31 391
Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 10 november 2009

Algemeen

Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie over het onderhavige wetsvoorstel. In deze memorie van antwoord ga ik graag in op de door de leden van de fractie van de SP in het voorlopig verslag gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Zij bieden gelegenheid nader in te gaan op doel en inhoud van de voorgestelde wetgeving.

Totstandkoming wetsvoorstel

De leden van de fractie van de SP vroegen of de regering bereid is om te bevorderen dat in de Aanwijzingen voor de regelgeving een bepaling wordt opgenomen die de concipiënt van een wetsvoorstel ertoe verplicht aan te geven welke artikelen volgen uit implementatie van Europese regelgeving en of daarbij sprake is van een zogenoemde «nationale kop».

Ik reactie op deze vraag merk ik graag het volgende op. In artikel 337 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is thans het uitgangspunt neergelegd dat bij implementatie van EU-regelgeving in de implementatieregeling geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk. Uit deze bepaling volgt dat wanneer van dit uitgangspunt wordt afgeweken, en aldus sprake zou kunnen zijn van een zogenoemde «nationale kop», dit nadrukkelijk toelichting verdient. Dit geldt temeer gelet op het standpunt van uw Kamer terzake. In zoverre voldoen de Aanwijzingen voor de regelgeving reeds aan de wens van de leden van de fractie van de SP.

De memorie van toelichting dient in dat geval inzichtelijk en transparant te zijn. Naar mijn mening voldoet de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel overigens aan deze vereisten. Dat sprake zou zijn van wat deze leden een «zoekplaatje» noemen, wil ik dan ook weerspreken.

Het vorenstaande neemt niet weg dat ik tijdens het overleg dat ik in mei van dit jaar met de vaste commissie voor Justitie uit de Eerste Kamer heb gevoerd over de opzet en architectuur van wetsvoorstel 31 386, een nota heb toegezegd waarin zal worden ingegaan op aspecten van wetgeving die mede verband houden met het door deze leden naar voren gebrachte punt (Kamerstukken I 2008/08, 31 386, F). Ik ben dan ook graag bereid om dit punt bij de voorbereiding van de desbetreffende nota te betrekken.

De leden van de SP-fractie vroegen een nadere toelichting op de rol van de Raad voor de rechtspraak bij de advisering over de wijziging van artikel XIVba betreffende artikel 496a van het Wetboek van Strafvordering, zoals opgenomen in het wetsvoorstel inzake de versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Kamerstukken I 2008/09, 30 143, nr. A).

Deze leden hadden eerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hiervoor genoemde wetsvoorstel in de Eerste Kamer op 23 september 2008 benadrukt dat er vanuit de rechtspraktijk bedenkingen waren geuit over de uitvoerbaarheid van het bij amendement ingevoegde artikel 496a Sv. Mede naar aanleiding van de gedachtewisseling bij die gelegenheid heb ik overleg gevoerd met de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak. Daar ging, hetgeen gebruikelijk pleegt te zijn, ambtelijk overleg aan vooraf. Bij brief van 29 januari 2009 (Kamerstukken I 2008/09, 30 143, nr. F) heb ik uw Kamer verslag gedaan van de uitkomst van het overleg van mij met de Raad en de overwegingen die daaraan ten grondslag lagen.

De leden van de SP-fractie vroegen zich voorts af of hoe deze gang van zaken zich verhoudt tot de adviestaak van de Raad voor de rechtspraak. Op grond van artikel 95a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Raad voor de rechtspraak een adviserende taak. Artikel 95a, eerste lid, luidt: De Raad heeft tot taak regering en Staten-Generaal te adviseren omtrent algemene verbindende voorschriften en te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de rechtspleging (...). Er is derhalve sprake van een adviestaak en niet van een verplichting – voor in dit geval de Minister van Justitie – om advies in te winnen. Ik verwijs hier ook naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet Raad voor de rechtspraak (Kamerstukken II 1999/2000, 27 182, nr. 3; toelichting op artikel 95). Het vorenstaande neemt niet weg dat ik de aansporingen van de leden van uw Kamer serieus heb genomen en nader overleg heb gevoerd over de uitvoeringsconsequenties van – kortweg – het aangenomen amendement Wolfsen/Cörüz, welk overleg heeft geresulteerd in de derde nota van wijziging (Kamerstukken II 2008/09, 31 391, nr. 9) bij het onderhavige wetsvoorstel. Daarmee wordt uiteindelijk een wijziging aangebracht in wetsvoorstel 30 143, indien dit tot wet wordt verheven.

