31 392
Wijziging van de Kieswet in verband met het verlenen van het kiesrecht voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement aan alle Nederlanders die in de Nederlandse Antillen en Aruba woonachtig zijn

D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS DER KONINGIN1

Vastgesteld 21 oktober 2008

De leden van de CDA-fractie houden na het lezen van de memorie van antwoord waarin zij ook verduidelijkingen en bevredigende antwoorden aantroffen toch nog een belangrijke vraag over.

Kern van het betoog van de staatssecretaris lijkt de leden van het CDA te zijn dat het Europees Parlement (EP), gegeven het feit dat de Nederlandse Antillen en Aruba de status van landen en gebieden overzee (LGO) hebben, niet beschouwd kan worden als een vertegenwoordigend lichaam voor deze beide landen: uit het Europees recht vloeit dan ook niet voort dat de inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba het kiesrecht voor het Europees Parlement zouden moeten hebben. Dit volgt ook niet uit het Europees burgerschap. Het is dus aan de lidstaat, in dit verband het Koninkrijk, om te beslissen of dit kiesrecht toegekend zal worden. Binnen de statutaire verhoudingen is vervolgens Nederland gerechtigd om te beslissen op welke wijze het kiesrecht voor het EP wordt vormgegeven, en de regeling waar dat dient te geschieden is de (Nederlandse) Kieswet. Hierover valt het volgende op te merken.

De regering stelt terecht, zo menen deze leden van het CDA, dat de LGO-status voor de Nederlandse Antillen en Aruba met zich brengt dat het Europees Parlement niet zonder meer als een vertegenwoordigend orgaan voor deze beide Landen heeft te gelden: het geringe geldingsbereik van het Europese recht ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba rechtvaardigt de stelling dat het Europees Parlement niet mede door de inwoners van de Nederlandse Antillen gekozen behoeft te worden. Het is dan ook, zo meent de regering evenals het Hof (Eman Sevinger arrest) en overigens evenals de leden van de CDA fractie, aan de lidstaat om te beslissen of het kiesrecht voor het Europees Parlement aan de inwoners van een LGO wordt toegekend. Het Hof eist slechts dat een rechtsongelijkheid tussen Nederlanders in derde landen en Nederlanders in de Nederlandse Antillen en Aruba wordt opgeheven. Dat kan volgens het Hof op twee manieren: ófwel door Nederlanders in derde landen het kiesrecht voor het Europees Parlement te ontnemen, ófwel door Nederlanders in de Nederlandse Antillen het kiesrecht voor het Europees Parlement te verlenen. De regering kiest, mede om principiële redenen, voor het laatste. Zoals de leden van het CDA al in het voorlopig verslag aangaven delen zij die keuze. Maar vervolgens rijzen bij hen vragen die nog niet zijn beantwoord.

Kan worden volgehouden dat als de lidstaat dat is het Koninkrijk der Nederlanden ervoor kiest om de Nederlanders in de Nederlandse Antillen en Aruba het kiesrecht voor het Europees Parlement te verlenen, dit orgaan hen desondanks niet vertegenwoordigt. Zodra de Nederlanders in de Nederlandse Antillen en Aruba mogen stemmen voor het Europees Parlement en zij ook daarin verkozen kunnen worden, vertegenwoordigt het Europees Parlement ook hen. Dat volgt niet uit de LGO-status maar uit de keuze van het Koninkrijk om hen kiesrecht te verlenen. Het zou merkwaardig zijn om aan te nemen dat de ingezetenen van de Nederlandse Antillen en Aruba met de Nederlandse nationaliteit niet vertegenwoordigd worden door een orgaan dat ze mede samenstellen!

