Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2009-2010 | 32123-XVI nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2009-2010 | 32123-XVI nr. B |
Vastgesteld 13 januari 2010
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin1 heeft op 13 oktober 2009 gesproken over de op 9 juni 2009 (31 700 XVI, 162) aan de Kamer voorgelegde wijzigingen van het Besluit afbreking zwangerschap.
Mede gelet op het verslag van het schriftelijk overleg tussen de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de commissie VWS van de Tweede Kamer (32 123 XVI, 4) heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 16 oktober 2009 een brief gestuurd aan de staatssecretaris.
Aansluitend daarop heeft de staatssecretaris aan de Kamer op 28 oktober 2009 laten weten de inwerkingtreding van de wijziging van het Besluit afbreking zwangerschap tot nader order op te schorten.
De staatssecretaris heeft op 12 januari 2010 gereageerd op de brief van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2009.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin,
Warmolt de Boer
BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Den Haag, 16 oktober 2009
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin heeft op 13 oktober 2009 gesproken over de op 9 juni 2009 (31. 700 XVI, 162) aan de Kamer voorgelegde wijzigingen van het Besluit afbreking zwangerschap (hierna: Baz). Mede gelet op het verslag van het schriftelijk overleg tussen u en de commissie VWS van de Tweede Kamer (32 123 XVI, 4) hebben leden van enige fracties besloten de hieronder opgenomen aanvullende vragen en opmerkingen onder uw aandacht te brengen. De commissie geeft hiermee invulling aan haar brief van 25 juni 2009 (kenmerk: 144260.01u), waarin het voorbehoud is gemaakt om na kennisneming van het overleg met de Tweede Kamer eventueel nog vragen te stellen over de voorgestelde wijzigingen. De commissie gaat er van uit dat de voorgestelde wijzigingen van Baz niet in werking zullen treden dan nadat de gestelde vragen naar tevredenheid zijn beantwoord.
De leden van de hierna genoemde fracties wensen de volgende vragen en opmerkingen aan u voor te leggen.
De leden van de fracties van CDA, ChristenUnie en SGPhadden de indruk, dat de voorgehangen wijziging van het Baz geen juridisch deugdelijke, althans geen voldoende uitvoering oplevert van het regeerakkoord op dit punt. Hun vragen hebben geen betrekking op de inhoudelijke beoordeling van dat akkoord, maar op de (juridische) vormgeving.
Doordat voorafgaand aan een overtijdbehandeling thans met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of een vrouw zwanger is, handelt de arts die die behandeling uitvoert binnen de reikwijdte van het eerste lid van artikel 296 Sr. Hij kan immers redelijkerwijs vermoeden dat door die behandeling de zwangerschap wordt afgebroken. Als de toepassing van de thans voor handen zijnde middelen tot vaststelling van zwangerschap achterwege is gebleven, is sprake van voorwaardelijke opzet. De arts kan zich dan ook alleen op het disculperende lid 5 van artikel 296 Sr beroepen, indien hij aan de zorgvuldigheidseisen van de Wet afbreking zwangerschap (hierna: Waz) heeft voldaan. Het valt niet in te zien, dat het bepaalde van artikel 3 Waz dan niet van toepassing zou zijn. Indien derhalve de regering beoogt in afwijking van de regels uit dat artikel een flexibele beraadtermijn te doen gelden, is dan deze wijziging van het Besluit afdoende? Door de medisch-technologische ontwikkelingen is het oorspronkelijk bestaande grijze gebied waardoor overtijdbehandelingen niet vielen binnen het bereik van artikel 296, eerste lid, Sr verdwenen en is die behandeling strafbaar indien niet conform het vijfde lid is voldaan aan de in de Waz neergelegde eisen. Komt de voorgestelde lijn dan niet neer op schepping van een gedoogsituatie? Dat zou de leden van genoemde fracties onwenselijk voorkomen, nog afgezien van de rechtsonzekerheid die een en ander met zich mee zou kunnen brengen.
De leden van de VVD-fractie vragen waarom de coalitie in het regeerakkoord de voorliggende wijziging heeft afgesproken. Daar moet toch een argument voor zijn? Deze leden willen dat argument graag horen. Naar de mening van deze leden is de huidige regeling – hoewel wellicht aansluitend bij de praktijk, maar die praktijk is eventueel ook voor verandering vatbaar – toch wat ruimer dan de voorliggende wijziging. Zijn er dan bewijzen voor dat de huidige regeling «misbruikt» wordt? Ook kunnen de leden van de VVD-fractie niet instemmen met wazig taalgebruik als zou de overtijdbehandeling «formeel niet, maar materieel wel» onder de Waz vallen. Dit zijn formuleringen die niet passen als het gaat om wetgeving. Hoe moet de praktijk hiermee omgaan? Het besluit dat voorhangt creëert geen duidelijkheid, maar juist onduidelijkheid. Verder sluit de VVD-fractie zich aan bij hieronder volgende vragen van de leden van de fractie van D66.
De leden van de fractie van de PvdA merken het volgende op. Met de voorgestelde wijziging valt de overtijdbehandeling strikt formeel buiten de reikwijdte van de Waz, maar functioneert feitelijk en materieel wel geheel binnen het kader van de Waz. Dit laatste betekent – als deze leden dat goed hebben begrepen – dat de zorgvuldigheidseisen die in de Waz zijn opgenomen materieel ook gelden voor de overtijdbehandeling. Verder is het zo dat een overtijdbehandeling op grond van artikel 296 Sr alleen mag worden verricht door een arts in een ziekenhuis die beschikt over een vergunning op grond van de Waz. Het is de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk wat het precies betekent dat de overtijdbehandeling formeel juridisch niet onder de Waz valt, maar feitelijk en materieel wel. Waarom is voor dit onderscheid gekozen? En zien de leden van deze fractie het goed dat de overtijdbehandeling met dit onderscheid strikt genomen niet onder het Wetboek van Strafrecht valt? En als deze constatering juist is, wat zijn hiervan de gevolgen? De staatssecretaris geeft aan dat een wetswijziging niet nodig is om de zorgvuldigheidseisen van de Waz toepassing te laten zijn op de overtijdbehandeling. Kan de staatssecretaris deze stellingname toelichten mede in het licht van de hiervoor geconstateerde onduidelijkheid.
Voorts willen de leden van de PvdA-fractie een nadere toelichting op de flexibele beraadtermijn.
Deze valt noch materieel noch formeel onder de Waz. Wat wordt onder een flexibele beraadtermijn verstaan? En als deze niet in de Waz is geregeld waar dan wel?
Het is de leden van de fractie van D66 (mede namens de leden van de fracties van Groenlinks en de SP) tot op heden onvoldoende duidelijk geworden wat nu de precieze redenen voor, en de gevolgen van de voorgenomen wijziging zijn. De aanleiding – de afspraak in het coalitieakkoord – zien deze leden als een politieke realiteit, maar inhoudelijk blijft het verhaal onhelder. De wijziging wordt voorgesteld als een codificatie van een bestaande, niet veranderende praktijk van de overtijdbehandeling. Het gaat om het bieden van een juridische grondslag in het Baz van de vaststelling van een zwangerschap en de bepaling van de duur daarvan. De achtergrond daarvan is de wettelijke zorgvuldigheidseisen van de Waz voluit van toepassing te laten zijn op de overtijdbehandeling. Blijkbaar wil het kabinet de overtijdbehandeling formeel onder de werking van de Waz brengen. Feitelijk en materieel functioneert de overtijdbehandeling kennelijk binnen het kader van de Waz, maar puur formeel valt de overtijdbehandeling thans buiten de reikwijdte van de Waz. In de visie van het kabinet: de overtijdbehandeling valt juridisch buiten de grenzen van de Waz, maar de uitvoering van de overtijdbehandeling moet wel aan de zorgvuldigheidseisen van deze wet voldoen. Abstraherend van het coalitieakkoord en bezien vanuit een meer rationeel en objectief gezichtspunt rijst bij deze leden de vraag voor welk inhoudelijk probleem de voorgestelde regeling nu precies een oplossing biedt en wat nu precies de juridische gevolgen zijn van de voorgestelde wijziging.
De commissie ziet een spoedige beantwoording met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin,
T. M. Slagter-Roukema
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Den Haag, 28 oktober 2009
Gelet op het feit dat de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin van uw Kamer heeft aangegeven nog vragen te zullen stellen over de wijziging van het Besluit afbreking zwangerschap, laat ik u hierbij weten dat ik de inwerkingtreding van dit besluit dat eerder was voorzien voor 1 november 2009 tot nader order opschort.