Voor zover de leden van de SP-fractie bedenkingen mochten koesteren tegen het deels informele karakter van mijn discussie met de Raad voor de rechtspraak op dit punt, omdat het parlement daarbij niet rechtstreeks betrokken is geweest, kan ik deze bedenkingen niet onderschrijven. Door immers mededeling van dit overleg te doen, ben ik in de Tweede Kamer in de gelegenheid geweest om nadere vragen te beantwoorden, hetgeen zich thans in uw Kamer herhaalt. De omstandigheid of dit overleg formeel of informeel was doet daaraan niet toe of af. Van enige strijd met het democratisch staatsbestel kan hier naar mijn mening geen sprake zijn.

Ten aanzien van de adviseringstaak van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak (NVvR) verwijs ik naar artikel 48 van de Wet rechtspositie van rechterlijke ambtenaren, waarin is opgenomen dat de Minister van Justitie overleg pleegt met de Sectorcommissie rechterlijke macht (met een vertegenwoordiging van de NVvR) over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. In de praktijk pleegt over een conceptwetsvoorstel op het terrein van de strafvordering altijd advies te worden ingewonnen bij de Raad voor de rechtspraak en de NVvR, tegelijkertijd. Op de verhouding tussen de advisering door de Raad en de NVvR ben ik uitvoerig ingegaan in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Kamerstukken II 2008/09, 32 201, nr. 3, p. 26). Ik moge deze leden daarnaar verwijzen.

Effectiviteit van het wetsvoorstel

De leden van de SP-fractie spraken de zorg uit dat de thans voorliggende tekst van artikel 496a Sv de rechter nog onvoldoende armslag zou bieden bij het beoordelen van de vraag of de zaak moet worden aangehouden omdat de ouders van de minderjarige verdachte niet ter terechtzitting zijn verschenen. Deze leden merkten terecht op dat ik bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit voorstel in de Tweede Kamer op 11 juni 2009 heb aangetekend dat ik ervan uitga dat de rechter de nieuwe bepaling op passende wijze zal uitleggen. Dat betekent ook dat duidelijk is dat de rechter niet moet worden belast met voorschriften die ertoe leiden dat een zaak altijd moet worden aangehouden, met als gevolg dat handelingen moeten worden verricht ten aanzien van ouders, waarbij op voorhand al vaststaat dat deze niet het gewenste resultaat zullen opleveren: namelijk aanwezigheid op de terechtzitting. Deze leden zullen eveneens hebben opgemerkt dat de woordvoerders bij de plenaire behandeling meer de nadruk legden op de noodzaak van aanwezigheid van de ouders dan op de uitvoerbaarheid daarvan dan deze leden en de praktijk van de rechtspraak voor wenselijk wordt gehouden. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is naar mijn mening de huidige redactie vatbaar voor een redelijke wetsuitleg en praktische toepassing. Het is mij bekend dat er bij enkele leden van de zittende magistratuur nog steeds enige zorg bestaat over de feitelijke uitvoering van deze bepaling, maar een officieel advies van de NVvR hierover heeft mij niet bereikt. Wel heb ik inmiddels opdracht gegeven voor een zogenoemde ex ante evaluatie gericht op de uitvoering van dit onderdeel van het wetsvoorstel onder auspiciën van het WODC. Op die manier kunnen gegevens worden verzameld die van dienst kunnen zijn bij de daadwerkelijke invoering van dit onderdeel, indien het wetsvoorstel tot wet mocht worden verheven.

Samenhang met nationale- en Europese wetgeving

De leden van de fractie van de SP brachten in herinnering dat zij in het kader van andere wetsvoorstellen gevraagd hadden hoeveel terrorismewetgeving nog in voorbereiding is. Zij vroegen zich af wanneer een overzicht van de nieuwe initiatieven op dit gebied tegemoet kon worden gezien. Deze leden kan ik andermaal berichten dat wij op dit moment geen andere wetgeving ter strafrechtelijke bestrijding van terrorisme in voorbereiding hebben dan de wetgeving die thans nog bij de Eerste Kamer aanhangig is. De aan het woord zijnde leden gaven daarnaast aan dat het kabinet positief heeft gereageerd op het rapport van de commissie Suyver. Zij vroegen in dit verband of het kabinet bereid was om ook in Brussel terughoudendheid ten aanzien van de totstandbrenging van nieuwe antiterrorismemaatregelen te bepleiten. In reactie op deze vraag zou ik deze leden willen meedelen dat ik naar aanleiding van het rapport van de commissie Suyver de Tweede Kamer tijdens een algemeen overleg van 29 oktober jl. heb bericht dat ik de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding heb verzocht de aanbevelingen van het rapport van de commissie Suyver direct ter hand te nemen en hiertoe een werkplan op te stellen. Een door Nederland in te nemen standpunt dat eventuele Europese initiatieven dienen te worden opgeschort in afwachting van de uitvoering van dit werkplan acht ik evenwel minder in de rede liggen. Dat neemt uiteraard niet weg dat het kabinet toekomstige Europese voorstellen op het gebied van terrorismebestrijding zal blijven beoordelen op nut, noodzaak, proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven