is per 1 januari 2009 in werking getreden). Voorts wijs ik u op de permanente druk vanuit doelgroep en belangenbehartigers voor een soepeler wetstoepassing als reactie op de steeds grotere uitvoeringsproblematiek. Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben deze druk steeds gepareerd met het argument dat dit een grote rechtsongelijkheid zou creëren ten opzichte van hen die al eerder een uitkering of pensioen aanvroegen.

De onderzoekers zijn ook de effecten nagegaan van een «pragmatisch» alternatief, waarbij de rupiah-grondslag (extra) wordt verhoogd, met behoud van het gewraakte artikel. Ook dit alternatief doet de (ook volgens de CBG «legitieme») doelstelling van de Wuv geweld aan: de uitkering is in de Indonesische verhoudingen nu al zodanig hoog dat Wuv-gerechtigden tot de groep met de hoogste inkomens in Indonesië behoren.

De berekende additionele programma-uitgaven verschillen uiteraard per alternatief. Het schrappen van het gewraakte artikel veroorzaakt extra kosten ter hoogte van circa € 10 miljoen structureel per jaar en daarnaast incidenteel circa € 60 miljoen «inhaaleffect’ vanwege de door de CGB aanbevolen terugwerkende kracht tot 1 april 2004. Het alternatief van de CGB waarbij in alle landen het levenspeil een rol gaat spelen bij de hoogte van de uitkering geeft structurele meeruitgaven van circa € 4 miljoen per jaar en een incidentele post van € 30 miljoen voor terugwerkende kracht. De meerkosten van het «pragmatische» alternatief is vanzelfsprekend afhankelijk van het gekozen verhogingspercentage.

Nadere juridische toets

Tevens heb ik nader advies ingewonnen over bepaalde juridische elementen uit het oordeel van de CGB. Geconcludeerd wordt dat op een aantal cruciale onderdelen van het CGB-oordeel andere redeneringen zeker mogelijk zijn.

Conclusie

Alles afwegende heb ik besloten om de Wuv niet aan te passen en ook geen extra verhoging van de rupiah-grondslag door te voeren.

5. Internationaal beleid Tweede Wereldoorlog

Nederlands voorzitterschap Task Force for International Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research (ITF)

Sinds 1999 is er internationaal steeds meer aandacht voor de herinnering aan de Holocaust. Dit heeft te maken met de nieuwe manier waarop staten in Middenen Oost-Europa naar hun eigen geschiedenis kijken, het beschikbaar komen van informatie uit archieven die tot begin jaren negentig gesloten waren en de afhandeling van de internationale rechtsherstelbewegingen uit de jaren negentig. Eind jaren negentig heeft dit geleid tot de Conferentie van Washington en de Declaratie van Stockholm. In deze declaratie geven staten, die zich hieraan conformeren, aan dat zij zich zullen inspannen om de geschiedenis van de «Holocaust door te vertellen aan nieuwe generaties en zich zullen inspannen om anti-semitisme te voorkomen». Nederland behoorde tot de ondertekenaars van de Declaratie van Stockholm. Om deze idealen vorm te geven en een platform te bieden voor samenwerking en ondersteuning is in 2000 de ITF opgericht. Dit in eerste instantie losse platform is in de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot een organisatie met 27 aangesloten landen, waaronder de Verenigde Staten, Canada, Argentinië, Israël en vele Europese landen.

De organisatie is nauw verbonden met de Verenigde Naties, Raad van Europa, Europese Unie en de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De ITF wordt geleid door een wisselend voorzitterschap van een van de lidstaten en heeft een permanent secretariaat gevestigd in Berlijn.

Nederland heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om deze organisatie steeds meer profiel te geven. Dit heeft ertoe geleid dat Nederland door andere lidstaten is gevraagd om in 2011 het voorzitterschap van de ITF op zich te nemen.

Op basis van dit verzoek heb ik, samen met de Minister van Buitenlandse Zaken, Nederland kandidaat gesteld en de ITF heeft die kandidatuur ingewilligd. Samen met mijn collega van Buitenlandse Zaken zal ik het voorzitterschap van de ITF in 2011 op mij nemen. Het voorzitterschap is een grote politieke en tevens eervolle verantwoordelijkheid, die het nodige van de overheid vraagt. Tegelijkertijd is het voor Nederland een uitstekende kans om te laten zien welke activiteiten in Nederland worden ontwikkeld (het programma Erfgoed van de Oorlog en het stelsel voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen zijn uniek in de wereld), en anderzijds geeft het ook een enorme impuls aan de herinnering en daaraan gerelateerde activiteiten in Nederland.