Ik vertrouw erop u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 januari 2010
Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Justitie, de antwoorden op de vragen en opmerkingen van de fracties van CDA, ChristenUnie, SGP, VVD, PvdA, D66, GroenLinks en SP inzake de voorgenomen wijzing van het Besluit afbreking zwangerschap.
Vooruitlopend op deze beantwoording heb ik de Eerste Kamer reeds medegedeeld dat de inwerkingtreding van het besluit tot nader order is opgeschort.
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II. Reactie van de staatssecretaris
I Vragen en opmerking vanuit de fracties
De leden van de fracties van CDA, ChristenUnie en SGP hadden de indruk, dat de voorgehangen wijziging van het Baz geen juridisch deugdelijke, althans geen voldoende uitvoering oplevert van het regeerakkoord op dit punt. Hun vragen hebben geen betrekking op de inhoudelijke beoordeling van dat akkoord, maar op de (juridische) vormgeving.
Doordat voorafgaand aan een overtijdbehandeling thans met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of een vrouw zwanger is, handelt de arts die die behandeling uitvoert binnen de reikwijdte van het eerste lid van artikel 296 Sr. Hij kan immers redelijkerwijs vermoeden dat door die behandeling de zwangerschap wordt afgebroken. Als de toepassing van de thans voor handen zijnde middelen tot vaststelling van zwangerschap achterwege is gebleven, is sprake van voorwaardelijke opzet. De arts kan zich dan ook alleen op het disculperende lid 5 van artikel 296 Sr beroepen, indien hij aan de zorgvuldigheidseisen van de Wet afbreking zwangerschap (hierna: Waz) heeft voldaan. Het valt niet in te zien, dat het bepaalde van artikel 3 Waz dan niet van toepassing zou zijn. Indien derhalve de regering beoogt in afwijking van de regels uit dat artikel een flexibele beraadtermijn te doen gelden, is dan deze wijziging van het Besluit afdoende? Door de medisch-technologische ontwikkelingen is het oorspronkelijk bestaande grijze gebied waardoor overtijdbehandelingen niet vielen binnen het bereik van artikel 296, eerste lid, Sr verdwenen en is die behandeling strafbaar indien niet conform het vijfde lid is voldaan aan de in de Waz neergelegde eisen. Komt de voorgestelde lijn dan niet neer op schepping van een gedoogsituatie? Dat zou de leden van genoemde fracties onwenselijk voorkomen, nog afgezien van de rechtsonzekerheid die een en ander met zich mee zou kunnen brengen.
De leden van de VVD-fractie vragen waarom de coalitie in het regeerakkoord de voorliggende wijziging heeft afgesproken. Daar moet toch een argument voor zijn? Deze leden willen dat argument graag horen. Naar de mening van deze leden is de huidige regeling – hoewel wellicht aansluitend bij de praktijk, maar die praktijk is eventueel ook voor verandering vatbaar – toch wat ruimer dan de voorliggende wijziging. Zijn er dan bewijzen voor dat de huidige regeling «misbruikt» wordt? Ook kunnen de leden van de VVD-fractie niet instemmen met wazig taalgebruik als zou de overtijdbehandeling «formeel niet, maar materieel wel» onder de Waz vallen. Dit zijn formuleringen die niet passen als het gaat om wetgeving. Hoe moet de praktijk hiermee omgaan? Het besluit dat voorhangt creëert geen duidelijkheid, maar juist onduidelijkheid. Verder sluit de VVD-fractie zich aan bij hieronder volgende vragen van de leden van de fractie van D66.
De leden van de fractie van de PvdA merken het volgende op. Met de voorgestelde wijziging valt de overtijdbehandeling strikt formeel buiten de reikwijdte van de Waz, maar functioneert feitelijk en materieel wel geheel binnen het kader van de Waz. Dit laatste betekent – als deze leden dat goed hebben begrepen – dat de zorgvuldigheidseisen die in de Waz zijn opgenomen materieel ook gelden voor de overtijdbehandeling. Verder is het zo dat een overtijdbehandeling op grond van artikel 296 Sr alleen mag worden verricht door een arts in een ziekenhuis die beschikt over een vergunning op grond van de Waz. Het is de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk wat het precies betekent dat de overtijdbehandeling formeel juridisch niet onder de Waz valt, maar feitelijk en materieel wel. Waarom is voor dit onderscheid gekozen? En zien de leden van deze fractie het goed dat de overtijdbehandeling met dit onderscheid strikt genomen niet onder het Wetboek van Strafrecht valt? En als deze constatering juist is, wat zijn hiervan de gevolgen? De staatssecretaris geeft aan dat een wetswijziging niet nodig is om de zorgvuldigheidseisen van de Waz toepassing te laten zijn op de overtijdbehandeling. Kan de staatssecretaris deze stellingname toelichten mede in het licht van de hiervoor geconstateerde onduidelijkheid.
