Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-200931795 nr. B

31 795
Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met een verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om op begrijpelijke wijze inlichtingen te verstrekken over de keuze tussen de verschillende wijzen waarop een aanspraak tot gelding kan worden gebracht en enige andere wijzigingen

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT/JEUGD EN GEZIN1

Vastgesteld 28 mei 2009

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het voorleggen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie constateren dat de wijzigingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zeker een verbetering inhouden voor de uitvoering van de wet.

Echter, bij een nadere beschouwing van de problemen die zich bij de uitvoering van dit onderdeel van de Wmo voordoen, zijn deze leden geenszins gerustgesteld

De leden van de fractie van de PvdA hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden sluiten zich graag aan bij de vragen van de fracties van ChristenUnie en SGP en hebben daarnaast nog enkele andere vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met genoegen kennis genomen van de voorgenomen wetswijziging en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP vinden de voorgestelde wetswijziging een aanmerkelijke verbetering van de Wmo. Hierdoor komt een einde aan de situatie waarin cliënten werkgevers- of opdrachtgeversverplichtingen hebben, ook wanneer zij dat zelf niet wensten of waar het een belasting voor betrokkenen was.

Tevens wordt de inzet van alfahulpen beter geregeld en wordt de keuzevrijheid van cliënten vergroot.

Aanleiding wetswijziging

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de kernvraag – krijgt de burger die dat nodig heeft ook de juiste hulp en liefst op korte termijn – met deze reparatiewetgeving niet echt is beantwoord. Is de regering als systeemverantwoordelijke zich hiervan bewust?

Is de regering bereid om het huidige verloop en tussentijdse reparatie van de invoering van Wmo grondig te toetsen aan de oorspronkelijke doelstellingen van de wet, in concreto ten aanzien van de vraag of de burger in een kwetsbare positie, door het streven naar meer individualisering in de zorg en bevordering van de marktwerking, niet tóch het kind van de rekening dreigt te worden?

De regering noemt zich systeemverantwoordelijke in deze. De vraag is tot waar deze verantwoordelijkheid reikt: vanuit welk perspectief en binnen welk tijdsbestek ziet de regering deze verantwoordelijkheid en in hoeverre passen de nu voorgestelde ingrepen binnen het oorspronkelijke karakter van de wet waarin tevens sprake is van een herschikking van verantwoordelijkheden tussen centrale en decentrale overheid?

Individuele voorziening

De leden van de CDA-fractie citeren het ingevoegde artikel 6a, waarin burgemeester en wethouders worden verplicht de personen bedoeld in artikel 6 eerste lid «vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in te lichten over de gevolgen van de keuze voor een individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming». VWS en VNG doen een handreiking om tot deze informatie te komen. De recente informatie op internet voldoet hier echter (nog) niet echt aan. Vooral het begrip financiële vergoeding komt niet goed uit de verf. De beschikbare concept-modelfolder over het persoonsgebonden budget (pgb) is weliswaar een poging in die richting, maar het begrip werkgeverschap komt er bijvoorbeeld niet in voor. Dit brengt de leden van deze fractie meer algemeen op de vraag hoe wordt toegezien op de informatieverstrekking; bij verschillende gemeenten zijn immers nog geen Wmp-loketten.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarop zij haar verwachting baseert dat door de financiële tegemoetkoming die gemeenten naast het pgb en de zorg in natura kunnen hanteren, de keuzevrijheid van burgers om voor een andere vorm van zorg en tegemoetkoming te kiezen niet onder druk komt te staan.

De verhouding tussen pgb, zorg in natura en de financiële vergoeding is de leden van deze fractie daarnaast niet geheel duidelijk. Is de financiële vergoeding bedoeld als onderdeel of optie onder het pgb-regime of gaat het om een afzonderlijke mogelijkheid? Kan de regering dit toelichten? Is de regering van mening dat de ZZP (zelfstandigen zonder personeel) bemiddelingsbureaus die door gemeenten worden ingeschakeld de zorg in natura kunnen leveren? Hebben zij daarbij dezelfde verplichtingen als de toegelaten instellingen? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet en acht de regering dat wenselijk? De leden van de PvdA-fractie vragen verder op welke wijze het Centraal Administratie Kantoor (CAK) dit zal gaan uitvoeren. Indien de financiële vergoeding een aparte mogelijkheid is naast pgb en zorg in natura zal dit wellicht meer veranderingen in de uitvoeringssystemen met zich brengen dan wanneer het als optie onder het pgb gehangen moet worden. Klopt dit en is het CAK in staat om deze wetswijziging op korte termijn te implementeren?

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering voorts toe te lichten in welke situatie zij voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid die bij amendement-Wolbert1 is geboden om een algemene maatregel van bestuur te maken waarin nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de gemeentelijke overheid de relatie tussen de verschillende financieringsmogelijkheden inzichtelijk maakt en communiceert.

De Wmo heeft als doel de participatie van de burger te bevorderen. Om dat te bewerkstelligen is ondermeer in artikel 4 het compensatiebeginsel opgenomen. Gemeenten compenseren burgers voor hun beperkingen in hun maatschappelijke participatie bij het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en rondom de woning en lokaal en het aangaan van sociale verbanden. De wet geeft de burger op deze terreinen recht op compensatie door gemeenten. Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat gemeenten mensen die aanspraak hebben op een individuele voorziening huishoudelijke zorg eerst een aanbod van een voorziening ’in natura’ moeten doen, zoals in de AWBZ, en pas als de burger een persoonsgebonden budget of financiële vergoeding voor een alfahulp (vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in art.5 van de Wet op de loonbelasting 1964) wenst, hem dit wordt aangeboden. Zo niet, waarom niet?