Internationaal beleid

Het blijft mijn beleid om initiatieven te ondersteunen die erop gericht zijn aandacht te besteden aan het lot van in het buitenland omgekomen Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vervolgd, gevangen werden gehouden en gedwongen te werk werden gesteld. In 2008 heb ik met een Memorandum of Understanding beloofd om, in samenwerking met Polen, Israël en Slowakije, te werken aan een herinrichting van het voormalig vernietigingskamp Sobibor in Polen. In april 2009 heb ik een bezoek gebracht aan Polen en heb daar de voormalige Duitse nationaalsocialistische vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor bezocht. Tevens heb ik met mijn Poolse ambtsgenoot gesproken over de plannen ten aanzien van het maken van een volwaardige plek van herinnering in Sobibor.

Na Auschwitz is Sobibor de plaats waar de meeste uit Nederland afkomstige joden de dood vonden. Voor bezoekers is er, in vergelijking met Auschwitz, in Sobibor weinig informatie over wat hier gebeurd is. Het uitgangspunt bij de herinrichting van Sobibor is het behoud van Sobibor als plaats van herinnering en als begraafplaats. Zo wordt getracht een waardige plek voor herdenking en herinnering voor nabestaanden en belangstellenden te behouden. Daarnaast krijgt Sobibor een museum en wordt het terrein geconserveerd. Een expertgroep met deskundigen uit voornoemde landen bekijkt de wensen en mogelijkheden waarbij voor de Nederlandse experts het behoud van de atmosfeer op deze bijzondere plek en de mogelijkheid tot herdenken van de Nederlandse slachtoffers inzet is. De slachtoffers van de partnerlanden zijn naamloos vermoord. De Nederlandse namen zijn bekend. In de tijd dat er plannen gemaakt worden, ondersteun ik flankerende projecten zoals het ondersteunen van de getuigenissen die afgelegd worden in het kader van het proces tegen Ivan Demjanjuk. In alle activiteiten met betrekking tot Sobibor heb ik overleg gevoerd met de Stichting Sobibor.

6. Nationaal Comité 4 en 5 mei

De kerntaak van het Nationaal Comité is het vormgeven van de Nationale Herdenking. Ook na 65 jaar is de manier waarop wij herdenken een onderwerp dat veel emoties losmaakt in de samenleving, getuige de recente discussies rondom de mogelijke aanwezigheid van de Duitse ambassadeur op 4 mei.

Ik ben met het Nationaal Comité aan het verkennen welke betekenis herdenken in de toekomst kan hebben, en op welke manier hier invulling aan kan worden gegeven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle gevoelens die ten aanzien van dit onderwerp leven in de samenleving. Het Nationaal Comité is zich hier zeer van bewust en herijkt dan ook periodiek haar beleid ten aanzien van herdenken.

In mijn brief aan uw Kamer van 22 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 92) ben ik nader ingegaan op de gevolgen van het wegvallen van de eerste generatie verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen voor mijn beleid op het terrein van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog.

Die ontwikkeling vraagt om een fundamentele heroriëntatie op de wijze waarop met name de jongere generaties kunnen worden betrokken bij «het verhaal» over de Tweede Wereldoorlog.

De einduitkomst van die heroriëntatie is nu nog niet precies te voorspellen. Het lijkt mij onontkoombaar dat de al langer zichtbare trend om de oorlogs-gebeurtenissen nadrukkelijk te verbinden met de actualiteit, de komende tijd alleen maar sterker zal worden. Ik ben ervan overtuigd dat alleen langs deze weg kan worden voorkomen dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog louter geschiedenis worden.

Deze inhoudelijke heroriëntatie op de manier waarop met name in het voorlichtingsbeleid wordt omgegaan met de Tweede Wereldoorlog, loopt parallel aan de bezinning bij de rijksoverheid op haar kerntaken. Dit leidt tot minder bemoeienis met de directe uitvoering van het beleid en meer sturing op hoofdlijnen met nadruk op de te bereiken maatschappelijke doelstellingen en resultaten. Bij uitstek het omgaan met de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en de inspiratie die daaruit geput kan worden bij de benadering van hedendaagse vraagstukken op het terrein van rechtstaat, democratie, oorlog, geweld, discriminatie, etcetera, vragen naar mijn mening om een hechte verankering in maatschappelijke organisaties.

Ik heb u in mijn brief van 22 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 92) aangegeven dat ik het Nationaal Comité 4 en 5 mei (het Comité) beschouw als de aangewezen organisatie om bij een aantal uitvoeringstaken – waaronder het projectenbeleid voorlichting Tweede Wereldoorlog – het voortouw van mijn ministerie over te nemen. Het Comité zal zich zo verder kunnen profileren als hét kennispunt op het brede terrein van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Mijn ministerie krijgt in deze opzet vooral de rol toebedeeld van toezichthouder en opdrachtgever, die de algemene beleidsdoelstellingen bewaakt. Als streefdatum voor de overdracht van taken naar het Comité heb ik 1 januari 2011 genoemd.

Wellicht ten overvloede merk ik hierbij graag nog het volgende op. De voorgenomen verschuiving van taken betekent op geen enkele manier dat de betrokkenheid van het kabinet bij onderwerpen die verband houden met de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog door de overdracht minder zal worden. De ereschuld tegenover de verzetsdeelnemers en bijzondere solidariteit met de oorlogsgetroffenen uit die periode – dé kernbegrippen op dit beleidsterrein – blijven de hoekstenen van mijn beleid, ook als degenen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt er niet meer zullen zijn.

Een succesvol voorzitterschap van de ITF vraagt in de komende periode om een intensieve samenwerking tussen alle betrokkenen op het terrein van de Tweede Wereldoorlog. Voor de geplande overdracht van taken naar het Comité onderstreept dit het grote belang van een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering van deze operatie.

7. Erfgoed van de Oorlog

In 2007 startte ik het tijdelijke programma Erfgoed van de Oorlog met als doel waardevol erfgoedmateriaal en getuigenissen uit en over de Tweede Wereldoorlog te behouden, beter toegankelijk te maken en te presenteren voor een breed publiek. Met mijn brief van 22 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 92) rapporteerde ik u over de stand van zaken rond dit programma.

De laatste subsidieronde

Inmiddels is de vierde en laatste subsidieronde afgerond. Er was in de vierde ronde onvoldoende geld beschikbaar om alle ingediende projectaanvragen te kunnen honoreren; 160 aanvragen voor een totaalbedrag van € 10,5 miljoen. Ook in de eerste drie rondes was het aantal aanvragen vele malen groter dan het beschikbare budget. De ingediende aanvragen waren bovendien van een kwalitatief hoog niveau. De mogelijkheid bestond om het subsidieplafond zodanig te verhogen dat alle projecten gehonoreerd konden worden die in belangrijke mate aan de doelstellingen van het programma bijdragen. Hierbij werd uiteraard voortdurend getoetst op de cultureel-historische waarde van het onderhavige erfgoedmateriaal, op de mate waarin nieuw vast te leggen getuigenverhalen belangrijke en ook onderbelichte thema’s betroffen en op de wijze waarop dergelijk materiaal voor een groter publiek gepresenteerd zal worden. In de laatste subsidieronde bood het totale programmabudget echter geen ruimte meer om het subsidieplafond te verhogen, terwijl juist in die ronde de kwaliteit van veel projectaanvragen hoog was. Ik heb dan ook moeten vaststellen, mede op basis van opmerkingen van de Raad van Advies van het programma Erfgoed van de Oorlog (Raad van Advies), dat bij een ongewijzigd programmabudget een onevenredig deel van de projectaanvragen moest worden afgewezen op zuiver formele gronden (het bereiken van het subsidieplafond), terwijl deze wel in alle facetten voldeden aan de vereisten en doelstellingen van het erfgoedprogramma. Dat heeft mij ertoe bewogen het totale programmabudget uit mijn eigen begroting met € 2 miljoen te verhogen, zodat ook in de laatste subsidieronde met dezelfde maatstaven kon worden gemeten als in de voorgaande rondes. Daarbij is besloten conform de in mijn brief van 22 oktober 2008 aangegeven prioritering. Dit betekent concreet dat projecten gericht op behoud van kwetsbaar materiaal en op oral history een eerste prioriteit hebben gekregen. Alle projecten die hierop gericht waren en aan de formele vereisten voldeden zijn gehonoreerd. Dat geldt ook voor de tweede prioriteit, de projecten die gericht waren op het verbeteren van de toegankelijkheid van erfgoedmateriaal. Derde prioriteit kregen de projectvoorstellen die gericht waren op het realiseren van een publieksgerichte toepassing.

