Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 oktober 2017
Op 13 september 2017 hebben de leden Van den Hul (Pvda) en Kuzu (DENK) tijdens een
overleg met de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken de niet volledige AOW-opbouw
die (voormalig) Nederlandse ingezetenen van Surinaamse herkomst ervaren, aan de orde
gesteld1. De situatie betreft ruim 28.000 Nederlandse ingezetenen van Surinaamse afkomst en
ongeveer 2.400 AOW-gerechtigden van Surinaamse afkomst die op dit moment in het buitenland
wonen. Deze (voormalig) ingezetenen hebben geen volledige AOW opgebouwd, als ze zich
na hun vijftiende levensjaar in Nederland hebben gevestigd. Voor elk jaar dat zij
vanaf hun vijftiende niet in Nederland woonachtig zijn, wordt hun AOW-pensioen met
twee procent gekort. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft tijdens het overleg
de toezegging gedaan om de geuite zorgen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) door te geven en hem om een reactie te vragen. Tijdens het overleg heeft de
Minister van Buitenlandse Zaken reeds antwoord gegeven op de vraag van het lid Van
den Hul over ouderen die in Nederland pensioen ontvangen, maar voor langere tijd naar
Suriname willen reizen. Omdat het beleid ten aanzien van de AOW onder mijn verantwoordelijkheid
valt zend ik u, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, deze reactie.
Het lid Van den Hul heeft gevraagd of er een oplossing is voor deze personen. Ik bericht
u hierbij dat er geen mogelijkheid bestaat voor een speciale regeling voor de niet
volledige AOW-opbouw van Nederlandse (voormalig) ingezetenen van Surinaamse herkomst.
De reden daarvoor is als volgt.
Een ingezetene van Nederland is verplicht verzekerd voor de AOW. Mensen die in het
buitenland wonen zijn niet verzekerd voor de AOW en betalen geen AOW-premie. Voor
ieder niet verzekerd jaar vindt een korting van het AOW-pensioen plaats met 2%. Mensen
die buiten Nederland woonden voordat zij zich in Nederland vestigden, zullen geen
volledige verzekeringsopbouw hebben bij het bereiken van de AOW-leeftijd. In de periode
tot aan de onafhankelijkheid van Suriname bouwde alleen een ingezetene van het Europese
deel van het Koninkrijk AOW-pensioen op. Dit was geregeld op grond van het Statuut
voor het Koninkrijk der Nederlanden met instemming van zowel Nederland als Suriname.
In latere instantie is dit bevestigd door de Hoge Raad in het arrest van 25 maart
1959 (BNB 1959/162). De staatkundige relatie tussen Nederland en Suriname (tot aan
de onafhankelijkheid van Suriname) heeft tot gevolg gehad dat Suriname steeds verantwoordelijk
is geweest voor het eigen sociaal zekerheidsstelsel. De Nederlandse overheid is daarom
voor de jaren dat personen in Suriname hebben gewoond, niet verantwoordelijk voor
de AOW. Het alsnog uitkeren van AOW aan deze (voormalig) ingezetenen zou daarnaast
leiden tot ongelijke behandeling met andere ingezetenen van niet-Nederlandse herkomst
en met mensen die als ingezetene gedurende hun werkzame leven een bijdrage hebben
geleverd aan de AOW.
Op 1 november 2007 oordeelde het toenmalige College Gelijke Behandeling2 dat er geen verboden onderscheid wordt gemaakt door voormalig Rijksgenoten (waaronder
Surinamers) die niet in het Europese gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden wonen,
niet onder de werkingssfeer van het wettelijke AOW-stelsel te brengen.
De Centrale Raad van Beroep heeft op 1 april 2016 ingestemd met het oordeel van de
rechtbank dat het betoog van appellant dat de uitleg van het begrip kring van verzekerden
in strijd is met artikel 6, eerste lid, EVRM faalt3. In deze uitspraak verwees de Raad naar zijn vaste rechtspraak waarin, in navolging
van de Hoge Raad, steeds is overwogen dat onder het begrip Rijk moet worden verstaan
het Rijk in Europa4.
In het verleden is het onderwerp AOW-tekort, ook dat van Nederlanders van Surinaamse
herkomst, uitgebreid parlementair behandeld. Voormalige bewindspersonen van het Ministerie
van SZW, de huidige Minister van SZW en ikzelf hebben uw Kamer hierover geïnformeerd
op 4 juli 20085, 20 november 20086, 26 april 2011 en 2 december 20157. Op 2 juli 2009, 4 november 2015 en op 10 februari 2016 heb ik gesproken met vertegenwoordigers
van de Vereniging Surinaamse Nederlanders (VSN).
Ik vind het voor de betrokken (voormalig) ingezetenen van belang dat zij een toereikende
oudedagvoorziening hebben. Voor zover het ingezetenen betreft wiens inkomen vanaf
de AOW-leeftijd lager is dan het sociaal minimum, kunnen zij middels een aanvullende
inkomensvoorziening ouderen (AIO) het inkomen aanvullen tot het sociaal minimum. Deze
voorziening kunnen zij aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma