31 821
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing)

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPSBELEID1

Vastgesteld 27 oktober 2009

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleidend

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling, maar ook met zorg kennis genomen van het gewijzigd voorstel van wet, de dienaangaande uitgebrachte adviezen en de behandeling in de Tweede Kamer. Het wetsontwerp regelt een aantal zaken waar deze leden mee in kunnen stemmen. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer echter is een aantal amendementen aangenomen, dat op gespannen voet lijkt te staan met de uitgangspunten van de wet. Ook de hoogte van het collegegeld voor de tweede studie behoeft nadere aandacht. Daarnaast zijn er indicaties dat de wet nog enkele technische tekortkomingen bevat, met name betreffende de organisatie van de medezeggenschap bij de Open Universiteit.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het uitgangspunt van de wet, zoals door de regering verwoord: handhaving van relatief autonome instelling van hoger onderwijs en onderzoek, onder toezicht van een raad van toezicht, met een heldere scheiding tussen bestuur en medezeggenschap. Daarmee wordt voortgebouwd op de hervorming die met de wet MUB (Modernisering universitair bestuur) is doorgevoerd. Er is ook het nodige bewijs dat autonome instellingen voor hoger onderwijs succesvoller zijn dan sterk door de staat gecontroleerde instellingen. In dit licht springt een tweetal amendementen van de Tweede Kamer in het oog, waarover deze leden nog vragen hebben.

In het wetsvoorstel worden de volgende onderwerpen geregeld of gewijzigd: goed bestuur en medezeggenschap, rechten en plichten van studenten, collegegeldsystematiek, kwaliteit(examens en accreditatie), internationalisering (joint degrees, onderwijs in het buitenland, erkenning van verworven competenties (EVC), onderzoekstaken van hogescholen, rechtspositie van hoger onderwijs en vereenvoudiging van regelgeving.

De leden van de VVD-fractie staan positief tegenover de voorgestelde aanpassingen in deze wetswijziging. De strikte interne scheiding tussen bestuur en toezicht, de vereenvoudiging van de regelgeving, de verheldering van de rechten en plichten van de studenten heeft de instemming van deze leden.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het wijzigingsvoorstel van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De voorstellen komen tegemoet aan wensen van het hoger onderwijs om de internationalisering te bevorderen, het bestuur is in lijn gebracht met de feitelijke praktijk. Het bevreemdt de leden van de fractie van de PvdA dat wederom is gekozen voor een verzamelwet waarin zeer uiteenlopende aspecten van het hogere onderwijs worden behandeld. Het wetsvoorstel omvat zoals gezegd een groot aantal uiteenlopende wijzigingen. Vele onderdelen zijn uitvoerig aan de orde geweest in de Tweede Kamer en zijn aanleiding geweest tot verbeteringen en aanscherpingen. De leden van de fractie van de PvdA willen nog enkele vragen stellen over de uitgangspunten voor goed bestuur, de collegegelden, het professioneel manifest, de internationalisering en de invoeringstermijnen.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP beperken hun inbreng tot de collegegeldsystematiek voor dubbele studies en steun aan studenten van buiten Europa. Ze vrezen dat dit wetsvoorstel leidt tot verschraling van universitaire studies en tot het missen van uitdagingen voor getalenteerde studenten.

De leden van de fractie van D66 hebben met kritische belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel dat strekt tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot het hoger onderwijs. De leden hebben voornamelijk vragen over het voorstel om het wettelijk collegegeld slechts te behouden voor de eerste bachelor en master die een student volgt. In de andere gevallen moet de instelling zelf het tarief voor de opleiding vaststellen. Dat kan oplopen tot bedragen die het tienvoudige van het wettelijk collegegeld zijn. De leden van de fractie vrezen dat ambitie door het voorstel ontmoedigd wordt.

2. Collegegeld voor de tweede studie en ontwikkeling van talent

Met deze wet wordt het uitgangspunt geïntroduceerd dat voor studenten één bachelor en één masterdiploma uit publieke middelen wordt bekostigd, aldus de leden van de CDA-fractie. Studenten die tegelijkertijd twee studies volgen betalen echter slechts éénmaal het wettelijk collegegeld. Deze bepaling kan tot strategisch gedrag leiden. Het afstuderen in de eerste opleiding wordt uitgesteld om te voorkomen dat men voor de tweede opleiding het instellingscollegegeld verschuldigd is. Dat is voor de universiteiten onaantrekkelijk omdat zij zo vertraagd bekostiging ontvangen, en rendementscijfers vertekend raken.

Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie bestaat er brede consensus over het uitgangspunt dat getalenteerde studenten, die twee studies tegelijkertijd volgen, daarin gestimuleerd moeten worden. Maatregelen die dat belemmeren zijn dan ook ongewenst. Weliswaar zijn er op dit punt tussen de minister en de koepels van HBO en universiteiten afspraken gemaakt, maar die hebben geen bindende werking. In dit kader vragen de leden zich af of de regeling niet zo kan worden toegepast, dat studenten die met hun tweede studie begonnen zijn voor de eerste is afgerond, en aansluitend verder studeren, c.q. een tweede master onmiddellijk aansluitend op de eerste aanvangen, tenminste twee jaren na het behalen van de graad in hun eerste opleiding, het wettelijk collegegeld betalen. Deze toepassing zou naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie in een formele regeling, en niet op basis van vrijwilligheid moeten worden vastgelegd.

De leden van de VVD-fractie hebben nog wel enige opmerkingen met betrekking tot de bepalingen inzake het collegegeld. Er is, zo merken deze leden op, enige discussie ontstaan of de voorgestelde wijzigingen er daadwerkelijk toe zullen leiden dat minder studenten een tweede opleiding zullen gaan volgen wanneer zij bij die tweede opleiding geconfronteerd zullen worden met het instellings-collegegeld. Deze leden zijn van mening dat zeker gelet op de komende discussie over de toekomst van de studiefinanciering een complete invoering van een «sociaal» leenstelsel de voorkeur heeft. Het investeren in jezelf, zeker nadat de eerste opleiding stevig van overheidswege gefinancierd is, is een juist uitgangspunt.

Daarnaast vinden de leden van de VVD-fractie het opmerkelijk dat van verschillende kanten is opgemerkt dat de bepalingen over de betaling van instellingscollegegeld eenvoudig te omzeilen zijn indien de student die aan een tweede opleiding begint wacht met het voltooien van de eerste opleiding. Het kan, zo menen deze leden, toch niet de bedoeling van de wetgever zijn, een bepaling in de wet op te nemen die gemakkelijk te vermijden valt!

Over de voorgestelde wijzigingen is al veel gesproken en geschreven. Kan de regering de leden van de PvdA-fractie uiteenzetten hoe met dit voorstel – één bachelor/één master – kan worden voorkomen dat getalenteerde studenten die bewust voor een tweede studie kiezen, op hoge kosten worden gejaagd. Bereiken we met dit voorstel niet juist een onbedoeld resultaat: financiële drempels opwerpen voor studenten die juist zeer gemotiveerd zijn om een studie te volgen? Kan de regering een indicatie geven van de opbrengsten en kosten van deze maatregel? Hoeveel studenten maken nu gebruik van de mogelijkheid van een tweede bachelor of master? Wat gaat het een gemiddelde student extra kosten, wat gaat het de instelling kosten dan wel opbrengen? In het voorstel wordt gesteld dat de hoogte van het instellingscollegegelden een zaak is van de instellingen zelf en dat het wettelijk collegegeld als minimum geldt, zijn er ook maxima aan het instellingscollegegeld verbonden? Als dat het geval is, wat is dan het maximum en zo niet wat zijn de overwegingen geweest om dat niet te doen?

De leden van de fractie van de PvdA gaat er vanuit dat met deze wijziging een overstap van HBO naar WO duurder wordt voor met name die studenten die na het HBO opnieuw een bachelor aan de universiteit moeten halen om voor een universitaire master in aanmerking te komen. Is dat een terechte veronderstelling? Hoe verhoudt het principe van één bachelor/één master zich met het belang van lange leerlijnen en het gegeven dat juist studenten met minder kansen aan het begin van hun schoolcarrière een grote inhaalslag maken door verschillende schoolsoorten te doorlopen dan wel pas later in hun studie weten welke richting ze precies willen kiezen. Overigens geldt het keuze probleem voor veel studenten. Deze route is ook belangrijk voor studenten met een allochtone achtergrond. Graag horen zij hoe de regering aankijkt tegen deze gevolgen van de voorgestelde wijzigingen.

In het voorstel worden onderwijs en zorg opleidingen uitgezonderd van dit uitgangspunt. Kan de regering de leden van de PvdA-fractie uiteenzetten waarom voor deze uitzonderingen is gekozen. Natuurlijk zijn deze opleidingen van groot maatschappelijk belang, maar dat kan ook gezegd worden van enkele technische studies (daar is nu een groot tekort). Is het niet een willekeurige keuze?

Op de universiteiten is volgens de leden van de PvdA-fractie met veel inzet gewerkt aan de ontwikkeling van een onderzoeksmaster. Deze master past in het beleid van het kabinet om meer te doen aan de infrastructuur voor kennis en onderzoek. Studenten kiezen in veel gevallen pas in tweede instantie dus na een gewone master voor een onderzoeksmaster. Moeten studenten in zo’n geval het instellingscollegegeld betalen?

