20 454
Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 93
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 oktober 2008

1. Inleiding

Met deze brief informeer ik u over een aantal voornemens en de stand van zaken van een aantal onderdelen van mijn beleid op het terrein van de Tweede Wereldoorlog.

In mijn brief van 11 juni 2007 (Kamerstukken II 2006–2007, 20 454 en 25 839, nr. 84) heb ik u geschreven dat continuïteit op dit terrein belangrijk is. Dit is en blijft de kern van mijn beleid. Tegelijkertijd zal het einde van de Tweede Wereldoorlog over twee jaar 65 jaar achter ons liggen. Met het verstrijken van de tijd wordt de groep mensen die de oorlog zelf heeft meegemaakt en daar uit eigen ervaring over kan vertellen steeds kleiner.

Dit heeft belangrijke gevolgen voor het beleidsterrein waar ik, namens het kabinet, verantwoordelijk voor ben: de zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen Tweede Wereldoorlog (WO II) en het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog.

Gegeven deze ontwikkelingen, acht ik het mijn verantwoordelijkheid om binnen mijn bewindsperiode dusdanige maatregelen te treffen dat een juiste behandeling van de thema’s die te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog tot ver in de toekomst is gewaarborgd.

In deze brief schets ik u op welke wijze ik dit wil realiseren. In dat kader zal ik ingaan op de relatie tussen mijn ministerie en het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Daarna zal ik aangeven wat de gevolgen van de ontwikkelingen zijn voor het beleid dat gericht is op de directe hulpverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II, het zogenaamde immateriële beleid. Ik zal vervolgens ingaan op de stand van zaken ten aanzien van een aantal aspecten van de wetsuitvoering. Daarna volgt de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van het naoorlogse rechtsherstel, dat leidde tot het beschikbaar stellen van gelden voor individuele en collectieve doelen voor onder andere de Sinti en Roma en de Indische gemeenschap. Ik wil u ook op de hoogte stellen van de stand van zaken ten aanzien van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek, waarover ik u samen met de staatssecretaris van Defensie in een brief van 26 juli 2007 (Kamerstukken II 2006–2007, 20 454, nr. 86) heb geïnformeerd.

Ten slotte zal ik u nog kort informeren over de ontwikkelingen in mijn beleid ten aanzien van voorlichting en het internationale beleid op het terrein van de Tweede Wereldoorlog. Ik wil deze brief besluiten met een korte beschouwing over de gevolgen van de geschetste ontwikkelingen voor de direct betrokkenen zelf. Het respect voor deze groep loopt als een rode draad door mijn beleid. Ik respecteer de zorgen die men heeft over de ontwikkelingen in de toekomst en hecht er bijzonder aan dat juist zij bij de verdere uitwerking van mijn beleid een actieve en belangrijke rol vervullen.

Over de ontwikkelingen van het programma Erfgoed van de Oorlog zal ik u per separate brief informeren.

2. Kern van het beleid: toekomstbestendigheid

Op het terrein van de zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II voer ik het beleid dat de beginselen van ereschuld en bijzondere solidariteit, de principes die de grondslag vormen van het stelsel van de pensioen- en uitkeringswetten op dit terrein, ook voor de toekomst kunnen worden gegarandeerd. Het afnemen van de omvang van de doelgroep – er zijn nu nog ruim 36 000 cliënten van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) met een gemiddelde leeftijd van 76 jaar – noopt mij tot het nemen van maatregelen die ook op de lange termijn het stelsel uitvoerbaar houden.

De huidige complexe systematiek van de wetten voor oorlogsgetroffenen leidt tot een zeer zware belasting van de doelgroep. Mede gezien de hoge gemiddelde leeftijd van de doelgroep zijn een aantal administratieve handelingen op grond van het huidige stelsel bovendien in veel gevallen overbodig. Daarom wil ik de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen vereenvoudigen. Een wetsvoorstel dienaangaande is uw kamer op 5 augustus 2008 aangeboden (Kamerstukken II 2007–2008, 31 551, nr. 2).

De afnemende omvang van de doelgroep heeft ook gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie. Om de kwaliteit van de wetsuitvoering tot in de verre toekomst te kunnen handhaven, ben ik van plan om met ingang van 1 januari 2011 de uitvoering van de wetten over te dragen van de PUR naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Op 17 juni 2008 heb ik u hierover, mede namens mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een brief gestuurd (Kamerstukken II 2007–2008, 20 454, nr. 90).

Op het gebied van de herinnering heeft het wegvallen van de generatie die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt ook de nodige consequenties. Organisaties die zich bezig houden met het betekenis geven aan de herinnering, oriënteren zich op de wijze waarop dit moet worden vormgegeven. Ook jongere generaties moeten bij het onderwerp betrokken blijven. Er wordt een verbinding met hedendaagse ontwikkelingen gezocht, zonder daarbij echter het eigenstandige karakter van de Tweede Wereldoorlog los te laten.

In dit kader speelt de heroriëntatie binnen de rijksoverheid ook een rol; de nadruk komt meer en meer te liggen op het beleid en minder op de uitvoering. De manier waarop de onderwerpen op het beleidsterrein Tweede Wereldoorlog nu binnen de rijksoverheid worden behandeld, krijgt hierdoor steeds meer een atypisch karakter. De huidige dominante rol van de rijksoverheid op dit terrein is zowel inhoudelijk sturend als gedetailleerd uitvoerend. Dit druist in tegen het principe van een overheid die stuurt op hoofdlijnen, maar de inhoud en uitvoering waar mogelijk overlaat aan maatschappelijke partners.

Ik heb het voornemen een aantal departementale taken gericht op het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog, over te dragen aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei (het Comité). Dit betreft taken die goed aansluiten bij de taken die het Comité nu al heeft op het terrein van het richting geven aan herdenken en vieren, het voorlichtingsbeleid en het bevorderen van samenhang en afstemming. Ik denk daarbij aan taken als het vormgeven en uitvoeren van een gericht projectenbeleid op het gebied van voorlichting, het entameren van toegepast onderzoek, het leggen van verbindingen tussen thema’s, zorg voor vrijwilligersorganisaties enzovoort. Dit zijn taken die volgens mij beter door een maatschappelijke organisatie kunnen worden uitgevoerd dan vanuit de rijksoverheid.