Voorts willen de leden van de PvdA-fractie een nadere toelichting op de flexibele beraadtermijn. Deze valt noch materieel noch formeel onder de Waz. Wat wordt onder een flexibele beraadtermijn verstaan? En als deze niet in de Waz is geregeld waar dan wel?
Het is de leden van de fractie van D66 (mede namens de leden van de fracties van GroenLinks en de SP) tot op heden onvoldoende duidelijk geworden wat nu de precieze redenen voor, en de gevolgen van de voorgenomen wijziging zijn. De aanleiding – de afspraak in het coalitieakkoord – zien deze leden als een politieke realiteit, maar inhoudelijk blijft het verhaal onhelder. De wijziging wordt voorgesteld als een codificatie van een bestaande, niet veranderende praktijk van de overtijdbehandeling. Het gaat om het bieden van een juridische grondslag in het Baz van de vaststelling van een zwangerschap en de bepaling van de duur daarvan. De achtergrond daarvan is de wettelijke zorgvuldigheidseisen van de Waz voluit van toepassing te laten zijn op de overtijdbehandeling. Blijkbaar wil het kabinet de overtijdbehandeling formeel onder de werking van de Waz brengen. Feitelijk en materieel functioneert de overtijdbehandeling kennelijk binnen het kader van de Waz, maar puur formeel valt de overtijdbehandeling thans buiten de reikwijdte van de Waz. In de visie van het kabinet: de overtijdbehandeling valt juridisch buiten de grenzen van de Waz, maar de uitvoering van de overtijdbehandeling moet wel aan de zorgvuldigheidseisen van deze wet voldoen. Abstraherend van het coalitieakkoord en bezien vanuit een meer rationeel en objectief gezichtspunt rijst bij deze leden de vraag voor welk inhoudelijk probleem de voorgestelde regeling nu precies een oplossing biedt en wat nu precies de juridische gevolgen zijn van de voorgestelde wijziging.
II Reactie van de staatssecretaris
Fracties van CDA, ChristenUnie en SGP
De leden van deze fracties hebben de indruk dat de voorgehangen wijziging van het Besluit afbreking zwangerschap (hierna het Baz) geen juridisch deugdelijke uitvoering oplevert van de in het regeerakkoord gemaakte afspraak over de overtijdbehandeling. Deze leden hebben met name vragen over de juridische vormgeving van de uitvoering van de gemaakte afspraak.
Zo vragen deze leden zich af of de wijziging van de Baz afdoende is om een flexibele beraadtermijn te laten gelden voor de overtijdbehandeling. Bedoelde leden wijzen er bij hun vraag op dat naar hun mening de vaste beraadtermijn, die vastgelegd is in artikel 3 van de Wet afbreking zwangerschap (hierna: de Waz), ook van toepassing is bij het verrichten van een overtijdbehandeling op grond van artikel 296, eerste en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In antwoord hierop kan ik deze leden melden dat voor het verrichten van een overtijdbehandeling op grond van artikel 296, eerste en vijfde lid, de vaste beraadtermijn niet geldt.
Het verrichten van een overtijdbehandeling valt onder artikel 296, eerste lid, doch is niet strafbaar als aan de vereisten van het vijfde lid, is voldaan. In het vijfde lid is bepaald dat de handeling verricht moet worden door een arts in een ziekenhuis of een kliniek waar een dergelijke handeling mag worden verricht volgens de Waz. Concreet betekent dit dat de overtijdbehandeling moet worden verricht door een arts in een ziekenhuis of een kliniek met een vergunning op grond van de Waz. Op grond van de Waz wordt een dergelijke vergunning verstrekt indien door het ziekenhuis of de kliniek aannemelijk is gemaakt dat aan de in artikelen 5, eerste lid, of 6 van de Waz bedoelde eisen zal worden voldaan.