De leden van de fractie van de PvdA zouden ook graag meer inzicht willen krijgen in de situatie die door dit voorstel kan ontstaan en wel dat studenten hun eerste studie bijna afmaken en dan aan een tweede studie beginnen. Hiermee ontlopen zij het instellingscollegegeld. Biedt het huidige voorstel deze mogelijkheid en als dat zo is, is dit dan niet in strijd met de gekozen uitgangspunten.

De leden van de PvdA-fractie maken zich in meer algemene zin zorgen over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen. Er zijn verschillende interpretaties mogelijk, er kunnen grote verschillen ontstaan in te betalen instellingscollegegeld en het is niet denkbeeldig dat allerlei omwegen zullen worden bewandeld om het instellingscollegegeld te ontlopen. Bovendien is deze maatregel vooral nadelig voor de studenten die om allerlei redenen twee studies willen volgen. Heeft de regering overwogen om in meer fundamentele zin te onderzoeken wat een adequate collegegeld systematiek zou moeten zijn waarbij gezocht wordt naar een evenwicht tussen publieke financiering en eigen verantwoordelijkheid van studenten voor hun ontplooiing. Is overwogen om in dit verband ook een vorm van een sociaal leenstelsel te introduceren? De ervaringen met een dergelijk leenstelsel zijn positief geweest en bieden mogelijkerwijs een meer eenduidige systematiek dan wat nu wordt voorgesteld.

Er is veel onduidelijkheid – zo blijkt uit allerlei berichten en acties – over de financiering van dubbele studies, bachelors en masters. De vraag van de fracties van ChristenUnie en SGP aan de regering is hoe het wetsvoorstel de financiering van tweede studies regelt. Vanzelfsprekend zal een geconditioneerde toelating van dubbele studies noodzakelijk zijn. Op grond van geschiktheid/kwaliteiten van studenten zou de overheid er alles aan moeten doen om studenten te motiveren om dubbele studies te volgen. Onze kennismaatschappij heeft een universitaire en maatschappelijke behoefte aan mensen met dubbele studies. De hoge collegegelden van instellingen voor getalenteerde studenten zouden moeten worden omgezet in hen stimulerende financiering. Waarom is dat niet overwogen? In dat verband zouden deze fracties willen vragen hoe op basis van dit wetsvoorstel van kwaliteitsvergroting van studies kan worden gesproken en intellectueel vermogen van studenten zo veel mogelijk wordt gestimuleerd? Dat is niet alleen het belang van de individuele student, maar ook voor de universiteit zelf; het is een collectief belang.

Op 4 juli 2000 heeft de Eerste Kamer unaniem een motie aangenomen (Kamerstuk 26 873, nr. 209e) om vooral ook financiële belemmeringen weg te nemen om gekwalificeerde studenten – weliswaar onder strenge condities – financieel te stimuleren of te ondersteunen om tweede studies te volgen en met succes af te sluiten. Er werd toen voor speciale «bollebozenbeurzen» gepleit, zo brengen de leden van ChristenUnie en SGP in herinnering. Is het onderhavige wetsvoorstel geen omkering van dit door de Eerste Kamer gewenste beleid om verschraling van de universiteit te voorkomen en om aan de eisen van de kennismaatschappij tegemoet te komen?

Met de differentiatie van collegegeld versus instellingscollegegeld bewandelt de regering wegen die studenten van rijkere komaf bevoordelen. Het niet meer bestaan van deze verschillen is toch een belangrijke verworvenheid? In het voorstel wordt een tweede studie voor het grootste gedeelte van de populatie onbetaalbaar wanneer daadwerkelijk een instellingscollegegeld à € 6 000 – € 15 000 per jaar wordt geheven. Hier staat tegenover dat de 30-jaargrens vervalt, maar het is de leden van de SP-fractie niet duidelijk waarom deze uitruil een goede zaak zou zijn.

Zijn bepaalde «tweede» studierichtingen extra populair? Is aan te geven wat hiervan de oorzaak is? Is de eerste studie te licht, of heeft het te maken met studies waarvoor een numerus fixus geldt, waarna de student (eindelijk ingeloot) toch aan de gang wil met de studie van oorspronkelijke keuze? Op een aantal studies is in het verleden zo zeer bezuinigd (bijvoorbeeld op universitaire letterenstudies), dat deze studies nog maar zeer weinig contacturen kunnen aanbieden. De leden van de SP-fractie kunnen zich voorstellen dat betreffende studenten een tweede studie hiernaast ambiëren.

Halen «tweede studie» studenten gemiddeld betere resultaten dan studenten die één studie volgen? Is vast te stellen wat de «rate of return» is van het volgen van twee studies? Wordt hierdoor bijvoorbeeld het multidisciplinair denken zodanig bevorderd dat de maatschappij hier naderhand extra profijt van heeft? Als dit namelijk het geval is, zou een tweede studie eerder goedkoper dan duurder moeten zijn. Bovendien, wanneer deze afgestudeerden gedurende hun werkzame leven in hoger betaalde functies terecht komen, betalen zij via hogere belastingafdracht indirect mee aan hun dubbele studietijd. Gaat de regering mee in deze redenering, zo vragen de leden van de SP-fractie.

De wetswijziging biedt de mogelijkheid tot strategisch gedrag, nl. de eerste studie nog even niet afronden en ondertussen de tweede volgen. Dit is ook door de VSNU al aangegeven. Hoe kijkt de regering hier tegenaan, zo vragen de leden van de SP-fractie.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat studenten die met twee studies tegelijk aanvangen, beide studies tegen betaling van het collegegeld mogen voltooien, mits de laatste studie in hetzelfde jaar als de eerste wordt voltooid. De leden van de D66-fractie vragen zich af of in de praktijk daarmee betaling van het instellingsgeld voor een tweede studie niet omzeild kan worden. Een student kan besluiten om het halen van zijn eerste bachelor uit te stellen, totdat ook de tweede bachelor is voltooid. Hoe effectief is wetgeving die al mazen kent voordat deze door de Eerste Kamer is gekomen?

De leden van de D66-fractie vragen zich binnen hetzelfde kader af of het redelijk is dat een student die er zes jaar over doet om een drie jaar durende bachelor te voltooien, al die tijd slechts het wettelijk collegegeld hoeft te betalen, terwijl zijn collega die in dezelfde tijd een bachelor en twee masters kan voltooien, voor extra kosten komt te staan. Hoe kan D66 uit deze vorm van wetgeving opmaken dat de regering ambitie stimuleert?

De leden van de D66-fractie zijn bezorgd over de positie van HBO-studenten. De HBO-student die na het afronden van een HBO-bachelor nog een universitaire bachelor ambieert, zou door de kosten van het instellingsgeld ontmoedigd kunnen worden. Deze leden zouden het betreuren als ambitieuze studenten op die manier worden beperkt in hun mogelijkheden. Hoe rechtvaardigt de regering deze kanttekening?

Nog niet zo lang geleden is het voor HBO-studenten technisch makkelijker gemaakt om door te stromen naar het WO. Met behulp van de universitaire pre-master, zijn ze in staat om tot een academische master toe te treden. Deze pre-master wordt afgerond met een bachelorexamen. Rekent de regering deze pre-masters onder het wetsvoorstel als een tweede bachelor aan waarvoor instellingsgeld gevraagd kan worden, zo vragen de leden van de D66-fractie.

De leden van de D66-fractie merken op dat niet alle bachelors en masters zich even goed lenen voor een gelijktijdige tweede studie. Studenten die hiermee te maken hebben, maar ambiëren een tweede studie te volgen, worden in dit opzicht benadeeld ten opzichte van studenten die twee combineerbare studies volgen. Hoe kijkt de regering tegen deze benadeling aan?

De regering wil het graag aan de instellingen zelf overlaten hoeveel een opleiding zal kosten voor de student die een tweede studie ambieert. Acht de regering het waarschijnlijk dat concurrentie tussen instellingen een rol zal gaan spelen bij de vaststelling van de hoogte van het instellingsgeld?

3. Financiering

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over kortingen op en het achterblijven van investeringen in het hoger onderwijs en onderzoek. Niet alleen de voorliggende wetswijziging treft de ambitieuze doch minder gefortuneerde student in de portemonnee, ook de Nota «Naar een Robuuste Kenniseconomie», 15 september 2009 aangeboden aan de Tweede Kamer, bevat veel garen, maar weinig wol in de vorm van klinkende munt. Links en rechts wordt Nederland, met een uitstekende reputatie op wetenschappelijk gebied ingehaald. Wil de kenniseconomie in zicht komen, dan zal de regering ernst moeten maken met de officiële doelstelling van 1% van het BBP te investeren in Onderzoek en Ontwikkeling, R&D. Die 1% is de EU norm en doelstelling. De publieke investering in R&D in Nederland lag in 2006/7 op 0.7% van het BBP. De ontbrekende 0.3% betekent 1,5 miljard Euro structureel per jaar. Waar blijft deze investering, zo vragen de leden van de SP-fractie zich af.

De universiteiten, allen in de top-200 van de wereld, dreigen met het HBO ook nog eens ten prooi te vallen aan een stelselwijziging, als deze leden de portee van de speech tijdens de opening van het academisch jaar goed verstaan («twee smaken volstaan niet meer»). Waarom repareren wat niet kapot is? Dit alles plus de eerdere overheveling van basisfinanciering van universiteiten en leerstoelgroepen naar de tweede (competitieve) geldstroom drijft veel onderzoekers tot wanhoop, zo blijkt ook uit breed ondertekende protesten van de Landelijke Comité Bèta-actie. Hoe is een en ander te rijmen met de in Buitenhof (27 september 2009) uitgesproken ambitie van de regering bij de top-5 van de wereld te willen horen? Met welke middelen denkt de regering dat doel te kunnen bereiken? Is zij hierop af te rekenen, of is het een vrijblijvend streven, zo vragen de leden van de SP-fractie.

