31 780
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 6 oktober 2009

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de fractie van het CDA onderschrijven de doelstelling van dit wetsvoorstel. Het bevorderen van participatie van de gehandicapte jongere op de arbeidsmarkt is van groot belang voor de jongere zelf en zijn omgeving, maar ook voor de samenleving als geheel. De uitvoering van deze nieuwe wet is geen eenvoudige zaak, mede gezien de huidige stand van de arbeidsmarkt. De leden van de CDA-fractie hebben dan ook nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben een aantal vragen aan de regering. De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de groep jongeren die een beroep doet op de Wajong in de laatste jaren steeds groter is geworden en zijn van mening dat alles in het werk moet worden gesteld om deze instroom fors om te buigen. Deze leden zijn ook van mening dat van jongeren die nu op grond van de Wajong een uitkering krijgen, opnieuw zou moeten worden beoordeeld of zij niet een grotere bijdrage kunnen leveren aan deze samenleving door meer te werken, wat daarnaast zal bijdragen aan het zelfrespect van de jongere.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel dat de Wajong activerender moet maken en de arbeidsmarktpositie van jonggehandicapten moet versterken. De doelstelling van de wet wordt door hen onderschreven, evenals het middel om de «labeling» als jonggehandicapte naar een latere leeftijd te verschuiven. Wel roept de uitwerking bij deze leden vragen op.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De leden steunen het streven naar een grotere arbeidsparticipatie onder jongeren met beperkingen, maar hebben bij voorliggend wetsvoorstel de nodige bedenkingen en vragen.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP kunnen zich vinden in de strekking en het onderliggende principe van het wetsvoorstel, namelijk de ondersteuning van de jonggehandicapte in het vinden en behouden van werk. Het is van belang dat jonggehandicapten, indien mogelijk, betaalde arbeid verrichten. Het recht dat zij nu kunnen laten gelden bij gemeenten versterkt de positie van de jonggehandicapte.

De leden van deze fracties hebben wel vragen bij een aantal aspecten van het wetsvoorstel en de beoogde regeling.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van de jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Wet Wajong) en zijn het van harte eens met het inzicht dat er bij elke persoon met een Wajong gekeken moet worden naar de mogelijkheden om mee te doen en deel te nemen aan de reguliere arbeidsmarkt in plaats van bij voortduring de beperking of het niet kunnen als uitgangspunt te nemen. Naar aanleiding van het voorstel hebben deze leden wel nog enkele vragen en opmerkingen.

Arbeidsmarkt

Uit het schrijven van de regering van 15 juli 20091 blijken positieve resultaten over afspraken met de sociale partners en andere betrokkenen, constateren de leden van de fractie van het CDA. Het aantal cao’s met afspraken over werkplekken voor Wajongers neemt toe. De voorbeelden die genoemd worden zijn bemoedigend. Echter, kan de regering aangeven wat het onafhankelijk onderzoek, dat het FNV2 heeft doen uitvoeren naar de gedeeltelijk arbeidsongeschikten, in dit kader betekent? Het blijkt dat re-integratie duurder zou zijn dan het verstrekken van een uitkering. Dit zou zich vooral afspelen bij bedrijven in het Midden- en Kleinbedrijf (MKB), die verzekerd zijn bij private verzekeringsmaatschappijen. Dit is verontrustend omdat gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers blijkbaar niet herplaatst kunnen worden in het MKB. Is hier sprake van verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt ?

De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag over de effectiviteit van de beoogde regeling. De doelgroep van de Wet Wajong zal in de zoektocht naar werk moeten concurreren met groepen, voor wie recent eveneens enige beoogd activerende maatregelen zijn getroffen, zoals de langdurig werklozen uit de Werkloosheidswet (WW)3 en de jongeren zonder medische beperkingen. Tegelijk treedt deze wet in werking op een moment dat de werkloosheid fors oploopt. Welke aantallen werkzoekenden zullen zich naar verwachting van de regering, op het moment dat de wet van kracht wordt, melden bij het loket van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), uitgesplitst naar langdurig werklozen met een WW-achtergrond, Wajongers en jongeren die zich melden op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ)? Hoe kansrijk schat zij deze op de jonggehandicapte gerichte regeling in? Is de regering optimistisch over de kansen voor jonggehandicapte om aan voor hen passend werk te komen? Zo ja, waarop baseert zij dit optimisme?