Deze verschuiving past bij de ontwikkeling die het Comité de afgelopen twintig jaar heeft doorgemaakt en bij wat het Comité nu zelf aangeeft te willen zijn: een kenniscentrum op het gebied van herdenken en vieren. Ik heb grote waardering voor hetgeen het Comité de afgelopen jaren tot stand heeft gebracht en denk dat ik met de geschetste maatregelen de ontwikkeling van het Comité op positieve wijze kan versterken. Mijn toekomstbeeld is dat het Comité de organisatie in Nederland zal zijn waar ontwikkelingen worden gevolgd en geëntameerd, waar verbindingen worden gelegd en de visie op herdenken en vieren verder wordt ontwikkeld. Het Comité zal de organisatie in Nederland zijn waar kennis, informatie en visie beschikbaar is ten aanzien van alle ontwikkelingen en relaties op het terrein van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Het Comité zal hierbij geen taken overnemen van andere organisaties (zoals de nationale herinneringscentra), maar meer als een vliegwiel en initiator optreden.

Dit betekent dat de rol en de taken van mijn ministerie in deze zullen veranderen; van uitvoerder naar opdrachtgever en toezichthouder, op afstand. Het betekent helemaal niet dat de betrokkenheid minder zal worden, slechts de uitvoering wordt elders neergelegd. Evenwel ook in de toekomst zal één ministerie dat het onderwerp beheert niet voldoende zijn. Ik heb u in mijn brief van 11 juni 2007 al gewezen op de noodzaak van het leggen van verbindingen, om in de toekomst het verhaal van de Tweede Wereldoorlog betekenis te kunnen laten houden. Ik denk hierbij aan de Veteranendag, het Nationaal Museum, het Huis van de Democratie enzovoort, onderwerpen die elkaar kunnen versterken. Het is daarom van zeer groot belang dat de verbinding niet alleen vanuit mijn ministerie blijft bestaan, maar vanuit meerdere ministeries wordt vormgegeven. Op dit moment is een aantal ministeries vertegenwoordigd in het bestuur van het Comité en met verschillende andere ministeries wordt samengewerkt. Ik wil nagaan hoe we in de toekomst deze verbindingen kunnen bestendigen en waar nodig versterken. Alleen zo zal het Comité zijn nieuwe rol kunnen waarmaken.

Het Comité heeft mijn voorstel positief ontvangen. Ik heb aangegeven dat zorgvuldigheid ook in dit traject van groot belang is. De taken en verantwoordelijkheden zullen helder moeten zijn en het budget moet daarop zijn toegesneden. Mijn ministerie en het Comité zullen dit voornemen nader uitwerken. Een groot aantal ministeries zal hierbij worden betrokken. Deze uitwerking zal in juni 2009 gereed zijn. Het is mijn voornemen om uiterlijk 1 januari 2011 de overdracht van taken te hebben gerealiseerd.

3. Immaterieel beleid

In mijn brief van 11 juni 2007 heb ik een vrij uitgebreid overzicht gegeven van mijn beleid ten aanzien van de hulpverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II. Ik heb hierbij aangegeven dat ten aanzien van dit aspect van mijn beleid mijn belangrijkste uitgangspunt is dat ook bij een afnemende doelgroep de kwaliteit van de hulpverlening in stand dient te blijven. Inmiddels heb ik met alle betrokken instellingen meerjarige afspraken gemaakt over een geleidelijke afbouw van de subsidie. Tegelijkertijd heb ik de instellingen duidelijk gemaakt dat ik bereid ben hen te ondersteunen bij een heroriëntatie op de toekomst. Ik zie het aangaan van samenwerkingsverbanden en verbreding van de hulpverlening naar andere groepen oorlogs- en geweldsgetroffenen als het antwoord op de afnemende hulpverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II. Het organisatorische draagvlak kan zo in stand blijven. Samenwerking bevordert tevens dat de kennis en expertise met betrekking tot de hulpverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II behouden blijft en wordt ingezet voor andere groepen.

Bij het zoeken naar samenwerkingsverbanden blijkt dat meerdere ministeries worden geconfronteerd met de problematiek van psychotrauma en hulpverlening aan oorlogsen geweldsgetroffenen en vluchtelingen. Met name met het ministerie van Defensie vinden regelmatig gesprekken plaats met als thema de samenhang tussen het veteranenbeleid en het Landelijk Zorgsysteem Veteranen en hulpverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II. De lessen die geleerd zijn uit het dossier verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II blijken vaak ook bruikbaar voor het veteranenbeleid. Op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en grootschalig geweld is inmiddels een concreet samenwerkingsverband gevormd, het Netwerk Psychotrauma Nederland (NPN). Hierbij zijn organisaties die (mede) hulpverlenen aan veteranen en organisaties die (mede) hulpverlenen aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II betrokken. De Basis (een instelling voor hulpverlening aan onder andere veteranen) heeft de coördinerende rol bij het NPN op zich genomen.

4. Aspecten wetsuitvoering

In het navolgende stel ik u op de hoogte van de stand van zaken van een aantal aspecten die de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen betreffen.

Gerichte benadering en territorialiteitseis Wubo

Door het verstrijken van de tijd wordt de verificatie van de oorlogsgebeurtenissen en de beoordeling van de medische causaliteit bij aanvragen op basis van de wetten voor oorlogsgetroffenen steeds lastiger. Dit is één van de redenen voor het hoge percentage afgewezen aanvragen (70%). De omvang van deze problematiek zal de komende jaren alleen maar toenemen. De PUR en de Stichting Pelita zijn daarom op verzoek van mijn ambtsvoorgangster in september 2005 gestart met het project Gerichte benadering. In dit kader zijn vanaf deze datum mensen aangeschreven die al bekend waren bij «Het Gebaar» (gericht op Indische Nederlanders) om hen op de mogelijkheden van de wetten voor oorlogsgetroffenen te wijzen. De afgelopen jaren bent u uitgebreid op de hoogte gesteld van de inhoud en de voortgang van dit project. In vervolg hierop kan ik u aan de hand van de laatste door de PUR verstrekte cijfers (eind september 2008) het volgende meedelen. Tot nu toe werden ruim 31 000 brieven verzonden. Er zullen nog ongeveer 2700 personen worden aangeschreven, waarna in totaal ruim 33 000 (100%) personen zullen zijn aangeschreven.

Op basis van de gegevens over het resultaat van eerdere verzendingen en vanwege het feit dat er nog slechts een gering aantal zendingen is te gaan, kan de PUR nu al aangeven dat in totaal ongeveer 4300 (12,8%) personen een aanvraag zullen indienen. Hiervan vallen 3200 personen onder de doelgroep. Dit aantal is gelijk aan de oorspronkelijke schatting van het in 2004 uitgevoerde pilotonderzoek aanspraken Indische oorlogsgetroffenen (pilot). Deze aanvragen zullen resulteren in maximaal 1500 toekenningen (4,4%). Hiervan zullen 925 leiden tot een financiële toekenning en 575 tot een «erkenning sec» (de oorlogservaring kan worden vastgesteld maar de medische beoordeling van causale ziekten of gebreken blijft achterwege). Het aantal erkenningen sec blijft achter bij het verwachte aantal. Dit komt doordat het merendeel van de 3200 aanvragers die onder de doelgroep vallen niet om een erkenning sec heeft gevraagd, maar om een uitkering. Zoals op basis van de pilot reeds werd verwacht, komt een groot deel van de personen die onder de doelgroep valt en om een uitkering heeft gevraagd daarvoor niet in aanmerking, omdat zij geen causale ziekten of gebreken hebben. In mijn brief van 17 juni 2008 heb ik aangegeven te verwachten dat na afronding van het project in 2009 het aantal reguliere nieuwe eerste aanvragen (aanvragen van personen die nog niet tot de wetten zijn toegelaten) drastisch zal afnemen. Deze verwachting is gebaseerd op het feit dat deze reguliere aanvragen uit dezelfde doelgroep afkomstig zijn als de aanvragen van het project. Uit de laatste instroomcijfers van de PUR blijkt dat het aantal reguliere nieuwe eerste aanvragen in de eerste acht maanden van 2008 ten opzichte van 2007 inderdaad fors is gedaald. Ik verwacht de eindrapportage van het project in de tweede helft van 2009. Dan zal blijken of deze teruggang in het aantal reguliere eerste aanvragen een meer structureel karakter heeft.

Naast het aanschrijven van potentiële gerechtigden die in Nederland wonen, zijn sinds april 2007 ook Nederlanders benaderd die in het buitenland wonen en mogelijk rechten aan de wetten voor oorlogsgetroffenen kunnen ontlenen. Deze groep aangeschrevenen is echter breder dan de groep die al bekend was bij «Het Gebaar». Dit hangt samen met het arrest van het Europese Hof van Justitie (Hof) van 26 oktober 2006 waarin is bepaald dat de in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) opgenomen territorialiteitseis in strijd is met het gemeenschapsrecht. Als gevolg van dit arrest zijn vanaf genoemde datum in de Gerichte benadering voor het buitenland mede die personen betrokken die binnen de Europese Unie (EU) wonen en eerder een Wubo-aanvraag hebben ingediend die is afgewezen omdat zij in het buitenland woonden. Om te benadrukken dat de te benaderen doelgroep breder is dan die binnen Nederland, is voor dit onderdeel van het project Gerichte benadering gekozen voor de benaming Brede benadering buitenland (BBB). Uit de meest recente cijfers van de PUR (eind september 2008) blijkt dat het in november 2007 afgeronde gedeelte van de BBB dat betrekking had op de benadering van personen die binnen de EU wonen, het volgende heeft opgeleverd. Er zijn in totaal 1881 personen (100%) aangeschreven. Hiervan hebben er 724 (38,5%) aangegeven belangstelling te hebben. Met deze personen heeft een telefonische intake plaatsgevonden. Na een uitgebreide voorlichting over de (on)mogelijkheden van de wetten voor oorlogsgetroffenen hebben 458 personen (24,5%) aangegeven een aanvraag te willen indienen. Het aantal personen dat uiteindelijk een aanvraag heeft ingediend is 329 (17,5%). Van deze aanvragen zijn er in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) 96 toegekend, 81 afgewezen dan wel ingetrokken en nog 105 bij de PUR in behandeling. In het kader van de Wubo zijn er 90 aanvragen toegekend, 70 afgewezen/ingetrokken en nog 90 in behandeling.

In mijn brief van 26 maart 2006 (Kamerstukken II 2006–2007, 20 454, nr. 83) heb ik u gemeld dat ik om redenen van redelijkheid en billijkheid heb besloten de Wubo als gevolg van het arrest van het Hof van 26 oktober 2006 zo te wijzigen dat ook de Nederlanders die buiten de EU wonen een aanvraag op grond van deze wet kunnen indienen. Het door mij opgestelde wetsvoorstel is door uw Kamer op 20 maart 2008 zonder beraadslaging en stemming aangenomen en uiteindelijk op 11 april 2008 in werking getreden. Na de inwerkingtreding van de wet worden in het kader van de BBB ook de potentiële gerechtigden aangeschreven die buiten de EU wonen. Het gaat hierbij om een groep personen vergelijkbaar met die binnen de EU is aangeschreven (bekend bij «Het Gebaar» en eerder afgewezen Wubo-aanvragers). De PUR heeft de omvang van de groep vastgesteld op 9000 personen. Eind september 2008 is de stand van zaken als volgt. Van de 3957 aangeschreven personen hebben 869 aangegeven geïnteresseerd te zijn. Hiervan hebben 72 een aanvraag ingediend. Anders dan bij de groep personen die binnen de EU woont, is de ervaring van de PUR ten aanzien van de groep personen die buiten de EU woont, dat er een lange tijd overheen gaat voordat op de verzonden brief een reactie wordt ontvangen. Deze ervaring en het nog grote aantal te benaderen personen zorgen ervoor dat er op dit moment nog geen gefundeerde uitspraken kunnen worden gedaan over het totale (te verwachten) aantal aanvragen en toekenningen/afwijzigen uit de genoemde groep.