In de memorie van toelichting lezen de leden van de SP-fractie: «De voornemens omtrent de onderwijsbekostiging zijn evenmin in dit wetsvoorstel opgenomen. De reden hiervoor is dat de bekostigingssystematiek wordt geregeld bij AMvB. Dat besluit wordt met het oog op de onderwijsbekostiging aangepast in een met die wetsvoorstel min of meer parallel lopend traject». Kan de regering aangeven hoe ver men hiermee gevorderd is?

4. Goed bestuur

Met het amendement Zijlstra (nr. 60) wordt het recht op een voordracht voor één lid van de raad van toezicht (RvT) geïntroduceerd, en het recht gehoord te worden over de benoeming van de anderen tegelijkertijd geschrapt, zo constateren de leden van de CDA-fractie. De introductie van een lid van de RvT met een specifieke achtergrond en een afwijkende benoemingsprocedure lijkt een bedreiging van de eenheid van opvatting in de RvT. De RvT zou naar het oordeel van de leden van de CDA fractie eerder collectief over alle te behartigen belangen, zowel die van partijen als van de samenleving in het algemeen, dienen te waken. Welke argumenten voor en tegen de gewijzigde benoemingsprocedure ziet de regering?

Betekent aanvaarding van dit wetsontwerp dat in geen der universiteiten of hogescholen een zogenaamd «one tier model» kan gelden? De leden van de VVD-fractie hechten eraan op te merken dat ook zij dat een ongewenste situatie zouden vinden. Het is daarbij wel opmerkelijk dat de regering een bij amendement ingebrachte mogelijkheid van een «one tier model» in de ROC’s bij wetsvoorstel 30 599 niet onaanvaardbaar noemt.

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden over de nadere invulling van de eisen waaraan een branchecode moet voldoen. Daarmee vertrouwt de regering terecht op de eigen aanpak van de HO-instellingen.

De leden van de fractie van de PvdA ondersteunen de keuze om een strikt onderscheid te maken tussen bestuur en toezicht. In het voorstel is geen voorziening opgenomen in geval van disfunctioneren van de raad van toezicht. Het is niet duidelijk wat de bevoegdheid van de minister is in dezen. Bij het WO is het tot nu toe zo dat – met uitzondering van de bijzondere universiteiten – de Minister de raad van toezicht benoemt. Bij het HBO vindt benoeming plaats aan de hand van (open) werving op basis van profielen. Waarom is in dit voorstel gekozen voor verschillende benoemingsprocedures? En waarom is het verschil tussen universiteiten en hogescholen in stand gebleven? Kan de regering uiteenzetten hoe de werving en benoeming van de raden van toezicht van universiteiten en hogescholen al dan niet bijzonder nu precies plaatsvindt, aan welke eisen moet worden voldaan in termen van advisering en recht van voordracht?

De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe de regering zich in de toekomst de (benoemingen van) raden van toezicht voorstelt. Voorziet de wetswijziging voldoende in het tegengaan van het «old boys network»? Hoe zuiver is het dat raden van toezicht salarissen van raden van bestuur vaststellen? Hoe gaat de regering afdwingen dat salarissen van raden van bestuur onder de Balkenende-norm blijven?

Wat is de toegevoegde waarde van het instrument «raad van toezicht», zo vragen de leden van de SP-fractie. Is het niet veel te veel een puur intern instellingsorgaan geworden? Rapporteert een raad van toezicht aan de minister? Hoe toetst de raad van toezicht aan de branchecode en aan wie wordt gerapporteerd? Is daar een standaardformat voor?