In hoeverre zorgt dit wetsvoorstel, dan wel zorgen andere maatregelen binnen de integrale aanpak, voor meer verplichtingen voor werkgevers, vragen de leden van de SP-fractie. Of worden werkgevers met uitsluitend positieve prikkels verleid? Indien er verplichtingen voor werkgevers zijn die tot meer banen voor jonggehandicapten moeten leiden, welke sancties zijn er dan in het kader van de integrale aanpak om de verplichtingen af te dwingen, zo vragen deze leden.

In tabel 11 van de memorie van toelichting wordt de verwachting van het aantal Wajong-uitkeringen bij ongewijzigd beleid geschetst. De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven hoe waarschijnlijk deze ontwikkeling is en met welke afwijking en onzekerheidsmarge wordt gerekend. Is de huidige economische crisis volgens de regering op deze cijfers van invloed, of zijn eventueel van de crisis te verwachten effecten al ingecalculeerd?

In tabel 52 staan de verwachtingen ten aanzien van de uitkeringslasten. Hoe groot is hier de onzekerheidsmarge, zo vragen deze leden. Welk effect verwacht de regering van de economische crisis op de cijfers in tabel 5, indien de crisis van relatief korte duur blijkt te zijn en er binnen enkele jaren weer een krapte op de arbeidsmarkt ontstaat? En welk effect zou de crisis op tabel 5 hebben, indien er vanaf 2010 een periode van tenminste 10 jaar beduidend hogere werkloosheid zou volgen?

Voorts vragen de leden van de SP-fractie hoe tabel 5 eruit zou zien zonder intensivering van de re-integratieinspanningen en -budget? Tevens willen deze leden weten hoe tabel 5 eruit zou zien zonder de verwachte stijging van het aantal Wajongers bij ongewijzigd beleid. En hoe zou tabel 5 eruit zien zonder de verwachte stijging van het aantal Wajong-uitkeringen bij ongewijzigd beleid én zonder de intensivering van het re-integratiebudget? Ten slotte verzoeken de leden van deze fractie aan te geven wat de uiteindelijke besparingen (of extra kosten) zijn van de wetswijziging ceteris paribus (zonder ander beleid en bij gelijkblijvende Wajongpopulatie, WML, etc.)?

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP hebben een vraag over de inspanningen van werkgevers en overheid om Wajongers een plek te bieden. In de brief van 8 september 2009 (WIJ en Wajong)3 worden «recente acties en maatregelen» van het kabinet genoemd om Wajongers in dienst te nemen. Hoe verhouden de genoemde acties en maatregelen zich tegenover pogingen in het verleden om mensen met een beperking een werkplek te bieden bij bedrijven en de overheid? De werkelijke realisatie bleef destijds achter bij de voornemens. Welke garanties zijn er nu?

De leden van de fractie van GroenLinks zijn geen voorstander van voortdurende stelselwijzigingen en structuuraanpassingen. Meestal gaat daar dan de energie in zitten en wordt het doel (waarvoor en voor wie is het stelsel en de structuur) uit het oog verloren omdat alle energie gaat zitten in de verandering en niet in de noodzakelijke werking, in dit geval, voor jongeren met een beperking, maar vooral ook met heel veel mogelijkheden en talenten. De Wajong-voorziening was ooit bedoeld om jongeren met een handicap bescherming en beschutting te bieden en een vangnet te bieden waardoor ze in een beschaafd land en rijk land niet aan hun lot werden overgelaten. Geen van die jongeren had de handicap op een eigen verlanglijstje staan. Het moet de leden van deze fractie dan ook van het hart dat nu jongeren er met recht en rede gebruik van maken en de paniek toeslaat vanwege de niet voorziene of geprognostiseerde groei van de Wajong, uitlatingen zoals die van de directeur van het CPB – «We moeten de Wajong dichtschroeien» – een gruwel zijn. Het gaat hier om een regeling die in een beschaafde verzorgingsstaat mensen met een handicap een terechte voorziening biedt. De leden van de aan het woord zijnde fractie vernemen graag een reactie op het bovenstaande.

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen er op dat de voorgestelde voorziening te maken heeft met een paradox. Wat bedoeld is als bescherming, is verworden tot een blokkade om mee te doen. Het stigma, het etiket, waar veel jonggehandicapten mee worden geconfronteerd, mag niet worden onderschat. Meedoen wordt dan wel een hele zware klus. De leden van fractie van GroenLinks vragen dan ook of alleen het veranderen van de voorwaarden aan de aanbodzijde werkt als de vraagzijde (de ondernemers/werkgevers) niet geconfronteerd worden met evenwichtige plichten en rechten teneinde het meedoen van jongeren met een handicap ook werkelijk mogelijk te maken. In de concurrentie op de arbeidsmarkt leggen nog altijd teveel jonggehandicapten het af tegen jongeren zonder handicap. Dat maatschappelijke onrecht wordt niet aangepakt en het is net alsof de voorzieninggerechtigden eenzijdig op hun schouders de oplossing van de groei van de voorziening moeten dragen. De leden van deze fractie willen hierop graag een reactie.

Tot slot, deelt de regering de opvatting van de leden van GroenLinks dat ook voor Wajongers het principe geldt dat werk moet lonen, dat studeren financieel mogelijk moet zijn, dat het werk voor de Wajonger moet aansluiten bij zijn/haar persoonlijke kwaliteiten, interesses en mogelijkheden, en dat de opbouw van andere voorzieningen van sociale zekerheid (bijvoorbeeld pensioenopbouw) zoals bij alle werknemers mogelijk zouden moeten zijn?

Relatie met andere regelingen

De leden van de VVD-fractie wijzen er op dat er in het kader van preventie maatregelen worden genomen door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), door gemeenten, in verband met de Centra voor Jeugd en Gezin, en door het UWV. Al deze instanties kennen een eigen financieringsstroom. De ervaring in bijvoorbeeld de jeugdzorg leert dat dit veelal problemen geeft in afstemming, coördinatie en doelmatige samenwerking. Hoe voorkomt de regering dat dit ook hier het geval zal zijn?

De leden van deze fractie constateren een duidelijke overlap van mensen die een bijstandsuitkering genieten, een Wajong-uitkering hebben of een WSW-indicatie hebben. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om dit wetsvoorstel tegelijkertijd met de WSW in te dienen, opdat er een integrale, structurele en samenhangende regeling voor alle betrokkenen tot stand komt?

Wat zijn de exacte redenen om de gemeenten niet nu al volledig verantwoordelijk te maken – ook in financieel opzicht – voor de uitvoering van de Wajong, vragen de leden van de VVD-fractie. Immers de gemeenten hebben al de verantwoordelijkheid voor de WBB, de WSW, de WMO en moeten toezicht houden op de schooluitval.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er al iets bekend is over de wijze waarop gemeente en UWV omgaan met de bonte, elk met een eigen recht op arbeidsondersteuning opgetuigde, instroom? Wordt in de bemiddeling of bij het creëren van arbeidsplaatsen een gericht doelgroepenbeleid gevoerd en zo ja hoe ziet dit eruit?

De aan het woord zijnde leden zien voor de toekomst nog een onderwerp dat aanleiding kan geven tot «grensgeschillen» en dus inefficiëntie in de uitvoering. Hun zorg hieromtrent is ingegeven door de brief van de minister van 8 september 20091 over de relatie met de Wet investeren in jongeren (WIJ). Is het onderscheid tussen beide doelgroepen wel in alle gevallen zo duidelijk als in deze brief wordt gesuggereerd? Zal het feit dat op beide doelgroepen twee verschillende uitvoerders worden«losgelaten» elk met een eigen re-integratiebudget niet voor problemen zorgen die de wetgever – wellicht – zou kunnen voorkomen? Hoe ziet de regering dit?

De leden van de PvdA-fractie hebben verder een vraag over de positie van werkzoekenden met aangeboren beperkingen die net wel of net niet te goed zijn voor arbeid in een beschutte werkomgeving. Is de regering het met deze leden eens dat de scheidslijn tussen beide groepen niet altijd even helder is, in de zin dat in WSW-verband ook mensen werken die met de juiste ondersteuning in een regulier bedrijf werkzaam kunnen zijn, terwijl andersom bepaalde in de reguliere sector werkende jonggehandicapten beter tot hun recht komen in de beschutte werkomgeving van de WSW? Zo ja, vindt zij dan, met de aan het woord zijnde leden, dat die niet steeds even scherpe scheidslijn vooral problematisch is vanwege het verschil in beloningsstructuur tussen WSW-werkenden en werkenden onderaan het reguliere loongebouw? Welke opties staan de regering voor ogen om dit probleem – structureel – aan te pakken?

De oplossing voor de korte termijn is de faciliteit in artikel 5.7.4 die de hogere WSW-doorgroei ook toekent aan de jonggehandicapte die met loondispensatie én met een jobcoach in een regulier dienstverband werkt. Is dit inderdaad een en/en voorwaarde? Of kan de regeling ook van toepassing zijn op de jonggehandicapte die het (middels loondispensatie goedkoper gemaakte) werk ook zonder jobcoach af kan? Fundamenteler is de, ook voor de korte termijn spelende, vraag of deze constructie niet vraagt om «perverse» gedragsreacties, wanneer volgens het beginsel «meer arbeid moet meer lonen» het meerdere niet zozeer een hoger aantal uren betreft als wel de toegangspoort tot de WSW. Anders gezegd, de jonggehandicapte die binnen de context van beschut en regulier werk een grensgeval is, krijgt met dit systeem een stevige stimulans om op WSW-arbeid aan te koersen. De leden van de PvdA-fractie vragen welke aanpak de regering onder het regiem van het voorliggende wetsvoorstel voor ogen staat om dit type onwenselijke maar alleszins begrijpelijke gedragsreacties tegen te gaan?

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP merken op dat er met de nieuwe Wajong een nieuwe regeling bij komt die lokaal uitgevoerd gaat worden, naast de WIJ, de WWB, de WSW. Er is veel voor te zeggen deze regelingen nauwer op elkaar te betrekken, ook om nieuwe verkokering te voorkomen. Hoe ziet de regering dit?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering duidelijk te maken hoe aan drie jongeren in vergelijkbare situaties kan worden uitgelegd dat de een onder de WIJ valt, waarbinnen overigens ook onvergelijkbare ongerijmdheden zullen gaan ontstaan (zie de inbreng van deze leden bij de behandeling van die wet), een ander met een Wajong-voorziening een WSW-indicatie heeft, en de derde enkel Wajong. Bovendien heeft er eentje te maken met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en twee anderen met de gemeente. De leden van de aan het woord zijnde fractie vragen naar de visie van de regering hierop en om een logische uitleg.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de regering de relatie ziet tussen deze wetswijziging WAJONG en het rapport van de commissie de Vries, «Werken naar vermogen», inzake de fundamentele herbezinning van de WSW.

Welke relatie ligt er tussen dit wetsvoorstel en de operatie modernisering van de AWBZ? Hoe gaat voor jongeren die zeer beperkt zijn in hun mogelijkheden de toekomst er uit zien? Uit het AWBZ-pakket is immers al de begeleiding weggevallen. De leden van de fractie van GroenLinks missen bovendien in het gehele wetsvoorstel de preventieve kant voor zover die vervuld kan worden door het basisonderwijs.

Arbeidsondersteuning

De leden van de fractie van het CDA willen weten hoe het UWV omgaat met de regionale regiefunctie. Hoe wordt dit vorm gegeven? Behouden onderwijsinstellingen die zelf hun leerlingen naar werk begeleiden en vaak ook op de werkplek coachen hun vrijheid van werken? In de memorie van toelichting wordt gesproken over regionale samenwerking tussen scholen en jobcoaches in Wajongnetwerken, in de vorm van een pilot. Kan de regering aangeven hoe deze preventieve maatregelen worden uitgevoerd en is er ook aandacht voor meer praktijkscholing?