Commissie gelijke behandeling

De PUR verstrekt op grond van de Wuv uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers WO II. Deze uitkering vult het inkomen aan tot het niveau dat men zou hebben gehad zonder de geestelijke of lichamelijke invalidering als gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Om de hoogte van de uitkering te berekenen, wordt uitgegaan van een grondslag. De hoogte van de grondslag wordt bepaald door het levenspeil in Nederland (de zogenaamde Euro-grondslag). Slachtoffers kunnen ook in aanmerking komen voor een uitkering indien de vervolging heeft plaatsgevonden in het voormalig Nederlands-Indië, waar het levenspeil fors afwijkt van dat in Nederland. In artikel 8, derde lid, van de Wuv is daarom bepaald, dat het levenspeil in Indonesië als uitgangspunt wordt genomen wanneer men is vervolgd in Nederlands-Indië en de uitkering in Indonesië aanvraagt (de zogenaamde Rupiah-grondslag). Zonder deze uitzonderingsbepaling zouden rechthebbenden in Indonesië – die ten opzichte van landgenoten al een relatief hoog inkomen ontvangen – een buitenproportioneel hoge uitkering ontvangen. Een Wuv-gerechtigde in Indonesië heeft tegen het hanteren van de uitzonderingsbepaling een klacht ingediend bij de Commissie gelijke behandeling (CGB). De CGB is van oordeel dat de doelstelling van de wet, het behouden of herstellen van het oorspronkelijke levenspeil van voor de vervolging danwel voor het intreden van de invaliditeit, legitiem is. Bij het vaststellen van de grondslag voor het berekenen van de uitkering mag derhalve rekening worden gehouden met het lokale levenspeil. Maar op grond van de argumenten dat het aantal Wuv-gerechtigden in Indonesië van niet-Nederlandse afkomst hoger is dan het aantal van Nederlandse afkomst én dat de uitkering lager is dan de uitkering op Euro-grondslag, concludeert de CGB dat er sprake is van een indirect onderscheid op grond van ras.

De CGB adviseert in zijn oordeel om de uitzonderingsbepaling in de Wuv te schrappen. Als alternatieve oplossing beveelt de CGB aan om de grondslag van elke uitkering voortaan te bepalen aan de hand van het niveau van het levenspeil van het land van vestiging op het moment van ontvangst van de uitkering.

Een beschuldiging van indirecte discriminatie op grond van ras neem ik vanzelfsprekend zeer serieus. Aan beide voorgestelde mogelijkheden kleven echter zodanige bezwaarlijke consequenties, dat het niet mogelijk is daar zonder meer uitvoering aan te geven. Het zonder meer schrappen van de uitzonderingsbepaling heeft tot gevolg dat de uitkeringsgerechtigden in Indonesië een uitkering gaan ontvangen die is afgeleid van het levenspeil in Nederland.

Indien deze optie zou worden doorgevoerd, zal de Wuv-uitkering (die naar Indonesische verhoudingen al hoog is) nog eens vijf maal zo hoog worden. Zo een buitenproportioneel hoge uitkering is niet in overeenstemming met het doel van de Wuv, te weten: het herstellen van het levenspeil van voor de vervolging in het voormalig Nederlands-Indië. Zou voor de alternatieve oplossing van het CGB worden gekozen, dan heeft dit tot gevolg dat de Wuv-uitkering van gerechtigden die in andere landen dan Nederland wonen naar het levenspeil van hun woonland wordt berekend. Dit leidt in ieder geval voor de gerechtigden die woonachtig zijn in een niet-westers land tot een forse verlaging van de uitkering. Mijn overleg hierover met de CGB heeft niet geleid tot een directe oplossing.

Om een weloverwogen besluit te kunnen nemen in deze delicate kwestie, heb ik deskundigen ingeschakeld om onderzoek te doen naar mogelijke alternatieve berekeningswijzen. Daarbij wordt – naast gevolgen voor de programma-uitgaven en de uitvoeringskosten – aandacht besteed aan inkomenseffecten voor uitkeringsgerechtigden, uitvoeringsconsequenties en de beschikbaarheid van voor de berekening benodigde data. Ook heb ik gevraagd om een vergelijking te maken met andere uitvoeringsstelsels. Het rapport zal naar verwachting in november 2008 gereed zijn. Vanzelfsprekend zal ik u op de hoogte stellen van de uitkomsten van het onderzoek en de gevolgen die ik daaraan zal verbinden.

5. Afhandeling rechtsherstel

In het navolgende informeer ik u over de stand van zaken ten aanzien van de afronding van het naoorlogse rechtsherstel.

Zoals u weet heeft het kabinet op 21 maart 2000 bedragen beschikbaar gesteld aan groepen vervolgingsslachtoffers voor individuele uitkeringen en collectieve doelen (Kamerstukken II, 1999–2000, 25 839, nr. 13). Ik houd toezicht op de tijdelijke zelfstandige bestuursorganen die zijn opgericht om deze bedragen te verdelen, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar.

Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR)

De SRSR is in 2000 opgericht om € 13 613 406 te verdelen. De regering heeft het bedrag beschikbaar gesteld voor Sinti en Roma vanwege gebreken in het naoorlogs rechtsherstel. Na het verstrekken van individuele uitkeringen resteert ruim 9 miljoen voor collectieve doelen. De stichting wordt uiterlijk per 31 december 2009 opgeheven, zodat voor het genoemde bedrag per die datum een goede bestemming moet zijn gevonden.