5. Student-assessor

Met het amendement Van der Ham (nr. 36) wordt de student-assessor bij de vergaderingen van het College van Bestuur (CvB) geïntroduceerd, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Met dit amendement wordt één van de uitgangspunten van de wet, de scheiding tussen bestuur en medezeggenschap, fors aangetast. De bedoeling van het amendement is blijkens de toelichting een versterking van de relatie met de medezeggenschap. Het is om te beginnen de vraag of de relatie tussen CvB en medezeggenschap zo slecht is als de indiener van het amendement in zijn toelichting stelt. Onderbouwing daarvoor wordt niet gegeven. En voorts, of een eventueel gewenste verbetering via de figuur van de student-assessor bereikt wordt. Om te beginnen zal het CvB in de regel meerdere wegen bewandelen om contact met de medezeggenschap te onderhouden. Naast de formele universiteitsraadsvergaderingen zijn er commissies, overleg met het presidium en de voorzitter van de universiteitsraad en andere contacten met de studentengemeenschap. Uiteraard is er daarnaast op facultair niveau intensief contacten tussen bestuur en studenten. Er is met andere woorden, ook nu al volop ruimte om de in de toelichting op het amendement beoogde goede relatie tussen bestuur en medezeggenschap vorm te geven, en dat gebeurt naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie ook. Het is de vraag of de student-assessor, die verplicht in de gelegenheid wordt gesteld alle CvB-vergaderingen bij te wonen, hieraan iets toevoegt. Toelichting en tekst van het amendement zelf lijken in dit kader niet met elkaar in overeenstemming. Voorts rijst de vraag in hoeverre één persoon vanuit de studentengemeenschap de boogde, intermediaire rol zoals in de toelichting op het amendement beschreven, adequaat kan vervullen, en wat zijn positie ten opzichte van de andere studenten in z’n algemeenheid, de studieverenigingen en in het bijzonder ook de medezeggenschapsorganen (inclusief de personeelsgeleding!) is. Opmerkelijk is, dat inmiddels één van de studentenorganisaties, het ISO, ook vraagtekens bij de betekenis van dit amendement zet.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het – indachtig de autonomie van de instellingen – niet beter is geen dwingende voorschriften te geven, doch de instellingen zelf de ruimte te bieden de relatie tussen bestuur en medezeggenschap goed vorm te geven.

Voorts zij er op gewezen dat in veel zaken die concreet een opleiding betreffen niet het CvB, maar de decaan en het bestuur van de faculteit krachtens de wet bevoegd zijn. De student-assessor in het faculteitsbestuur is om die reden een veel voorkomende figuur; op het niveau van het CvB zal de assessor in dit soort zaken geen bijdrage kunnen leveren, omdat het College terzake geen bevoegdheden heeft. Tenslotte merken de leden van de CDA-fractie op dat in de vergaderingen van de CvB naast onderwerpen de van belang zijn voor de medezeggenschapsorganen en de studenten in het bijzonder, talrijke vertrouwelijke zaken, en zaken van strategische aard die (nog) niet voor behandeling in medezeggenschapsorganen in aanmerking komen, worden besproken. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de student-assessor deze gesprekken kan bijwonen en wat juist zijn positie alsdan zal zijn. Vermoedelijk zal de introductie van de student-assessor tot nieuwe vormen van overleg tussen collegeleden leiden. Het is kortom de vraag of met dit amendement een reële verbetering wordt geïntroduceerd, of slechts een constructie, die tot ontwijkgedrag en extra vergaderlast zal leiden. De leden van de CDA-fractie vernemen gaarne hoe de minister de voor- en nadelen van de student-assessor weegt.

De leden van de VVD-fractie hebben ook bedenkingen ten opzichte van het aangenomen amendement 36 ter wijziging van art I onderdeel CJ. Dit amendement regelt dat een student van de desbetreffende universiteit, hogeschool of van de open universiteit in de gelegenheid wordt gesteld de vergaderingen van het College van Bestuur bij te wonen, in welke vergadering deze student een adviserende rol heeft. Met de VSNU zijn de leden van de VVD-fractie van mening dat dit amendement in strijd is met de uitgangspunten van het wetsontwerp als ook met de MUB (modernisering universitaire bestuursstructuur). De uitgangspunten in deze wetten geven een duidelijke bevoegdheid- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen het bestuur enerzijds en de medezeggenschap van studenten en het personeel anderzijds. In de huidige regelingen is een dergelijke opzet alleen op vrijwillige basis mogelijk. Alleen bij de Rijksuniversiteit Groningen nemen de Voorzitter en de vicevoorzitter van de universiteitsraad (UR), samen het presidium van de UR vormend, deel aan de vergaderingen van het College van Bestuur. Uit de praktijk blijkt echter dat veel inhoudelijke discussies plaatsvinden in het portefeuilleoverleg en dat de onderwerpen daarna slechts kort in het CvB aan de orde komen. Indien, zo menen deze leden, de communicatie tussen de medezeggenschapsraden en het CvB goed is dan is een opname in de wet van een verplichte aanwezigheid van een studentenassessor in het CvB eerder een slechte dan goede zaak. Immers uit de praktijk van Groningen blijkt dat dit leidt tot een verschuiving van het overleg in het CvB naar andere overleggen en wordt op die manier de aanwezigheid in de vergadering van het CvB in feite een farce. De leden van de VVD-fractie menen dan ook dat deze wijziging afbreuk doet aan de uitgangspunten van de wetwijziging. Waarom zo vragen deze leden heeft de regering niet meer bezwaar gemaakt tegen het amendement?