Hierbij moet gedacht worden aan websites, documentaires en andere mediale toepassingen waarin erfgoedmateriaal centraal staat, maar zodanig van context wordt, voorzien dat hiermee de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog op begrijpelijke en laagdrempelige wijze aan een breed publiek wordt overgebracht. Alleen in dit laatste segment van de projectaanvragen konden niet alle projecten die formeel gezien aan de gestelde criteria voldeden, gehonoreerd worden. Voor deze categorie projectaanvragen is dan ook additioneel beoordeeld in welke mate (meer of minder) het resultaat ervan zou bijdragen aan de verwezenlijking van de geformuleerde doelstellingen van het erfgoedprogramma.

Resultaten van het programma Erfgoed van de Oorlog

In totaal zijn voor de vier subsidierondes 463 projectvoorstellen ingediend voor een totaalbedrag van ruim € 35 miljoen. Daarvan werden er 191 toegekend, waarvan er 103 binnen de subsidielijn behoud en toegankelijkheid vallen. Binnen de subsidielijn oral history werden 48 projecten gehonoreerd, resulterend in een collectie van 490 nieuwe interviews met «de eerste generatie». In de programmalijn «publieksgerichte toepassingen» zijn in totaal 40 projecten gesubsidieerd. Daarnaast zijn nog een aantal organisatieoverstijgende projecten gefinancierd, waarmee op specifieke deelgebieden de toegankelijkheid en het gebruik van erfgoedmateriaal van de Tweede Wereldoorlog extra kon worden gefaciliteerd. Op die speciale projecten kom ik later in deze brief kort terug.

Ik heb vastgesteld dat de belangstelling voor een actieve omgang met het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog zeer groot is, ook groter dan door mij vooraf verwacht. Het programmabudget van uiteindelijk € 23,7 miljoen is zeer ruim, maar bleek niet toereikend om de ingediende projectvoorstellen ruimhartig tegemoet te treden. Er moest in alle subsidierondes zeer kritisch worden gewikt en gewogen om tot een scherpe selectie van alleen de beste voorstellen te komen.

Een deel van het erfgoedmateriaal is zoals verwacht uiterst kwetsbaar gebleken, met name onder het papieren erfgoed en het audiovisuele materiaal. Er wordt veel waardevol materiaal op allerlei locaties bewaard en niet altijd onder de meest gunstige omstandigheden. Bovendien beschikken veel instellingen vaak niet over voldoende middelen om op eigen kracht de noodzakelijke conserverings- en digitaliseringsoperaties te kunnen bekostigen. Daarnaast heb ik vastgesteld dat al dit materiaal maar zeer beperkt is ontsloten. Het programma Erfgoed van de Oorlog heeft hierin belangrijke slagen kunnen maken door veel van dit materiaal (digitaal) toegankelijk te maken en daardoor ook de gebruiksmogelijkheden ervan fors te vergroten.

Als rijksoverheid zijn wij nu en in de toekomst verantwoordelijk voor wat in het kader van «ereschuld en bijzondere solidariteit» nodig is voor onze verzets-deelnemers en oorlogsgetroffenen. Die verantwoordelijkheid kent een afgeleide, namelijk het bewust maken van Nederlanders van een andere generatie. Zij worden bewust gemaakt van hun eigen (wereld)geschiedenis, de sporen die daarvan nog zichtbaar zijn in het heden en de lessen die daaruit kunnen worden getrokken voor de toekomst. De vraag komt op hoe je daaraan vorm en inhoud kunt geven; hoe je de verbinding legt tussen het verleden van de Tweede Wereldoorlog en tijdloze thema’s zoals vrijheid, democratie en mensenrechten.