Uit het schrijven van 15 juli 20091 blijkt dat het UWV competentietestcentra inricht om de vaardigheden van de jongere in kaart te brengen. De voorbeelden die genoemd worden zijn inderdaad van belang. De leden van de CDA-fractie vragen of het, bij een tekort op een aantal competenties en vaardigheden, mogelijk is dat betrokkene, indien de jongere daartoe in staat is, bijscholing kan krijgen die vooral gericht is op praktijktraining.

De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag betreffende de (rechts)positie van jongeren zonder medische beperkingen versus jonggehandicapten. Hebben deze leden het goed begrepen dat voor deze eerste categorie een recht is gecreëerd op een werkleeraanbod tegenover de verplichting van de gemeente om een dergelijk aanbod te doen (in het kader van de WIJ), terwijl voor jonggehandicapte het recht beperkt is tot arbeidsondersteuning versus de verplichting van het UWV een participatieplan vast te stellen? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om de verdergaand en meer direct op arbeid gerichte faciliteiten, zoals het doen van een werkaanbod en het geven van hulp en begeleiding bij het vinden en behouden van werk, in het voorliggende wetsvoorstel te formuleren als een bevoegdheid van de uitvoerder en in plaats van als een verplichting zoals in de WIJ?

Het voor deze wet centrale «recht op arbeidsondersteuning» wordt in artikel 1 gedefinieerd als «het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1A», kennelijk met de bedoeling dit te onderscheiden van een gelijkluidend recht in andere activeringsregelingen. Zien de leden van de PvdA-fractie dat juist? Zo ja, waarin onderscheidt dit zich van het recht op arbeidsondersteuning van Wij-jongeren, WGA-gerechtigden of langdurig werklozen? In de toelichting op artikel 5.4.1 lid 12 wordt opgemerkt dat het recht primair rechten omvat die verband houden met de re-integratie die zijn opgenomen in afdeling 5. Voorts geeft het aanspraak op een inkomensvoorziening als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Maakt die aanspraak nu deel uit van het recht op arbeidsondersteuning? Of wordt met «primair» bedoeld «met name», in de zin dat het recht de som is van alle rechten van afdeling 5 van hoofdstuk 1A? Deze afdeling beslaat 13 wetsbepalingen die, naar het deze leden voorkomt, alle elementen benoemen die op enigerlei wijze al in het huidige stelsel voorkomen. Zien deze leden dit juist? Zo nee, welke rechten worden met dit wetsvoorstel toegevoegd of verbeterd?

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGPvragen of de regering kan aangeven op welke manier de begeleiding van nieuwe Wajongers naar werken of leren (via het door het UWV op te stellen participatieplan) wordt gevolgd? Is er een monitor-systeem dat inzicht geeft in het werkelijk verloop van de beoogde integratie?

Verder vragen deze leden of er, waar het gaat om voorzieningen voor mensen met een beperking, een combinatie mogelijk is met de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)? Immers, de voorzieningen die mensen nodig hebben in hun arbeidssituatie, hebben ze ook nodig in hun dagelijks bestaan. Met betrekking tot vervoer etc. zijn er koppelingen te maken die per saldo besparend kunnen zijn.

Plichten en sancties

Een volgend cluster vragen van de leden van de PvdA-fractie betreffen de op arbeid, arbeidsondersteuning en re-integratie gerichte verplichtingen en de bij overtreding op te leggen sancties. Het voorgestelde hoofdstuk 1A incorporeert de arbeidsplichten en de bij overtreding passende sancties uit vanouds de WW en inmiddels ook de wet WIA vrijwel ongewijzigd in het onderhavige wetsvoorstel. Deze constructie roept verschillende vragen op die – eveneens – zien op de al dan niet vergelijkbaarheid van de gevallen. De eerste vraagt betreft de clausule in artikel 5.6.2 lid a sub a dat de jonggehandicapte verplicht is zich te onthouden van verwijtbaar gedrag dat als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW kan worden aangemerkt. Het zal de minister bekend zijn dat in het reguliere arbeidsrecht de wederzijdse gedragsregels soms hard kunnen uitpakken en dat, bijvoorbeeld, het feit dat een werknemer regelmatig te laat op het werk verschijnt voor de rechter een grond kan zijn om een om die reden gegeven ontslag op staande voet te sauveren. Is het dan wel reëel om dit regiem één op één door te trekken naar een regeling voor een doelgroep waarvan de kwetsbare positie keer op keer – zij het in ander verband – benadrukt wordt?