De aanvrager van een persoonsgebonden budget of financiële vergoeding dient uitvoerig van informatie te worden voorzien over de consequenties van deze keuze, conform Wmo-artikel 6a.2. Deelt de regering de mening van de leden van SP-fractie dat gemeenten pas tot toekenning over moeten gaan nadat een huisbezoek aan deze mensen met een aanspraak op een individuele voorziening huishoudelijke zorg heeft plaatsgevonden. Dit om er voldoende van verzekerd te zijn dat deze veelal kwetsbare mensen de benodigde informatie begrijpen en de consequenties overzien. Zo niet, kan de regering dit dan toelichten?

Het is niet de bedoeling dat bemiddelingsbureaus werkgeverstaken overnemen van de burger die met een persoonsgebonden budget of financiële vergoeding een huishoudelijke hulp in dienst neemt. Er zou een keurmerk voor dergelijke bemiddelingsbureaus worden ontwikkeld. Kan de regering aangeven wanneer dit keurmerk gereed is? Zal dit keurmerk verplicht worden? Zo ja, is de regering van mening dat een keurmerk beter is dan een vergunningsplicht; zo ja, waarom? Als het keurmerk niet verplicht wordt, hoe wordt dan toegezien op deze bureaus? Wordt hiervan periodiek verslag uitgebracht? Is de regering bereid met de gemeenten af te spreken alleen in zee te gaan met bemiddelingsbureaus die een keurmerk hebben? De leden van de SP-fractie vernemen graag een toelichting op bovenstaande vragen.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP willen graag opheldering over de eigen bijdrageregeling (artikel I, onderdeel F, artikel 15). Deze wordt bij verordening door de gemeenteraad vastgesteld. Graag ontvangen deze leden op dit punt meer toelichting. In welke gevallen kan de gemeenteraad dat doen? Wordt de hoogte van de eigen bijdrage ook bepaald door de gemeenteraad? Hoe te voorkomen dat dit leidt tot grote verschillen tussen gemeenten voor vergelijkbare voorzieningen?

Arbeidsmarkt en aanbesteding

Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie of de uitvoering van dit wetsvoorstel nog meegenomen kan worden in de eerstkomende ronde aanbesteden en op welke wijze dat in de uitvoering gecommuniceerd en gerealiseerd wordt.

Om negatieve gevolgen van de overgang van contracten van de ene naar de andere aanbieder in de Wmo na een nieuwe aanbesteding door een gemeente – op het terrein van de huishoudelijke hulp – zowel voor de burger als voor de individuele thuiszorgmedewerker te beperken wordt aan de Wmo een overgangsbepaling toegevoegd. Om te bevorderen dat betrokken partijen afspreken hoe eventuele overname van het personeel plaatsvindt, is voor de huishoudelijke verzorging voorzien in een overlegverplichting. Mede gelet op de intentie van de overlegbepaling en het doel aan te sluiten bij de vraag van de cliënt, stellen de SP-fractieleden de staatssecretaris de vraag of er vanuit gegaan mag worden dat daar waar de cliënt en medewerker beide «duo» wensen te blijven na een nieuwe aanbesteding, de nieuwe aanbieder van huishoudelijke zorg verplicht is tot overname van deze duo’s, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP wijzen er op dat door de invoering van deze wetswijziging een nieuwe arbeidsmarktdynamiek kan ontstaan. De invoering van de Wmo is gepaard gegaan met verschuivingen op de arbeidsmarkt, waarbij goedkope krachten duurdere vervingen of voor een lager tarief hetzelfde werk moest worden uitgevoerd. Deze marktdynamiek heeft grote consequenties gehad, die nu deels worden gerepareerd. Het zou onwenselijk zijn als nu opnieuw heftige marktbewegingen volgen. Kan de regering aangeven welke dynamiek zij verwacht na het aannemen van deze wetswijziging?

Beter in meedoen

De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat de Eerste Kamer naar aanleiding van het beleidsdebat van 30 september 2008 over de AWBZ en Wmo op 23 december 2008 een brief van de staatssecretaris heeft ontvangen, waaruit onder meer valt op te maken dat het streven er op is gericht programma’s te ontwikkelen die vernieuwing en kwaliteitsverbetering van de Wmo tot gevolg hebben.1 Eén van deze programma’s – «Beter in meedoen» – wordt daarbij uitvoerig toegelicht. De uitvoering is in handen gegeven van verschillende kenniscentra met betrokkenheid van VWS. Het programma kent een looptijd van vijf jaar. Een nadere beschouwing van dit plan toont dat er sprake is van een groot aantal projecten waarmee men wil aantonen welke interventies (projecten) in het sociale domein succesvol zijn. Maar het huidige probleem met de toekenning van de thuiszorg is hiermee niet opgelost, sterker nog, lijkt ook geen deel uit te maken van het betreffende programma. Directe ondersteuning in de praktijk en minder nadruk op evaluatie achteraf lijkt in dit stadium effectiever. De leden van de CDA-fractie vragen of de opzet van dit programma reeds is goedgekeurd of dat dit in fasen zal verlopen. Wie controleert en ziet toe op de effectiviteit, zo vragen deze leden.

De leden van de genoemde fracties zien de antwoorden van de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin,

Slagter-Roukema

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin,

Warmolt de Boer


XNoot
1

Samenstelling:

Werner (CDA), Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD), vice-voorzitter, Rosenthal (VVD), Swenker (VVD), Tan (PvdA), Van de Beeten (CDA), Slagter-Roukema (SP), voorzitter, Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Putters (PvdA), Leijnse (PvdA), Engels (D66), Thissen (GL), Goyert (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP), Klein Breteler (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD), Laurier (GL), Ten Horn (SP), Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Boer (CU) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 795, nr. 18.

XNoot
1

Kamerstukken I 2008/09, 31 700 XVI, F.