Uit onderzoek blijkt dat Sinti en Roma, een kleine maar door immigratie groeiende groep, nadrukkelijk langdurige ondersteuning nodig hebben om in onze maatschappij te kunnen functioneren. Een sleutelproject van de SRSR is daarom het oprichten van een landelijk steunpunt dat een centrale en uitvoerende rol gaat spelen ten behoeve van een blijvende verbetering van de positie van Sinti en Roma in Nederland.

Het landelijk steunpunt zal zich primair richten op gemeenten omdat zij bij uitstek de uitvoerders zijn van het landelijke beleid op terreinen als maatschappelijke ondersteuning, onderwijs en arbeidsparticipatie. Er is gekozen voor deze constructie omdat uit eerdere projecten van de SRSR is gebleken dat gemeenten behoefte hebben aan een dergelijk steunpunt. Het centrum kan kennis, informatie en participatie in projecten bieden, waarbij de insteek is dat een integrale visie en aanpak op lokaal niveau nodig is. De ervaring leert dat er bij een integrale aanpak op het gebied van justitie, scholing, zorg, welzijn en arbeid successen worden geboekt. Deze benadering vraagt om een individuele begeleiding en langetermijnaanpak binnen een lokaal netwerk van betrokken instanties.

Het plan voor het oprichten van het centrum is deze zomer interdepartementaal besproken. Daarbij is uitgesproken dat het zinvol is elkaar te informeren over het landelijke beleid waarbinnen mogelijkheden zijn om specifiek aandacht te besteden aan de positie van Sinti en Roma, bijvoorbeeld over de activiteiten op het terrein van «Wonen, Wijken en Integratie» en de relatie met de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling op landelijk niveau opnieuw een doelgroepenbeleid te introduceren.

Het landelijke steunpunt zal in het voorjaar van 2009 worden opgericht. In het eerste jaar zal vooral worden geïnvesteerd in de overdracht van lopende succesvolle projecten van de SRSR en de positionering in relatie tot andere organisaties, zoals stichting Forum en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het is de bedoeling dat het steunpunt zich in een groeimodel zal ontwikkelen tot een weliswaar klein maar op dit terrein gezaghebbend expertisecentrum.

Het Gebaar

De Stichting Het Gebaar heeft van de regering de opdracht gekregen om 160 miljoen euro aan individuele uitkeringen en 16 miljoen euro voor collectieve projecten te verdelen ten behoeve van de Indische gemeenschap. Het verstrekken van de individuele uitkeringen kreeg prioriteit en heeft voornamelijk in 2001 en 2002 plaatsgevonden. Vervolgens heeft de stichting haar tweede taak, het verdelen van de voor collectieve doelen beschikbaar gestelde gelden, uitgevoerd. De stichting heeft 409 projectvoorstellen ontvangen ter waarde van 75 miljoen euro. Door de vijfvoudige overtekening was het beoordelen van de projecten niet eenvoudig. Er zijn uiteindelijk 124 projecten gehonoreerd. Bij de oprichting van de Stichting Het Gebaar was vastgelegd dat de stichting per 1 januari 2008 zou liquideren. In mijn brief van 11 juni 2007 heb ik, met het oog op de zorgvuldige afwikkeling van de resterende werkzaamheden, aangegeven dat ik zou laten onderzoeken op welke wijze de voortzetting en afronding van de werkzaamheden van de Stichting Het Gebaar na 1 januari 2008 gestalte zou moeten krijgen. In aansluiting daarop meldde ik u in de begroting 2009 van mijn ministerie dat de liquidatiedatum van de Stichting Het Gebaar was verschoven naar 1 juli 2009. Inmiddels heb ik, na consultatie van het bestuur en de Raad van Advies van de Stichting Het Gebaar, besloten per 1 januari 2009 de statuten van deze stichting te wijzigen en deze stichting om te vormen tot een «Stichting Afwikkeling Het Gebaar» (SAGE). Bij de afronding van de verdeling van de Joodse tegoeden in 2005 is een vergelijkbare procedure gevolgd en is de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO) tot stand gebracht. Doel van SAGE is de afrekening van de per 1 januari 2009 nog lopende of per die datum eindigende projecten van de Indische gemeenschap en de behandeling van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures.

Bij de statutenwijziging van de Stichting Het Gebaar zal niet alleen de naam van de stichting worden veranderd, maar zal ook deze nieuwe doelstelling worden vastgelegd. Verder komt in de te wijzigen statuten de Raad van Advies te vervallen, wordt het bestuur teruggebracht tot één persoon (tevens project-directeur) en wordt de bestemming van de na liquidatie van SAGE mogelijk nog resterende Gebaargelden in de statuten vastgelegd. Gezien de omvang van de resterende werkzaamheden verwacht ik dat SAGE per 1 januari 2010 kan worden geliquideerd.

Onderzoek «Van Indië tot Indonesië»

In de brief van 12 januari 2007 (Kamerstukken II 2006–2007, 20 454, nr. 82) heeft mijn ambtsvoorgangster u geïnformeerd over de reactie van het kabinet op de resultaten van de in het kader van het onderzoeksprogramma «Van Indië tot Indonesië» ingestelde deelprogramma’s naar de Indische backpay-kwestie en de problematiek rond Indische oorlogs-schade, roof en rechtsherstel. Ik heb twee gesprekken gehad met het Indisch Platform over dit kabinetsstandpunt. Deze gesprekken zijn voor mij geen aanleiding geweest tot een heroverweging van het kabinetsbesluit dat met «Het Gebaar» indertijd is beoogd finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de slachtoffers van het naoorlogse rechtsherstel. Bij verschillende gelegenheden heb ik al aangegeven van mening te zijn dat de geschiedenis van Nederlands-Indië nog altijd onderbelicht is en meer aandacht behoeft.

Met de oprichting van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek en met het Indisch erfgoed als speerpunt binnen mijn programma Erfgoed van de Oorlog wil ik de schijnwerpers richten op deze geschiedenis en de gevoelens en ervaringen van deze oorlogsgetroffenen. Daarbij past ook de garantie van het kabinet om, op grond van de beginselen ereschuld en bijzondere solidariteit, de materiële zorg (met name op basis van de wetten voor oorlogsgetroffenen) en immateriële zorg voor oorlogsgetroffenen uit het voormalig Nederlands-Indië te garanderen.