De tweede vraag kwam op naar aanleiding van de mededeling van de minister dat in het beoogde systeem geen uitkering wordt gegeven, als niet wordt meegewerkt aan integratie en het arbeidsaanbod niet wordt geaccepteerd1. De leden van de PvdA-fractie konden deze wel erg rigoureuze consequentie niet in de tekst van de wet lezen. Het «niet meewerken aan integratie» of het «niet accepteren van een arbeidsaanbod» is in het voorliggende wetsvoorstel geen uitsluitingsgrond, zodat de regel afgeleid zou moeten worden uit de combinatie van bepalingen in afdeling 6 (plichten i.v.m. het recht op arbeidsondersteuning), 9 (sancties) Wet Wajong en de op basis van afdeling 9 vast te stellen AMvB. Is de tekst van de (concept)AMvB op artikel 5.9.2 lid 3 al beschikbaar? Zo ja, kan deze worden toegestuurd? Hoeveel ruimte biedt deze het UWV om bij de beoordeling van de verwijtbaarheid rekening te houden met de persoon en de eventuele medische of psychologische beperkingen van de«overtreder»?

Een andere fundamentele vraag betreft de positie van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten in het wetsvoorstel Wajong en in de wet WIA. Het beoogde wetsvoorstel lijkt de (rechts)positie van deze groep klantvriendelijker in te richten dan de wet WIA. Immers in laatstgenoemde wet komt geen instemmingsrecht voor zoals in artikel 5.1.4 van het wetsvoorstel Wajong en voorts staan voor de IVA-gerechtigden geen re-integratieinstrumenten open. Wat verklaart dit verschil in behandeling? En wat houdt het instemmingsrecht van art 5.1.4 exact in? Wil dit zeggen dat de jonggehandicapte, van wie de artsen oordelen dat hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, dit predicaat naar believen mag afwijzen? Zo ja, wat zijn, wanneer hij dit doet, de consequenties?

In het streven naar een grotere arbeidsparticipatie onder jongeren met beperkingen, zegt de regering een integrale aanpak voor te stellen, waarvan onderhavig wetsvoorstel gericht is op de versterking van de activering van Wajong-gerechtigden. Zien de leden van de SP-fractie het goed dat daarmee een verschuiving in de balans tussen rechten en plichten van Wajong-gerechtigden wordt beoogd? Hoe zullen de zwaardere plichten door betrokkenen worden ervaren? Kan dat door een deel van de doelgroep mogelijk als psychische druk worden ervaren en wat kunnen daarvan de mogelijke consequenties zijn?

Verdiencapaciteit

In de nota Vergroting Participatie Jong Gehandicapten van mei 2008 geeft de regering aan dat zij voornemens is de bestaande beoordelingssystematiek van de regelingen voor jongeren met een beperking van lichte aandoeningen nader te bekijken en waar nodig aanpassing en/of protocollering te overwegen. Is hier inmiddels meer inzicht verkregen en is er sprake van enige aanpassing, vragen de leden van de fractie van het CDA.

De regering wil niet de keuringseisen voor jong gehandicapten aanscherpen, maar wil wel ten aanzien van de lichte aandoeningen de bestaande beoordelingssystemen waar nodig aanpassen en/of protocolleren. Wat houdt dit dan in, zo willen de leden van de VVD-fractie graag weten. Heeft het UWV de plicht om te herkeuren ook na het 27-ste levensjaar, als het van mening is dat de jongere na die leeftijd van 27 jaar alsnog een grotere verdiencapaciteit ontwikkelt, bijvoorbeeld doordat door nieuwe medische of medicinale behandelwijzen, de betreffende handicap beter behandelbaar is?

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGPmerken op dat het risico van de regeling is dat ze onbedoeld onderscheid maakt en dat jonggehandicapten met veel verdiencapaciteit beter af zijn dan jonggehandicapten met weinig verdiencapaciteit.