De leden van de PvdA-fractie interesseren zich voor de voorgestelde positionering van de medezeggenschapsorganen. In dit verband zouden zij een nadere toelichting willen van de regering hoe hij aankijkt tegen de mogelijkheid die – door een amendement-Van der Ham (nr. 36) – is ontstaan om een student-assessor de vergaderingen van de colleges van bestuur van universiteiten en hogescholen te laten bijwonen. Hoe verhoudt deze bepaling zich tot de uitgangspunten voor goed bestuur die in dit voorstel zijn verwoord? Meer in het bijzonder is de vraag hoe de figuur van de student-assessor toe te laten tot de vergaderingen zich verhoudt tot de inrichting van de medezeggenschap.

Hoe staat de regering tegenover het standpunt van de VSNU dat het aangenomen amendement-Van der Ham (nr. 36) over de student-assessor die vergaderingen van het CvB bijwoont, strijdig is met de uitgangspunten van de wet en met de MUB, zo vragen de leden van de SP-fractie?

6. Profileringsfonds

De rol van het profileringsfonds is de leden van de SP-fractie nog niet helemaal duidelijk. Wat kan hier wel en niet mee, en hoe vrij staat het elke instelling om dit naar eigen inzicht uit te geven? Maatwerk met behulp van dit fonds is een goede zaak, maar willekeur en een zekere mate van rechtsongelijkheid liggen misschien ook op de loer wanneer instellingen hier zeer verschillend mee omgaan.

7. Studenten uit ontwikkelingslanden

Wat is het gevolg van de wetswijziging voor studenten uit ontwikkelingslanden, die in Nederland voornamelijk studeren dankzij financiering via Nuffic, zo vragen de leden van de SP-fractie?

Hoe staat het met de studiebeurzen voor studenten van buiten de Europese Unie, met name voor studenten uit ontwikkelingslanden, zo vragen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP. Na de lumpsum-regeling met de universiteiten bleek dat die het daar voor beschikbare geld vaak anders besteden. Verdient het op grond van deze praktijk geen aanbeveling de financiering van studenten uit ontwikkelingslanden weer centraal te regelen en bovendien te versterken, juist vanuit het oogpunt van effectief ontwikkelingswerk dat met dergelijke studiebeurzen wordt bereikt?

8. Internationalisering

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het belang van de joint degrees. Het is niet mogelijk om een gezamenlijke graad van een HBO en een WO instelling te ontvangen, dit is in strijd met het binaire stelsel, zo wordt gesteld. Is dit onderscheid houdbaar is als veel meer met buitenlandse instellingen wordt gewerkt voor wie dit onderscheid niet geldt of veel minder stringent is dan in Nederland?

In landen om ons heen gelden over het algemeen langere masters (1.5 of 2 jaar). Wat zijn de gevolgen voor de studiefinanciering? Kan dit betekenen dat om financiële redenen studenten moeten afzien van een internationale – en dus veelal langere – masteropleiding? Wat zijn de gevolgen van deze internationaliseringsvoorstellen voor de bekostiging van de instellingen?

Welke voordelen verwacht de regering te halen uit joint degrees en joint doctorates? Het wetsvoorstel ademt uit dat de andere partij in geval van joint degrees hier altijd positief op zal reageren. Is dit inderdaad het geval, zo willen de leden van de SP-fractie graag weten. Hoe administreren universiteiten straks hun hoeveelheid promovendi wanneer het een joint doctorate betreft?

Wat zijn straks mogelijk de effecten van de Lissabonstrategie van de Europese Unie op het hoger onderwijs? Een open bestel betekent straks de mogelijkheid tot het heffen van forse collegegelden. Geven we het hoger onderwijs aan de markt, dan lopen we een heleboel gevaren, vrijwel zeker onder het mededingingsrecht in Europa maar potentieel ook onder de GATS. Een aantal fundamentele regels staan dan onder druk, zoals de medezeggenschap, de regels tegen ongeremde selectie aan de poort of de zware kwaliteitstoets van de NVAO. De Raad van State refereert hier ook aan (diensten van algemeen belang versus algemeen economisch belang). Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een reactie van de regering op dit punt.

9. Experimenten

Met betrekking tot de experimenteerbepaling (artikel 1.7a) zijn de volgende bezwaren geuit: staatsrechtelijk (als de wet knelt, moet die worden verruimd), rechtsgelijkheid (gedogen van niet aan de wet houden moet voor alle instellingen gelden), AMvB (de A is vreemd als het gaat om een individuele instelling en werkt bevoordeling in de hand), medezeggenschap (mogelijke afwijking hiervan niet wenselijk). Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een reactie van de regering.