Het Besluit afbreking zwangerschap (hierna: Baz) is onder andere een uitwerking van artikel 5, eerste lid, van de Waz. Hoewel het ziekenhuis en de kliniek er op grond van het Baz voor moeten zorg dragen dat de vrouw tot een zorgvuldige besluitvorming kan komen, is het aanhouden van een vaste beraadtermijn geen vereiste voor de afgifte van een vergunning op grond van de Waz. Dit leidt ertoe dat voor de overtijdbehandeling de vaste beraadtermijn niet geldt, terwijl de overige zorgvuldigheidseisen neergelegd in de Waz en de Baz materieel wel van toepassing zijn op de overtijdbehandeling.
Voorts vragen de bovengenoemde leden of de voorgestelde wijziging van de Baz niet neerkomt op het scheppen van een gedoogsituatie, hetgeen zij onwenselijk vinden. In reactie daarop kan ik hen het volgende melden. Sinds de inwerkingtreding van de Waz en artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht is het al zo dat de overtijdbehandeling niet onder de Waz valt, doch wel onder artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht. In vijfde lid van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht is geregeld welke vereisten gelden bij de uitvoering van een overtijdbehandeling. Daar komt door de voorgelegde wijziging van het Baz geen verandering in. Door de wijziging van het Baz ontstaat er dus geen gedoogsituatie met betrekking tot de overtijdbehandeling.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de argumenten voor de voorgenomen wijziging en de gevolgen voor de bestaande praktijk.
De overtijdbehandeling is sinds de inwerkingtreding van de Wet afbreking zwangerschap regelmatig onderwerp van debat geweest. Medisch kon niet met zekerheid worden vastgesteld of een vrouw in de eerste 16 dagen overtijd ook daadwerkelijk zwanger was. Om die reden is de overtijdperiode altijd buiten de reikwijdte van de Waz gebleven. Uit de evaluatie van de Waz komt naar voren dat het met de huidige technologische middelen mogelijk is een zeer vroege zwangerschap vast te stellen. De twijfel die voorheen zou kunnen bestaan over een eventuele zwangerschap is daarmee weggenomen. Het is zorgvuldig deze ontwikkeling vast te leggen. Door in het besluit op te nemen dat het ziekenhuis, onderscheidenlijk de kliniek de duur van de zwangerschap moet vaststellen, wordt aan deze zorgvuldigheid tegemoet gekomen. Niet zwangere vrouwen worden dan ook niet behandeld.
Overtijdbehandelingen en abortussen vinden in de Nederlandse situatie altijd plaats in een kliniek met een vergunning op grond van de Waz. Dit is een uitvloeisel van het feit dat op grond van het eerste en het vijfde lid van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht het verboden is een zwangerschap af te breken of vermoedelijk een zwangerschap af te breken indien dat niet geschiedt in een ziekenhuis of een kliniek die beschikt over een dergelijke vergunning. Alvorens de overtijdbehandeling uit te voeren wordt in de praktijk eerst vastgesteld of er al dan niet sprake is van een zwangerschap. Als dat het geval is en de vrouw is weloverwogen tot het besluit gekomen dat ze de zwangerschap wil laten afbreken, dan vindt de overtijdbehandeling plaats. De wijziging van het besluit heeft dan ook geen gevolgen voor de huidige abortuspraktijk.
Bovengenoemde leden hebben aangegeven bezwaar te hebben tegen de formulering in de nota van toelichting waarin wordt vermeld dat de overtijdbehandeling formeel niet onder de Waz valt, doch dat de zorgvuldigheidseisen van de Waz materieel wel gelden voor de overtijdbehandeling. Dit is een andere omschrijving van het feit dat de Waz niet van toepassing is op de overtijdbehandeling, doch dat op grond van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht wel de zorgvuldigheidseisen van de Waz materieel van toepassing zijn op de overtijdbehandeling, met uitzondering van de vaste beraadtermijn. Dit betekent in de praktijk dat bij de overtijdbehandeling de in het Baz neergelegde zorgvuldigheidseisen in acht genomen worden.