De leden van deze fracties vragen of de regering nog eens kan aangeven hoe de vaststelling (indicatie) tot stand komt en op basis waarvan de verdiencapaciteit van de jonggehandicapte wordt vastgesteld? Is hiertegen een beroep mogelijk, zodat de jonggehandicapte een «second opinion» kan vragen?

Wordt bij de vaststelling van de verdiencapaciteit ook het oordeel betrokken van opvoeders en het speciaal onderwijs, waar de betrokken Wajonger dus begeleid en geschoold is voor hij de arbeidsmarkt op ging?

Een wajonger met een beperkte verdiencapaciteit zal nooit meer kunnen verdienen dan 75% van het minimumloon, een wajonger met een hogere verdiencapaciteit kan tot 100% van het minimumloon verdienen. De rechtvaardiging van dit verschil is de arbeidsprikkel die uitgaat van de mogelijkheid door eigen arbeid meer te verdienen. Toch blijft hier iets wringen, vooral daar waar arbeidsgehandicapten wel naar vermogen werken, maar zich toch niet een grotere verdienste kunnen behalen. Hoe ziet de regering dit, zo willen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP graag weten.

Terugvaloptie

Naar aanleiding van de beperking van de terugvaloptie, merken de leden van de PvdA-fractie op de motivering van de regering om die optie (ook) voor deze doelgroep na vijf jaar af te sluiten, niet overtuigend te vinden. Naar het oordeel van de aan het woord zijnde leden is de doelgroep van het wetsvoorstel Wajong niet in alle opzichten vergelijkbaar met werknemers die vanuit een dienstverband ziek zijn geworden, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel om die reden faalt. Om te beginnen is een belangrijk – niet-medisch – onderscheid tussen beiden dat de werkende jonggehandicapte zich vaker wel dan niet onderaan het loongebouw bevindt en daardoor, als gevolg van de berekeningssystematiek van de wet WIA nauwelijks kans maakt om WGA-gerechtigd te worden, met alle daarbij behorende extra rechten. Kan de regering daarom nog eens aangeven of er buiten het gelijkheidsbeginsel nog andere redenen zijn om de terugvaloptie in de wet Wajong even beperkt te willen opzetten als in de wet WIA? Ter illustratie waarom die ruimere faciliteit hier wellicht wel geboden is noemen deze leden de jonggehandicapte die na een stevige bemiddeling regulier werk vindt, na vijf jaar uitvalt doordat zijn beperkingen hem steeds meer parten spelen en vrij snel daarna werkloos wordt. Dit kan bijvoorbeeld doordat hij in deze vijf jaar een reeks aan tijdelijke, elkaar opvolgende dienstbetrekkingen heeft gehad en de laatste werkgever besluit het dienstverband niet te verlengen. Hoe dient het UWV met een dergelijk geval om te gaan: ziekengeld weigeren vanwege het verzekeringsbeginsel (art 44.1 ZW), de bevoegdheid van artikel 44.1 niet toepassen en betrokkene ziekengeld toekennen, of de status als jonggehandicapte en dus het recht op arbeidsondersteuning laten herleven? Artikel 5.4.3 lijkt voor dit laatste geen ruimte te bieden. Zien deze leden dit juist?

Oude en nieuwe Wajong

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de zittende Wajongers buiten schot blijven in dit wetsvoorstel. Bij de invoering van de WIA heeft het UWV naast de nieuwe instroom cohortsgewijs de zittende WAO-ers opnieuw gekeurd. Waarom gebeurt dat niet nu ook ten aanzien van de huidige Wajongers, bijvoorbeeld op het moment dat de vraag naar arbeidsplaatsen zich stabiliseert ook al vergt het extra inspanning van de keurende instanties? Het gaat op termijn om bijna de helft van alle uitkeringsgerechtigden in de Wajong. Waarom wordt er een onderscheid gemaakt tussen de aanpak indertijd van de zittende (volwassen) arbeidsongeschikten en de jong gehandicapten?

Uit tabel 4 van de memorie van toelichting1 valt te lezen dat vanaf 2010 geen extra reintegratiemiddelen voor het zittend bestand meer zijn gereserveerd. Betekent dit dat voor de zittende Wajongers minder geld voor re-integratie beschikbaar is?