10. Professionalisering

In het voorstel wordt gesproken over een professioneel manifest. Wat wordt daar precies mee bedoeld, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Verwezen wordt naar een andere wet waarin de professionele ruimte wordt geregeld. Hoe verhouden deze maatregelen zich met de medezeggenschapsregelingen die worden voorgesteld, is er een relatie met de opleidingscommissie en de mogelijkheden van professionals om hun invloed te doen gelden op de inhoud en vormgeving van het curriculum?

11. Onderzoekstaak hogescholen

In de wet regelt de regering verder de onderzoekstaak voor het HBO, dat toepassingsgericht van aard zou moeten zijn, zo lezen de leden van de SP-fractie. Wie stelt vast of iets «toepassingsgericht» is en hoe past dit in de doorgaans gehanteerde sequentie fundamenteel – strategisch – toepassingsgericht – toegepast? Hoe handhaafbaar is deze bepaling? Is het niet beter per student maatwerk te bieden?

12. Vereenvoudiging regelgeving

Kan de regering de leden van de SP-fractie aangeven wat de consequenties van de wetswijziging zijn voor de administratieve processen van de WO- en HBO-instellingen? Hoeveel tijd en geld gaat dit kosten? Staan er arbeidsplaatsen op het spel (bijv. vanwege de vervanging van jaarlijkse door doorlopende inschrijving)?

13. Examencommissie

Tot slot hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen over de examencommissies. In artikel 7.12a, lid 1, van het onderhavige wetsvoorstel is opgenomen dat «ten minste één lid» van de examencommissie is «verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort». Deze leden vragen zich af of met de aanstelling van een docent van de opleiding de onafhankelijkheid van de uitvoeringswerkzaamheden van de examencommissies wel voldoende gewaarborgd blijft. Hoe ziet de regering dat?

In navolging van de vorige vraag, vragen de leden van de D66-fractie zich af waarom in het wetsvoorstel niet verplicht is gesteld dat een extern lid, die externe deskundigheid ten tafel zou kunnen brengen, deel uitmaakt van de examencommissies. Wat is daarvoor de motivering van de regering?

14. Open Universiteit

Met het voorliggende wetsvoorstel wordt tevens beoogd de positie van de medezeggenschap bij de Open Universiteit overeenkomstig die bij de andere universiteiten te regelen. De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat die opzet nog niet volledig in het wetsvoorstel tot uiting is gekomen. Naar verluidt heeft de minister toegezegd een en ander te zullen corrigeren, maar zulks blijkt niet uit hoofdstuk 11 van het wetsontwerp. Het gaat er dan in concreto om dat ook de OU kan kiezen welk medezeggenschapstelsel men volgt, terwijl in het huidige wetsontwerp het oude stelsel van de OU, gescheiden medezeggenschap, en de keuzemogelijkheid dooreen lijkt te lopen. Zo wordt in art. EL (11.11) nog gesproken van de studentenraad, terwijl ook bij de OU sprake zou kunnen zijn van een ongedeelde medezeggenschap in een universiteitsraad. De lijst met technische opmerkingen is echter langer. De CDA-fractie verneemt gaarne hoe de regering deze omissies denkt te corrigeren.

15. Overig

De leden van de VVD-fractie wensen van de regering nadere informatie omtrent de daadwerkelijk uitvoering van het consilium abeundi. De instellingen zijn aan zet, zo lezen deze leden in de beantwoording op vragen vanuit de Tweede Kamer; laat de regering niet teveel onduidelijk welke gedragingen onder dit principe kunnen vallen?

Deze leden zijn voorts zeer geïnteresseerd in de toezegging van de regering om met de NVAO en de HBO-raad in overleg te treden over de titulatuur.

Tot slot willen deze leden inzicht in de manier waarop de regering de voorgestelde wijzigingen in de tijd gezien, wil gaan invoeren. Immers, verschillende onderdelen (zoals de nieuwe collegegeldsystematiek) zullen forse ingrepen in de instellingen vergen.

Ook de leden van de PvdA-fractie vragen de regering aan te geven op welk moment deze wijzigingen worden ingevoerd en vanaf welk moment de collegegeld bepalingen zullen gelden? Deze vraag klemt des te meer voor de studenten die al een studiepad hebben gepland en zich nu geconfronteerd zien met hogere kosten waarop zij niet hadden gerekend.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,

Dölle

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,

Warmolt de Boer


XNoot
1

Samenstelling:

Schuurman (CU), Holdijk (SGP), Dupuis (VVD), Dölle (CDA), voorzitter, Tan (PvdA), vice-voorzitter, Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Essers (CDA), Schouw (D66), Leijnse (PvdA), Thissen (GL), Slager (SP), Goyert (CDA), De Boer (CU), Asscher (VVD), Hillen (CDA), Laurier (GL), Hermans (VVD), Ten Horn (SP), Hamel (PvdA), Leunissen (CDA), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Vliegenthart (SP), Yildirim (Fractie-Yildirim) en Flierman (CDA).

Naar boven