Het is juist dat met de voorgestelde wijziging de overtijdbehandeling strikt formeel buiten de reikwijdte van de Waz blijft vallen, maar feitelijk en materieel wel binnen het kader van de Waz functioneert met uitzondering van de vaste beraadtermijn. Dit komt omdat de Waz niet van toepassing is op de overtijdbehandeling en omdat op grond van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht een overtijdbehandeling slechts mag plaatsvinden in een ziekenhuis of een kliniek die beschikt over een vergunning op grond van de Waz. Deze vergunning wordt slechts verstrekt als aan de zorgvuldigheidseisen van de Waz en Baz is voldaan. Dit heeft tot gevolg dat de zorgvuldigheidseisen van de Waz met uitzondering van de vaste beraadtermijn materieel van toepassing zijn op de overtijdbehandeling. Hierbij zij opgemerkt dat artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht geen eisen stelt met betrekking tot een aan te houden beraadtermijn voordat de zwangerschapsafbreking wordt uitgevoerd. Dit betekent dat voor de overtijdbehandeling feitelijk een volledig flexibele beraadtermijn geldt.
Het bovenstaande is een beschrijving van de wettelijke regels met betrekking tot de overtijdbehandeling zoals deze gelden vanaf het moment dat de Waz inwerking is getreden. In de huidige praktijk vinden overtijdbehandelingen dan ook alleen plaats in ziekenhuizen en klinieken met een vergunning. De voorliggende wijziging van het Baz verandert aan het gemaakte onderscheid tussen het wettelijk stelsel van de Waz en het Wetboek van Strafrecht niets, maar legt slechts vast dat de duur van de zwangerschap moet worden vastgesteld. In de huidige praktijk wordt iedere zwangerschapsafbreking voorafgegaan door een vaststelling van de zwangerschap en de duur daarvan. De plicht hiertoe was echter niet wettelijk vastgelegd. De voorliggende wijziging voorziet hierin.
De constatering van deze leden dat de overtijdbehandeling door het bovengenoemd onderscheid te maken niet onder het Wetboek van Strafrecht valt, is niet juist. Zoals ik hierboven al heb opgemerkt valt de overtijdbehandeling juist wel onder het Wetboek van Strafrecht. Dit is ook wenselijk omdat de overtijdbehandeling niet onder de Waz valt.
Voor de overtijdbehandeling werd en wordt een flexibele beraadtermijn gehanteerd en voor een abortus gold en geldt een beraadtermijn van vijf dagen. Een flexibele beraadtermijn is die termijn die de vrouw, in overleg met de arts, nodig heeft om tot een weloverwogen besluit te komen. Deze flexibele beraadtermijn wordt alleen gehanteerd voor de overtijdbehandeling en valt daardoor buiten artikel 3 van de Waz. Zie voor verdere uitleg mijn antwoord op de vraag van de CDA, ChristenUnie en SGP.
Fracties van D66, GroenLinks en SP
Deze fracties vragen voor welk probleem de voorgelegde regeling een oplossing biedt en wat de juridische gevolgen van de wijziging zijn.
In reactie hierop merk ik op dat deze regeling is opgesteld ter uitvoering van de in het Coalitie-akkoord gemaakte afspraak met betrekking tot de overtijdbehandeling. Door de wijziging van het Baz ontstaat formeel de plicht om voorafgaand aan de zwangerschapsafbreking de duur van de zwangerschap vast te stellen. Hoewel dit in de uitvoeringspraktijk al staande praktijk is, bestond de wettelijk plicht daartoe nog niet. Het is van belang om de duur van de zwangerschap vast te stellen, omdat het daarvan afhankelijk is welk regime en welke behandelmethode voor de desbetreffende zwangerschapsafbreking geldt. Zo kan een overtijdbehandeling door middel van een zuigcurettage of een abortuspil worden uitgevoerd. Het juridisch gevolg van de wijziging van het Baz is dat het niet meer aan de individuele beoordeling van de arts wordt overgelaten of hij het nodig acht de duur van de zwangerschap zo exact mogelijk te bepalen of niet.
Samenstelling:
Werner (CDA), Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD), (vice-voorzitter), Rosenthal (VVD), Swenker (VVD), Tan (PvdA), Van de Beeten (CDA), Slagter-Roukema (SP), (voorzitter), Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Putters (PvdA), Hamel (PvdA), Engels (D66), Thissen (GL), Goyert (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP), Huijbregts-Schiedon (VVD), Laurier (GL), Ten Horn (SP), Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Boer (CU), Yildirim (Fractie-Yildirim), Flierman (CDA) en Benedictus (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-20092010-32123-XVI-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.