Is het geen teken aan de wand, zo willen de leden van de VVD-fractie weten, dat de regering verwacht dat de zittende Wajongers geen beroep zullen doen op arbeidsondersteuning? Met andere woorden: dat zij hun huidige situatie wel best vinden, hetgeen toch haaks staat op de doelstelling van de regering om te bevorderen dat allen zoveel mogelijk aan de slag gaan?

De leden van de PvdA-fractie hebben nog een vraag over de voorgestelde keuzeoptie voor oude gevallen. Kan de regering nog eens aangeven waarin de rechten en de rechtspositie van jongeren (tot 27) die voor, dan wel na 1 januari 2008, 18 jaar zijn geworden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen verschillen? Welke rechten komt de jonggehandicapte oude stijl toe die de jonggehandicapte onder de Wet Wajong niet heeft en andersom? Anders gezegd en alles afwegend: voor welke jongere uit de categorie jonggehandicapte oude stijl is de overstap aantrekkelijk? En voor wie is deze stap, in het licht van het feit dat deze onherroepelijk is, riskant?

Wat is na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de positie van zogenaamde late melders: mensen van wie na medisch onderzoek komt vast te staan dat zij vanaf de geboorte structurele functionele beperkingen hebben, maar die zich pas op hun 30e of nog later bij het UWV als jonggehandicapt aanmelden? Komt aan hen de keuze tussen oud en nieuw regiem toe, of worden zij vanwege de late melding aangemerkt als nieuw geval en dus ressorterend onder het regiem van het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGPwillen aandacht vragen voor jonggehandicapten die de overstap willen maken van oude naar nieuwe Wajong. Zij zullen zich daarvoor op of na 1 januari 2010 dienen te melden bij de gemeente. De leden van deze fracties gaan er van uit dat zij daarvoor een uitnodiging ontvangen. Kan de regering dit bevestigen?

Kan tijdelijk of kortdurend verblijf in het buitenland een manier zijn om aan de verplichtingen die de vernieuwde Wajong nu stelt te ontkomen (zie de artikelen 5.3.1. en 5.3.3.), zo willen de leden van deze fracties weten.

Overig

Tot slot hebben de leden van de PvdA-fractie nog een vraag over de wijzigingen in overige regelingen die met dit wetsvoorstel tot stand zijn gebracht. Kan de regering de bepalingen benoemen waarin, bijvoorbeeld bij wijze van reparatie, inhoudelijke wijzigingen zijn aangebracht en deze van een korte toelichting voorzien?

De leden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien met belangstelling de antwoorden van de minister tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Driel

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Kim van Dooren


XNoot
1

Samenstelling:

Van den Berg (SGP), Swenker (VVD), Terpstra (CDA) vice-voorzitter, Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Vedder-Wubben (CDA), Kneppers-Heijnert (VVD), Westerveld (PvdA), Biermans (VVD), Schouw (D66), Van Driel (PvdA) voorzitter, Leijnse (PvdA), Hillen (CDA), Thissen (GroenLinks), Goyert (CDA), Quik-Schuijt (SP), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Vac. (PvdA), Elzinga (SP), Vac. (SP), Yildirim (Fractie-Yildirim) en Flierman (CDA).

XNoot
1

Kamerstukken II 2008 /09, 31 780, nr. 45 en bijlage.

XNoot
2

De WGA-gerechtigde in het private stelsel, een verkennend onderzoek in opdracht van FNV-Vakcentrale, Zoetermeer, 29 juni 2009.

XNoot
3

Het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen, gedrukt onder Kamerstuknummer 31 767.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2008/09, 31 780, nr. 3, p. 34.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2008/09, 31 780, nr. 3, p. 37.

XNoot
3

Kamerstukken I, 2008/09, 31 775, G.

XNoot
1

Kamerstukken I, 2008/09, 31 775, G.

XNoot
1

Kamerstukken II 2008 /09, 31 780, nr. 45 en bijlage.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2008/09, 31 780, nr. 3, p. 48.

XNoot
1

Handelingen TK 2008–2009, nr. 73, p. 5795.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2008/09, 31 780, nr. 3, p. 36.

Naar boven