Zaken die wij vanzelfsprekend vinden en vaak onbedreigd achten, maar die – en dat is de boodschap over de Tweede Wereldoorlog – ook in het beschaafde West-Europa ernstig geweld kunnen worden aangedaan. Ik draag vanuit dat perspectief verantwoordelijkheid voor een actief beleid rond «herdenken en vieren» en het voorlichtingsbeleid van de Tweede Wereldoorlog. Voor die aandachtsgebieden wordt het steeds belangrijker om actief gebruik te maken van het erfgoed-materiaal van de Tweede Wereldoorlog, dat in toenemende mate het verhaal moet vertellen omdat er steeds minder mensen zijn die dat zelf uit de eerste hand kunnen doen. Wij zullen moeten leren hoe wij die rol steeds beter kunnen aankleden en invullen.

Wat het programma Erfgoed van de Oorlog heeft kunnen bewerkstelligen is dat er veel erfgoedmateriaal toegankelijk is gemaakt en daardoor «klaar voor gebruik» is. Dat garandeert overigens niet dat er ook daadwerkelijk gebruik van zal worden gemaakt voor onderzoek, lesmateriaal of welk ander doel dan ook. De publieks-gerichte toepassingen die in het kader van het erfgoedprogramma zijn ontwikkeld, vormen een eerste aanzet van actief en hedendaags gebruik van dit erfgoed-materiaal. Er is naar mijn mening een verdere omslag nodig waarbij het gebruik van beschikbaar erfgoedmateriaal vanzelfsprekend wordt en niet wordt gestuurd door een subsidiekader.

Ik kan nu slechts zeer beperkt de concrete resultaten van het programma Erfgoed van de Oorlog beschrijven. Het merendeel van de projecten wordt begin 2010 afgerond. De oogst wordt zeer gevarieerd en het resultaat wordt zelfs zeer belangwekkend bij projecten waarin het erfgoedmateriaal bestaat uit Indische paspoorten, Duitse akten, getuigenissen van SS-ers en NSB-ers, het Nederlandse deel van de Spielbergcollectie, enzovoort. Medio 2010 zal ik uw Kamer over alle resultaten van het programma berichten. In de tussentijd kunt u kijken op de website www.wo2online.nl, die vanuit het erfgoedprogramma is geïnitieerd. Daarop wordt een uitgebreide selectie websites ontsloten, die betrouwbare informatie geven over thema’s en onderwerpen die de Tweede Wereldoorlog betreffen. Ook wordt op deze site (onder het kopje «erfgoed van de oorlog») een groeiend aantal projectresultaten van het erfgoedprogramma, voor zover digitaal te benaderen, toegankelijk gemaakt.

Naast alle projecten die gericht zijn op het behouden, ontsluiten en toegankelijk maken van de eigen collectie van een instelling, heeft het programma Erfgoed van de Oorlog ook geïnvesteerd in een aantal grote trajecten waarmee materiaal van verschillende instellingen digitaal bijeen is gebracht. Binnen het erfgoed-programma worden deze projecten de «digitale kerncollecties» genoemd. Ze zijn erop gericht om materiaal van een bepaalde aard (archieven, audiovisueel, oral history), dan wel over een specifiek thema (Nederlands-Indië, Atlantikwall) dat fysiek verspreid ligt over veel verschillende erfgoedbeherende instellingen, digitaal in één database bijeen te brengen. Op deze manier wordt een overzicht gecreëerd van wat zich op dat specifieke terrein in Nederland bevindt, worden inefficiënties waar het gaat om digitaliseren vermeden (geen dubbelingen), wordt de toegankelijkheid en de bekendheid van het materiaal enorm vergroot, (ook voor de beherende instellingen zelf) en krijgt – last but not least – de gebruiker (scholier, wetenschapper, journalist, geïnteresseerde burger) een middel om met één zoekactie een overzicht te krijgen van wat er aan materiaal bij diverse instellingen beschikbaar is.

Deze kerncollecties tezamen vormen een digitale infrastructuur die wereldwijd zijn weerga niet kent, waar het gaat om het op nationaal niveau ontsluiten en toegankelijk maken van materiaal van de Tweede Wereldoorlog. Die infrastructuur kan in de toekomst alleen maar verder groeien, omdat steeds meer instellingen werken aan het digitaal maken van hun collecties. De totstandkoming van deze digitale infrastructuur is door het programma Erfgoed van de Oorlog geïnitieerd en mogelijk gemaakt, maar de realisatie daarvan had niet gekund zonder de actieve inbreng van zeer veel instellingen. Daar ben ik alle betrokken instellingen erkentelijk voor.

