B
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 oktober 2009
In uw brief van 17 maart 2009 aan de Minister-President (Kamerstukken
I 2008/09, 31 700 VI, K, blz. 5) vraagt u de regering om een reactie
op de in de brief genoemde argumenten. Tevens vraagt u of de regering aanleiding
ziet om de Aanwijzingen voor de regelgeving aan te passen voor wat betreft
het moment van voorhang. De Minister-President verzocht de Minister van Justitie
uw brief te beantwoorden.
Het onderwerp voorhang is de afgelopen tijd op diverse momenten in het
contact met uw Kamer aan de orde geweest, recent nog in de motie-Asscher c.s.
(Kamerstukken I 2008/09, 31 804, F) en in een briefwisseling tussen de
Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid en de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de voorhang van het ontwerpbesluit
tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten
kinderopvang.
Naar de mening van uw Kamer is de brief van 22 januari 2009 (Kamerstukken
I 2008/09, 31 700, K, blz. 2–3) van de directie Wetgeving
van het Ministerie van Justitie aan de Griffier van de Eerste Kamer op het
punt van de rol van de Eerste Kamer bij voorhang iets te ongenuanceerd omdat
er, zelfs bij een «lichte» voorhang, praktisch steeds bemoeienis
is met de inhoud van de voorgehangen maatregel. Met de opmerking over de rol
van de Eerste Kamer is niet meer beoogd dan het markeren van de staatsrechtelijke
positie van de Kamers bij de beoordeling van de voorgehangen ontwerpregelingen:
de Kamers hebben niet het recht van amendement en een voorgehangen ontwerpregeling
wordt niet in stemming gebracht. Dat de voorhangprocedure in de praktijk feitelijk
kan werken als een alternatief voor de rol als medewetgever die het parlement
zou hebben in het geval er een wetsvoorstel zou zijn ingediend, doet daar
niet aan af. Naar ik meen bestaat er tussen ons geen verschil van mening over
de mate van bemoeienis die de Kamer kan hebben met de voorgehangen ontwerpregeling.
Deze kan zo intensief zijn als de Kamer zelf wenst.
Ik meen dat de staatsrechtelijke zuiverheid er niet aan in de weg staat
dat de voorhang reeds geschiedt op het moment dat de funderende wet nog niet
tot stand is gekomen. Het voorhangen van de ontwerp-amvb is een feitelijke
handeling, die op zichzelf geen wettelijke grondslag behoeft. Voorhangen van
de ontwerp-amvb voordat de funderende wet is aangenomen, maakt de latere amvb
dus niet onverbindend. Wezenlijk is dat de voordracht van de amvb niet wordt
gedaan dan nadat de feitelijke handeling van voorhang is verricht en de beide
Kamers de gelegenheid hebben gehad hun reactie te geven. De amvb zelf kan
vervolgens niet in werking treden zolang de delegerende wet niet in werking
is getreden. Dit wordt beoordeeld naar het moment waarop de amvb verbindende
kracht krijgt.
Dat neemt niet weg dat aan de werkbaarheid van de procedure van voorhang
bijzonder gewicht moet worden toegekend. Een werkbare manier van voorhangen –
naast de bij de brief van de directie Wetgeving van 22 januari jl. toegevoegde
eenduidige en informatieve modellen voor aanbiedingsbrieven – is dat
voorhang – in beginsel – enkel plaatsvindt nadat het wetsvoorstel
in de Tweede Kamer is aangenomen. Dan staat – indien de wet ook daadwerkelijk
tot stand komt – de reikwijdte van de delegatiebepaling vast. Het is
voor een voortvarende procedure wel van belang dat met het doen van de voordracht,
en daarmee met het aanhangig maken bij de Raad van State, niet te lang behoeft
te worden gewacht. Voorafgaand daaraan zal de daadwerkelijke voorhang moeten
plaatsvinden. In het kader van de voorhang kunnen de Eerste en de Tweede Kamer
der Staten-Generaal ten volle hun wensen en bedenkingen met betrekking tot
de ontwerp-amvb ter kennis brengen van de regering. Op die wijze kan worden
recht gedaan aan het oordeel van het parlement. Voor een goede beoordeling
is niet nodig steeds ook de volledige parlementaire behandeling van het wetsvoorstel
in de Eerste Kamer af te wachten. Dat zou er in veel gevallen toe kunnen leiden
dat een voor de inwerkingtreding van een wet essentiële amvb pas geruime
tijd na de wet tot stand kan komen en de wet daardoor pas later in werking
kan treden. In het – naar ik vermoed – vrij uitzonderlijke geval
waarin de gedachtewisseling leidt tot inzichten over de uitleg van de delegatiebepaling
die afwijken van datgene waarvan de regering bij het opstellen van de ontwerp-amvb
is uitgegaan, kan zo nodig de ontwerp-amvb alsnog worden aangepast. Daar zal
nog voldoende tijd voor beschikbaar zijn, omdat de amvb pas in werking kan
treden nadat ook de wet in werking is getreden.
U merkt in uw brief op dat het invoeren van vaste verandermomenten het
argument van vertraging minder overtuigend maakt. Het stelsel van vaste verandermomenten
beoogt onder meer de samenleving een ruime termijn te geven zich in te stellen
op nieuwe wetgeving. Daarbij gaat het vaak om een complex van formele en gedelegeerde
wetgeving. Indien de gedelegeerde wetgeving aanzienlijk later tot stand komt
dan de formele wetgeving, kan het noodzakelijk worden om het eerstvolgende
vaste verandermoment, ook al lag dat voldoende lang na het tot stand komen
van de formele wet, toch voorbij te laten gaan en pas van de volgende mogelijkheid
van inwerkingtreding gebruik te maken. Doorgaans is dat een half jaar later,
maar het kan ook (bijv. bij onderwijswetgeving door de koppeling aan het begin
van een school- of studiejaar of bij bekostigingsregelgeving) een heel jaar
later zijn. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke vertragingen het systeem
van vaste verandermomenten onder druk zullen zetten.
Het is mijn voornemen de hier voor beschreven gedragslijn met betrekking
tot het moment van voorhangen van een gedelegeerde regelgeving te verwerken
in een aanpassing van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Op
die manier wordt een evenwicht bereikt tussen snelheid en zorgvuldigheid in
het wetgevingsproces.
De staatssecretaris van Justitie,
N. Albayrak