6. Indisch Herinneringscentrum Bronbeek

In mijn brief van 26 juli 2007 heb ik u op de hoogte gesteld van mijn voornemen betreffende de oprichting van een Indisch Herinneringscentrum op de locatie landgoed Bronbeek. Graag stel ik u op de hoogte van de stand van zaken.

Met de verschillende bij het landgoed Bronbeek betrokken partijen, waaronder het ministerie van Defensie, de Rijksgebouwendienst, de provincie Gelderland en de gemeente Arnhem heb ik afspraken gemaakt die moeten leiden tot een gezamenlijke toekomstvisie voor dit landgoed. Op 15 augustus 2008, en marge van de herdenking van het einde van de oorlog in Nederlands-Indië, is hiertoe een convenant ondertekend.

Het bestuur van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek (IHCB) heeft mij in juni 2008 haar visie geschetst:

«Het IHCB informeert en verhaalt op waardige, inhoudelijke en evocatieve wijze over de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en over de Indische gemeenschap vanaf 1900 tot heden. Het verrijkt kennis, bewustwording en empathie en zet aan tot nadenken over de toenmalige gebeurtenissen, actuele situaties en het eigen handelen».

De belangrijkste taak van het IHCB zal zijn het overdragen van kennis over Nederlands-Indië en Indonesië met de nadruk op de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan, waarbij het landgoed Bronbeek in de toekomst een Indische ontmoetingsplaats is, waar generaties samen kunnen komen om te herdenken en te vieren. Secundaire ambities zullen afhankelijk van aanvullende financiering geleidelijk worden verwezenlijkt.

Het is de bedoeling dat het IHCB en het Museum Bronbeek komen tot een gezamenlijke geïntegreerde publiekspresentatie. Momenteel wordt, in overleg met het bestuur van het IHCB door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en met subsidie van mijn ministerie, de laatste hand gelegd aan een wetenschappelijk concept op basis waarvan deze publiekspresentatie in het IHCB kan worden ingericht.

Om het IHCB in de startfase bij haar taken te ondersteunen zijn al verschillende projectsubsidies toegekend. Zo wordt de DVD «Oorlog in het paradijs» gemaakt met oud en nieuw materiaal, aangevuld met interviews en een inleidende film. Daarnaast wordt door hetzelfde team dat de succesvolle strip «De ontdekking» maakte, gewerkt aan een stripverhaal over de oorlog in Nederlands-Indië en de Bersiaptijd.

7. Voorlichtingsbeleid WO II

In het beleidskader voorlichtingsbeleid herdenking WO II in de periode 2006 tot en met 2010 («Raak de juiste snaar»), u gestuurd als bijlage bij de brief van 18 juni 2006 (Kamerstukken II 2005–2006, 20 454 en 25 839, nr. 75) heeft mijn ambtsvoorgangster aangekondigd na anderhalf jaar de gehele systematiek van dit kader te zullen evalueren en eventueel naar aanleiding daarvan bij te stellen. Deze evaluatie is uitgevoerd tussen eind november 2007 en eind juni 2008. Het doel was vast te stellen of er sprake was van voldoende effectiviteit en doelmatigheid in het gevoerde projectenbeleid en zonodig tot een herijkte koers en inrichting te komen. De eerder genoemde heroriëntatie op de positie en de rol van de rijksoverheid en de toekomstbestendigheid van het beleid zijn hierin voor mij mede richtinggevend geweest.

Het voorlichtingsbeleid is gericht op het aanvullen van de kennis en het inzicht van de Nederlandse bevolking met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en daarmee samenhangende thema’s. Door middel van projecten op scholen, tentoonstellingen in musea, aanvullend materiaal bij in het onderwijs gebruikte standaardlesmethoden en projecten die dicht bij burgers staan in hun eigen woonplaats, worden de gebeurtenissen in de oorlog belicht en vertaald naar een hedendaagse betekenis. Hierbij moet worden uitgegaan van de actuele vragen die leven onder de huidige generaties; iedere generatie kijkt immers vanuit zijn eigen perspectief naar de geschiedenis en stelt vanuit dit perspectief zijn vragen. Gebleken is dat binnen het huidige projectenbeleid daar nog onvoldoende op wordt ingespeeld. Dit heeft te maken met de afstemming tussen vraag (van met name docenten) en aanbod (van organisaties). Er worden nog teveel producten ontwikkeld die teveel op dezelfde thema’s voortborduren en daardoor niet worden gebruikt. Hierdoor ontstaat er voor nieuwe generaties te weinig dynamiek om nieuwe vragen te stellen. Ook ontstaat het risico dat er via het projectenbeleid teveel een duplicaat komt van bestaande lesmethodes. Daarom wil ik het voorlichtingsbeleid herzien, waarbij ik opmerk dat de oorspronkelijke doelstelling, namelijk dat zoveel mogelijk organisaties hieraan mee moeten kunnen doen, in tact blijft.

Ik streef er naar om de middelen die er zijn zo effectief mogelijk in te zetten. Daarom wil ik maatschappelijk relevante personen vragen om een analyse te maken van maatschappelijke ontwikkelingen en trends en de vertaling hiervan naar een vierjarig themaprogramma. De huidige Subsidieregeling voorlichtingsbeleid WO II zal worden vervangen door een openbare tenderregeling. Met behulp van deze regeling worden projectopdrachten geformuleerd, die nadrukkelijk aansluiten bij het programma van gekozen thema’s. De projectopdrachten bevatten een beperkt aantal criteria waaraan de voorstellen dienen te voldoen. Een organisatie kan intekenen op een opdracht en na toetsing aan de criteria kan gunning van de projectopdracht volgen. Hoe een en ander ingevuld zal worden, moet nog nader worden uitgewerkt.