Dat geldt in het bijzonder voor de inbreng van de Koninklijke Bibliotheek (KB) en het NIOD, die zich bijzonder hebben ingespannen om de ambitie omtrent de erfgoedinfrastructuur rond de Tweede Wereldoorlog «van het papier te halen» en daadwerkelijk te implementeren.

Een ander bijzonder resultaat dat Erfgoed van de Oorlog heeft gerealiseerd zijn de twee televisieproducties: «De Oorlog» en «13 in de Oorlog», die beiden onlangs door de NPS op zondagavond werden uitgezonden. Deze series zijn «publieksgerichte toepassingen» in optima forma, zoals bedoeld in het beleidskader Erfgoed van de Oorlog. In beide series wordt namelijk maximaal gebruik gemaakt van erfgoed-materiaal (authentieke beelden, foto’s, documenten, maar ook dagboek-fragmenten en de locaties van waaruit de verhalen worden verteld), geplaatst in hun historische context. De verhalen die worden verteld zijn bovendien gefundeerd op de meest recente historische inzichten. Beide series dragen in belangrijke mate bij aan mijn taakopdracht om de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden. Vanuit het perspectief van herdenken en vieren en vanuit het voorlichtingsbeleid Tweede Wereldoorlog is het van grote betekenis dat er in 2009–2010 televisieseries worden uitgezonden die gericht zijn op een groot publiek. We moeten decennia teruggaan om de laatste Nederlandse serie te vinden die specifiek de Tweede Wereldoorlog behandelt. Een jeugdserie over dit onderwerp werd bovendien nog niet eerder ontwikkeld.

Wat ik hiervoor beschreef zijn concreet aan te wijzen resultaten. Ik signaleer ook nog een ander soort «resultaat» van het programma. Erfgoed van de Oorlog heeft geleid tot dynamiek, een verhoogd bewustzijn en meer samenwerking waar het gaat over oorlogserfgoed. Organisaties zijn zich veel bewuster gaan bezighouden met hun WOII-collecties en hebben zichzelf de vraag gesteld hoe ze een actiever gebruik van dit materiaal kunnen stimuleren en welke samenwerkingsvormen mogelijk zijn om collecties, kennis en activiteiten met elkaar te delen. Zo zijn er verbindingen tot stand gekomen tussen de traditionele oorlogserfgoedinstellingen met onder andere regionale historische centra, museumconsulenten, de archiefwereld en provinciale erfgoedhuizen. Het programmateam Erfgoed van de Oorlog binnen het Ministerie van VWS heeft hierin een samenbindende en coördinerende rol kunnen vervullen omdat daar (informatie over) verschillende erfgoedwerelden bij elkaar kwamen, van zowel de grote nationaal werkende instellingen als de kleine regionaal of lokaal gerichte organisaties.

Toekomst: centraal punt erfgoedmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog

Formeel eindigde het programma Erfgoed van de Oorlog op 31 december 2009. Op dat moment waren echter nog niet alle resultaten van dit programma zichtbaar. Dat is medio 2010 wel het geval en daarom zal ik dit programma op 16 en 17 september 2010 afsluiten met een slotconferentie waarin alle resultaten worden gepresenteerd. Met het afsluiten van het programma zal ook de directe bemoeienis van het Ministerie van VWS met het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog tot een afronding komen. Dat neemt niet weg dat ik er veel waarde aan hecht om de resultaten daarvan vast te houden en maximaal te benutten op de langere termijn. Ik schreef u eind vorig jaar al (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 92) dat ik de Raad van Advies zou vragen om hun visie op een goede afronding en borging van de programmaresultaten op zowel de korte als de lange termijn. Dat advies heb ik in februari 2009 ontvangen. Hierin is de Raad van Advies ingegaan op de noodzaak om een laatste maximale inspanning te plegen om het programmabudget zodanig te verhogen dat alle zeer waardevolle projectvoorstellen kunnen worden gerealiseerd. Zoals beschreven heb ik hierop gereageerd door extra middelen ter beschikking te stellen. In het tweede deel van het «februari-advies» gaat de Raad in op de straks gerealiseerde digitale Tweede Wereldoorlogerfgoedinfrastructuur. De Raad heeft mij geadviseerd om ook na 2010, wanneer het erfgoedprogramma is afgerond, de nu opgedane expertise, contacten en infrastructuur adequaat te borgen en dit alles vanuit een centraal punt te monitoren. Dat zou – naar de visie van de Raad – het meeste recht doen aan de forse investeringen van het erfgoedprogramma. Zowel de kennis-infrastructuur als de digitale infrastructuur onderhouden zich namelijk niet vanzelf. Ook na 2010 blijft advisering, coördinatie, monitoring en signalering noodzakelijk. Ik begrijp deze overwegingen van de Raad van Advies.

In het verleden is het vaker voorgekomen dat er tijdelijke programma’s werden uitgevoerd, waarvan de resultaten op termijn onzichtbaar of afkalvend bleken. Ik hecht er zeer aan dat dit voor wat betreft het erfgoed van de Tweede Wereld-oorlog niet gebeurt. Om die reden heb ik een stuurgroep ingesteld, waarin het NIOD, het Comité en het Nationaal Archief zitting hebben genomen. Deze stuurgroep zal mij adviseren over de vraag op welke wijze een centraal punt Tweede Wereldoorlogerfgoedmateriaal concreet vorm zou kunnen krijgen. Ik verwacht in het voorjaar 2010 op basis van dit advies, dat ook aan de Raad van Advies zal worden voorgelegd, een besluit te kunnen nemen over de inrichting van een dergelijk punt in termen van taakinhoud en organisatievorm.

Ik houd u vanzelfsprekend op de hoogte van de inrichting van een centraal punt erfgoed van de Tweede Wereldoorlog, alsook van de inhoudelijke resultaten van het programma en de resultaten van de voorgenomen evaluatie van het programma.

8. Indisch Herinneringscentrum Bronbeek: stand van zaken

In mijn brief van 22 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008–2009, 20 454 en 25 839, nr. 93) heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken betreffende de oprichting van een Indisch Herinneringscentrum op de locatie landgoed Bronbeek. Ik heb aangegeven dat de belangrijkste taak van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek (IHCB) betreft het overdragen van kennis over Nederlands-Indië en Indonesië met de nadruk op de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan aan een breed publiek.

Daarnaast zal het landgoed Bronbeek in de toekomst een Indische ontmoetingsplaats zijn, waar generaties samen kunnen komen om te herdenken en te vieren.

Op 22 augustus 2009 heb ik het kantoor van het IHCB feestelijk geopend. Medio 2010 zal een publiekstentoonstelling van het IHCB en het Museum Bronbeek worden geopend. Daarmee zal ook het Herinneringscentrum voor Nederlands-Indië te Bronbeek voor bezoekers aantrekkelijker worden.

Om de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië te bevorderen zal in 2010 in alle laagste klassen van middelbare scholen het stripalbum De Brief als nationaal geschenk worden uitgedeeld. Het IHCB heeft het project inhoudelijk begeleid. De totstandkoming en verspreiding van De Brief zijn door mij financieel ondersteund.

Ter ondersteuning van het IHCB en om meer aandacht te krijgen voor de oorlog in Nederlands-Indië heb ik in mijn programma Erfgoed van de Oorlog een aparte lijn Nederlands-Indië opgenomen. Dit heeft onder andere geleid tot de volgende producten:

• Webportal www.indieinoorlog.nl (IHCB);

• Indische reisgids (uitgeverij Open Kaart);

• Indische kamparchieven (NIOD en andere relevante instellingen);

• De digitalisering en vertaling van Japanse interneringskaarten van Nederlandse krijgsgevangenen (Nationaal Archief);

• Digitale onderzoeksgids Surinaams en Antilliaans erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (NIOD).

9. Afronding

Met het geheel van de gepresenteerde maatregelen is het mogelijk om – naast de afronding van een aantal tijdelijke instrumenten – op de lange termijn invulling te kunnen blijven geven aan mijn beleidsdoelstellingen op het terrein van verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog continuïteit te geven. De invulling vergt – zoals beschreven – herschikking van de huidige organisaties en netwerken in dit domein, maar de toekomstbestendigheid is met de in deze voortgangsrapportage beschreven stappen verzekerd.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M. Bussemaker


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Meijer, H. (2005). Indische rekening; Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945–2005. Amsterdam: Boom. Keppy, P. (2006). Sporen van vernieling; Oorlogsschade, roof en rechtsherstel in Indonesië 1940–1957. Amsterdam: Boom

Naar boven