nr. 113
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2004
Hierbij bied ik u aan, conform de Terms of Reference die u is toegestuurd
op 11 juli 2001, het rapport «Een belaste relatie, 25 jaar ontwikkelingssamenwerking
Nederland–Suriname, 1975–2000»1.
Tevens treft u aan het adviesrapport van de Surinaams–Nederlandse Referentiegroep,
alsmede een samenvatting van het rapport, evenals de eerdere versie van het
rapport zoals ik u toezegde tijdens het AO van 27 november 20031. Het rapport lessons learned
zal worden gebruikt voor de beleidsnotitie Suriname zoals toegezegd aan de
Tweede Kamer op 9 december 2003. Deze notitie zal de Kamer dit voorjaar worden
gezonden; in deze brief schets ik u enkele contouren hiervan.
Het proces van de lessons learned exercitie
heeft diverse stadia doorlopen, en heeft veel langer geduurd dan oorspronkelijk
door elk van de partijen bedoeld en gewenst was. Ondanks impasses en vertragingen
hebben mijn Surinaamse collega Minister Raghoebarsing en ik eraan vastgehouden
om naar een gezamenlijke afronding van de exercitie te blijven streven. Die
gezamenlijkheid vormt immers de meerwaarde van deze review. Minister Raghoebarsing
en ik zijn derhalve verheugd dat we er inderdaad in geslaagd zijn om in goede
samenwerking tot dit resultaat te komen.
Ik vind het een interessant, kritisch en nuttig rapport met waardevolle
conclusies. Met betrekking tot de 25 jaren (1975–2000) waarover het
rapport handelt worden door de beide auteurs, prof. D. Kruijt van Nederlandse
zijde en mw. Ir. M. Maks van Surinaamse zijde, diverse kritische aspecten
genoemd waarvan ik hier enkele kort wil weergeven. De auteurs geven aan dat
er in 'de continue relatie' die Suriname en Nederland kenmerkt veel discontinuïteit
geweest (drie keer eenzijdige opschorting), dat er een duidelijk spanningsveld
bestaat rond de gemeenschappelijkheid van de verdragsmiddelen, dat er verschillen
in interpretaties zijn aangaande de richting waarin de ontwikkelingen moesten
gaan.
Genoemd worden tevens de institutionele zwakte aan Surinaamse zijde, het
feit dat de Surinaamse economie zich tot 2000 in een neerwaartse spiraal bevond,
en het gebrek aan transparantie en duidelijkheid over de gemaakte afspraken.
Daarenboven was en bleef Nederland de belangrijkste donor voor Suriname, terwijl
Suriname in de loop der jaren steeds meer opgeschoven is in de richting van
een regulier partnerland voor Nederland. Al deze aspecten, waarvan de oorzaken
zowel bij Suriname als bij Nederland liggen, hebben uiteindelijk bepaald dat
de resultaten uitbleven die werden verwacht bij het onafhankelijk worden van
Suriname.
Nu, sinds de hervatting van de bilaterale relatie, is in het beleid tussen
de twee landen een positieve kentering zichtbaar. Er is afgestapt van de projectmatige
aanpak die de periode 1975–2000 typeerde, waarna met wederzijdse goedkeuring,
en de internationale trend volgend de sectorale benadering in Suriname is
ingevoerd. Ik wil op deze plaats benadrukken dat de lessons
learned exercitie zo ook was bedoeld, namelijk ter ondersteuning
van de hervatting van de OS relatie (2000) -en niet als evaluatie van de verdragen-,
op weg naar een meer duurzame besteding van de resterende verdragsmiddelen.
Deze opdracht staat ook duidelijk verwoord in de Terms of Reference van de lessons learned exercitie. Ik zie in het rapport een ondersteuning
van de afspraken die in 2000 zijn gemaakt tussen Suriname en Nederland bij
de hervatting van de hulprelatie: geïntegreerde programma's per sector
en voortouw alsmede prioriteitsstelling aan Surinaamse zijde.
En hoewel ook het starten en zich eigen maken van de sectorale benadering
een proces is van lange adem, iets wat overigens geldt voor alle landen waar
de sectorale benadering is ingevoerd, zijn er reeds enkele sectorstudies afgerond
en zal de sectorale benadering in 2004 meer vruchten gaan afwerpen. Er vinden
niet langer ad hoc activiteiten of projecten plaats, maar er is sprake van
een geïntegreerde aanpak gebaseerd op een lange termijn visie, waarbij
Suriname de prioriteiten stelt. Dit is een duidelijk contrast met de aanpak
tot 2000, waar de Nederlandse invloed op keuze voor projecten (te) duidelijk
aanwezig was.
De conclusies van het rapport zijn, zoals al aangegeven, waardevol en
schetsen duidelijk de randvoorwaarden waar de toekomstige relatie aan moet
voldoen. De beleidsnotitie zal inspelen op de conclusies. Aandacht zal, in
lijn met de ontwikkelingen van de laatste jaren, worden gegeven aan zaken
van wederzijds belang. Voorop staat dat Nederland zijn verdragsverplichtingen
wil en zal honoreren; binnen deze verdragsverplichtingen zal, zoals de laatste
tijd al meer het geval is, worden gekeken naar een verdere verankering van
de democratie en voor een versterking van de rechtstaat mede met het oog op
het bestrijden van de drugscriminaliteit. Ten aanzien van drugs en vele andere
onderwerpen geldt dat de oplossing niet in de bilaterale context kan worden
gezocht, maar dat een internationale benadering noodzakelijk is. Deze constatering
beïnvloedt in toenemende mate de inhoud van de relatie met Suriname en
heeft uiteraard de nodige beleidsconsequenties.
Naast de verdragsverplichtingen zullen de hechte banden tussen de Surinaamse
en Nederlandse samenleving een grote rol blijven spelen. Partnerschap kan,
mede gelet op deze hechte en veelsoortige banden in de relatie, een belangrijke
meerwaarde hebben. Wij zien de laatste jaren een toenemende betrokkenheid
van het Nederlands maatschappelijk middenveld, inclusief lokale overheden,
bij civil society in Suriname, hetgeen in de praktijk al tot eerste werkbare
partnerschappen heeft geleid.
Lessons Learned wijst op het belang van overeengekomen
uitgangspunten voor samenwerking, van goede communicatie en transparantie.
Ik onderstreep dit. Dergelijke principes, die van belang zijn in elke relatie,
werken immers productief. De relatie tussen Suriname en Nederland moet, aldus
Lessons Learned consistenter en voorspelbaarder. Deze conclusies waren al
getrokken bij het herstel van de relatie in 2000. Ik ben ervan overtuigd dat
Suriname en Nederland in de afgelopen drie en een half jaar dichter naar elkaar
toe zijn gegroeid en voor de toekomst op deze ingeslagen weg voort zullen
gaan.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A. M. A. van Ardenne-van der Hoeven