Het is onmogelijk alle relevante doelgroepen persoonlijk te bereiken. Daarom wil ik in ieder geval projecten laten ontwikkelen die gericht zijn op relevante intermediairs. Het gaat hierbij om mensen die een brede achterban kunnen bereiken en mobiliseren en daarmee een «multipliereffect» kunnen realiseren. Opleiders en opvoeders hebben onverminderd een belangrijke rol. Ik zal bijzondere aandacht laten uitgaan naar docenten in opleiding en naar de docentenopleiders aan de lerarenopleidingen. Het belang van deze opleiders en studenten is op duidelijke wijze naar voren gekomen in de vier door het Landelijk overleg lerarenopleidingen basisonderwijs ontwikkelde projecten, die ik in mijn brief van 11 juni 2007 al onder uw aandacht heb gebracht. Mijn bedoeling is niet het curriculum te veranderen, maar aanvullende informatie te geven waar men gebruik van kan maken. Inmiddels zijn, naast de vele studenten, ongeveer 60 000 leerlingen van basisscholen bereikt en honderden docenten in regionaal verband. Enkele opleidingen hebben het thema «Herdenken en Vieren» opgenomen in het curriculum en bieden het aan in hun nascholingsaanbod. Daarnaast vindt tijdens reguliere bijeenkomsten, zoals de Landelijke pabodag en de jaarlijkse conferentie van docenten geschiedenis (VGN-dag), overdracht van het gedachtegoed van de vier paboprojecten plaats aan de pabo’s zelf en aan de al in het onderwijs werkzame docenten geschiedenis.

Ik heb het voornemen om de projectensystematiek en de projectmiddelen over te dragen aan het Comité, waar het – zoals ik eerder aangaf – een goede aansluiting vindt bij de huidige taken en positie van het Comité. Met deze nieuwe invulling zal er door de sterkere link met maatschappelijke thema’s en sectoren naar verwachting sprake zijn van een grotere en bredere dynamiek. De systematiek van de tenderregeling biedt de mogelijkheid directer te sturen op de thematiek van de projectvoorstellen en bijvoorbeeld zo de slag te kunnen maken naar de geografische verbreding van het thema Tweede Wereldoorlog, die tot nu toe nog onvoldoende tot stand is gekomen.

Voor een bredere geografische inbedding van de Tweede Wereldoorlog binnen het Nederlandse onderwijs is het van groot belang dat er historisch-wetenschappelijk verantwoord basismateriaal voor handen is. Het onderzoek «De oorlog op vijf continenten» van het NIOD geeft hier bijvoorbeeld een invulling aan. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een boek dat ik op 7 oktober 2008 in ontvangst heb genomen. In mijn brief van 30 mei 2008 (Kamerstukken II 2007–2008, 20 454, nr. 89) heb ik u al gemeld dat: «Het onderzoek richt zich op de belangrijkste en meest kenmerkende gebeurtenissen en ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in acht verschillende landen/gebiedsdelen die vandaag de dag gelden als belangrijke herkomstlanden van (im)migranten in Nederland. Daarmee geeft het boek een overzicht van de wijze waarop de Tweede Wereldoorlog in uiteenlopende gebieden, zowel binnen als buiten Europa, van invloed is geweest.

De geboden informatie zal het de lezer mogelijk maken zich een nader beeld te vormen van de overeenkomsten en verschillen in historische ervaring van verschillende landen en regio’s. Dit onderzoek kan als basis dienen voor educatief materiaal dat zowel door lerarenopleidingen basisonderwijs als in de scholen kan worden gebruikt. De wijze waarop de eventuele vertaling naar het onderwijs zal plaatsvinden, is aan de pabo’s, de scholen en de makers van de onderwijstoepassingen zelf».

8. Internationaal beleid WO II

In vervolg op de brief van mijn ambtsvoorgangster van 18 januari 2006 (Kamerstukken II 2005–2006, 20 454 en 25 839, nr. 75) berichtte ik u in de brief van 11 juni 2007 over mijn doelstellingen ten aanzien van het internationale beleid WO II.

Een van de doelstellingen is het ondersteunen van initiatieven die aandacht besteden aan tijdens de Tweede Wereldoorlog in het buitenland overleden of gevangen gehouden Nederlanders. Dit jaar is, op initiatief van de Nederlandse ambassade in Tsjechië, een plaquette onthuld in het voormalig concentratiekamp Theresienstadt ter herinnering aan de 5000 mensen die daar vanuit Nederland naar toe gestuurd werden. Een groot deel van hen overleefde dit verblijf, maar anderen werden doorgestuurd naar vernietigingskampen.

In samenwerking met Polen, Israël en Slowakije zet ik mij in voor de herinrichting van het voormalig vernietigingskamp Sobibor, waar 34 000 Nederlandse Joden zijn vermoord. De overheden van de vier betrokken landen zullen de kosten hiervan gezamenlijk dragen. Op 22 september 2008 is hiertoe een convenant getekend waarin de uitgangspunten zijn vastgelegd waaronder de herinrichting zal plaatsvinden.

In de brief van 11 juni 2007 heb ik aangegeven dat de International Taskforce for Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research een belangrijk platform is voor het uitvoeren van de doelstellingen voor mijn internationale beleid. In dit samenwerkingsverband, maar ook in ad hoc samenwerkingsverbanden, bouw ik de samenwerking verder uit met als doel het wederzijds overdragen van kennis en ervaring over de Tweede Wereldoorlog en de doorwerking ervan na de oorlog. Het gaat dus niet alleen om het overdragen van kennis vanuit Nederland, maar ook om het naar Nederland halen van kennis over de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog buiten Nederland. In het kader van het uitwisselen van kennis en ervaring over de Tweede Wereldoorlog subsidieer ik verschillende projecten. In Bosnië ondersteun ik een project, waarbij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork (Westerbork) samenwerkt met het herinneringscentrum in Potocari. Westerbork doet ervaring op met het omgaan met de ervaringen van recente oorlogsgetroffenen om het verhaal over de Tweede Wereldoorlog beter te kunnen overbrengen aan jongere generaties die Westerbork bezoeken. Het herinneringscentrum in Potocari kan de ervaringen van Westerbork gebruiken bij het inrichten van het herinneringscentrum en het als herinneringscentrum inrichten van de plaatsen waar zich traumatische gebeurtenissen, zoals de val van Srebrenica, hebben afgespeeld. Als tweede voorbeeld noem ik het voornemen om de in Frankrijk ontwikkelde tentoonstelling «Holocaust by bullets, The mass schooting of Jews in Ukraine 1941–1944» in het Nationaal Monument Kamp Vught te laten exposeren (in de periode begin september 2009 tot en met januari 2010). Deze tijdelijke tentoonstelling handelt over demassale moord op Joden door middel van executies tussen 1941 en 1944 in het gebied dat wij thans kennen als Oekraïne. Doel is om een tentoonstelling te presenteren die exemplarisch is voor de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa.

In dit kader wil ik ook de vertaling in het Duits, Hongaars en Pools van het stripboek «De Zoektocht» van de Anne Frank Stichting noemen. «De Zoektocht» is destijds tot stand gekomen met subsidie vanuit mijn voorlichtingsbeleid. Een proefoplage van deze strip is vorig jaar op een aantal scholen in Hongarije, Polen en Duitsland getest. Het aanvullend lesmateriaal wordt per land afzonderlijk ontwikkeld. Het Anne Frank Zentrum in Berlijn organiseert naar aanleiding van het succes van «De Zoektocht» in oktober 2008 een conferentie over de rol en inzet van strips binnen het onderwijs.

9. Betrokkenheid doelgroep

Graag wil ik op deze plaats nog eens benadrukken dat, ondanks het «rationele» karakter van veel van de maatregelen die ik heb genomen en nog zal nemen op het beleidsterrein van de Tweede Wereldoorlog, de gevoelens van de direct betrokkenen voor mij centraal blijven staan. Ik zie het als mijn opdracht om de principiële grondslagen van de zorg en aandacht voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II-ereschuld tegenover de deelnemers aan het verzet en bijzondere solidariteit met de vervolgings- en burger-oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden – ook zoveel jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog – springlevend te houden. Dat vraagt om een blijvend hoogstaande uitvoering van het wettelijk stelsel, om hulporganisaties die op hun taak berekend zijn, óók nu het aantal cliënten gestaag daalt en om een vitale infrastructuur op het terrein van «herdenken en vieren».

Maar deze initiatieven missen doel zonder de actieve steun van hen die de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog aan den lijve hebben ondervonden.

Voor het contact met de mensen waar het echt om gaat zijn de circa 150 actieve vrijwilligersorganisaties (lotgenotenorganisaties, kampcomités etc.) van doorslaggevend belang. Tegelijkertijd is duidelijk dat veel van deze organisaties door de hoge leeftijd van het kader in toenemende mate moeite hebben om (zelfstandig) te blijven functioneren. In 2005 heeft mijn ambtsvoorgangster, bij gelegenheid van 60 jaar Bevrijding, financiële middelen ter beschikking gesteld voor het veiligstellen van de nalatenschap van deze organisaties. Zij heeft u in de brief van 18 januari 2006 al bericht dat deze incidentele subsidiemogelijkheid zou worden verlengd tot en met 2010. Daarnaast heb ik aan de Stichting Pelita en de Stichting 1940–1945 geld ter beschikking gesteld om de vrijwilligersorganisaties administratief te kunnen ondersteunen.

Ook bij de ontwikkeling van de plannen om per 1 januari 2011 de wetsuitvoering wettelijk over te dragen van de PUR naar de SVB, heb ik in de afgelopen anderhalf jaar intensief contact gehad met de doelgroep. Ik heb overleg gevoerd met onder meer de cliëntenraad van de PUR en het Indisch Platform. Medewerkers van mijn ministerie hebben gesproken met vele individuele belanghebbenden en organisaties in binnen- en buitenland. Al die ontmoetingen hebben bijgedragen aan mijn definitieve plannen, zoals verwoord in mijn brief aan u van 17 juni 2008. Ik heb begin juli 2008 alle cliënten van de PUR een persoonlijke brief gestuurd waarin ik uitleg wat de bedoeling is van de voorgenomen verandering in de wetsuitvoering. Daarnaast heb ik door middel van interviews in zoveel mogelijk contactbladen van de sector een toelichting gegeven op de voorgenomen plannen. In de brief van 17 juni 2008 heb ik gemeld dat ondanks de intensieve communicatie niet iedereen binnen de doelgroep er gerust op is dat het nieuwe uitvoeringsmodel goed zal gaan werken. Er blijven verschillen van inzicht op concrete onderdelen van de nieuwe structuur. Voor een belangrijk deel gaat het volgens mij vooral om een – in deze fase lastig te overbruggen – kloof tussen «show me» en «trust me». Ik respecteer de twijfels die hier en daar binnen de doelgroep leven.

Ik trek daaruit de conclusie dat bij de concrete invulling van mijn plannen in de komende periode uiterste zorgvuldigheid moet worden betracht. Zoals ik eerder heb gezegd in het cliëntenblad van de PUR «Aanspraak»: als het goed is merkt u er helemaal niets van. De al eerder door mij aangekondigde instelling van een klankbordgroep met daarin vertegenwoordigers van de verschillende cliëntengroepen, zal hierbij een belangrijke rol kunnen spelen.

In mijn contacten met de doelgroep is mij opgevallen dat vaak andere thema’s de onrust aanwakkeren. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie in Israël, waar zorgen rondom de locatie van het Nederlands Informatie Kantoor (NIK) en de reikwijdte van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) leiden tot extra onrust. Ik heb aan de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd om zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen over de positie van het NIK. Omtrent de Wet BEU heb ik in Israël gemeld dat deze wet alleen geldt voor specifieke onderdelen van de sociale zekerheid en niet voor pensioenen en uitkeringen in het kader van de wetten voor oorlogsgetroffenen.

Vanzelfsprekend zal ik u op de hoogte blijven houden van alle ontwikkelingen op dit beleidsterrein.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M. Bussemaker

Naar boven