Daaraan is volgens de leden van het CDA onlosmakelijk de vraag verbonden wie dan bevoegd is om dit kiesrecht te regelen. De regering stelt in de memorie van antwoord dat dit Nederland is. Het landsvolk van Europees Nederland zogezegd via de Nederlandse Kieswet. De wetgevende autonomie van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van het kiesrecht strekt zich volgens de regering slechts uit over de regulering van het kiesrecht voor de eigen vertegenwoordigende organen (de eigen Statencolleges en voor de Nederlandse Antillen de vijf Eilandsraden): de regeling van het kiesrecht voor de Staten-Generaal en het Europees Parlement zou voorbehouden zijn aan Nederland. De regering lijkt hier opnieuw (door zo nadrukkelijk Tweede Kamer en Europees Parlement aan elkaar te koppelen), zij het stilzwijgend, de stelling te betrekken dat de Nederlandse Antillen en Aruba niet de bevoegdheid hebben om regels te stellen omtrent verkiezingen voor het Europees Parlement omdat dit orgaan hen niet vertegenwoordigt. Begrijpen de leden van het CDA deze opstelling juist? Houdt de regering vol, zo vragen de leden van het CDA, dat het Europees Parlement de Nederlanders in de Nederlandse Antillen en Aruba niet vertegenwoordigt, terwijl het voortaan wel mede uit en door hen verkozen wordt? Zulks anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk waar de inwoners van de Franse LGO’s het kiesrecht voor het EP en zelfs eigen zetels bezitten. Frankrijk trekt derhalve uit het feit dat de inwoners van de eigen LGO’s mogen stemmen voor het EP de conclusie dat ze dus ook door dit Parlement vertegenwoordigd worden. Kent de regering misschien voorbeelden in deze wereld waarbij burgers een actief en passief kiesrecht bezitten voor parlementen die desondanks niet als een hun vertegenwoordigend orgaan worden beschouwd? Er ligt zo menen deze leden van het CDA toch een principieel verschil tussen het Europees Parlement en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Deze leden verwijzen in dit verband andermaal naar het eerder genoemde artikel van de heer Hoogers in het Nederlands Juristenblad.

Zolang de inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba niet voor de Tweede Kamer mogen stemmen kan de regeling voor de verkiezing ervan volledig aan de Kieswet worden voorbehouden. Indien dat met het Europees Parlement niet langer het geval is wordt de vraag actueel wie op grond van de in het Statuut gelegen verhoudingen bevoegd is dit kiesrecht te regelen. Kiesrecht is geen aangelegenheid van het Koninkrijk: het is derhalve in de statutaire systematiek een Landsaangelegenheid, zo volgt uit artikel 41 lid 1 Statuut. Nederland is derhalve bevoegd om het kiesrecht voor zijn eigen vertegenwoordigende organen te regelen en de Nederlandse Antillen en Aruba zijn bevoegd om het kiesrecht voor hun eigen vertegenwoordigende organen te regelen. Maar hoe zit het dan, zo vragen de leden van het CDA opnieuw aan de regering, met het Europees Parlement, dat tot nu toe slechts voor Nederland als vertegenwoordigend orgaan is opgetreden maar voortaan, door een zelfstandige beslissing van het Koninkrijk, onder meer (de inwoners van) alle drie de Landen gaat vertegenwoordigen? Er lijken naar het stelsel van het Statuut twee antwoorden mogelijk. Ofwel beslissen de Landen om in gemeen overleg de verkiezing voor de leden van het Europees Parlement in een consensusregeling (al dan niet bij Rijkswet) uit kracht van artikel 38 van het Statuut te regelen, ófwel regelen de drie Landen ieder afzonderlijk op welke wijze hun eigen inwoners met de Nederlandse nationaliteit deelnemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement, uiteraard binnen de grenzen die het Europees recht daaraan stelt. Niet bevoegd tot regeling zo komt het vooralsnog deze leden van het CDA voor zijn echter het Koninkrijk-uit-eigen-hoofde (het gaat niet om een aangelegenheid van het Koninkrijk) en het Land Nederland (de Landen genieten geen bevoegdheden jegens elkaar). Het Statuut voorziet, zo menen de leden van het CDA, ook niet in de mogelijkheid dat de Nederlandse Antillen en Aruba Nederland machtigen om voor hen regelingen te treffen. Dat kan wél (op beperkte schaal) jegens het Koninkrijk ex artikel 52, maar niet jegens Nederland – en in ieder geval kan dit niet vormvrij en zonder nadrukkelijke beslissing daartoe van de wetgevers van de beide Landen. De rechtsfiguur die de regering hier voorstelt is er een waarbij het Land Nederland zonder machtiging door de beide andere Landen de bevoegdheid geniet om een autonome Landsbevoegdheid van deze beide Landen uit eigen hoofde en onder eigen verantwoordelijkheid in een eigen Landsregeling(Kieswet) neer te leggen. Dit is een rechtsfiguur die het Statuut volgens hen tot nu toe niet kende. Zij schept naar het de leden van het CDA voorkomt over en weer binnen het Koninkrijk precedenten, omdat dan niet meer duidelijk is in welke gevallen de Landen elkaars wetgevende autonomie hebben te respecteren en in welke gevallen zij blijkbaar gerechtigd zijn om Landsaangelegenheden van één der andere Landen te reguleren. Het is daarom voor de CDA-fractie wezenlijk dat de regering haar standpunten terzake van deze vragen verder verheldert. Dit geldt zo moge duidelijk zijn met name ook haar standpunt dat na invoering van deze wet het Europese Parlement niet als een vertegenwoordigend orgaan van en voor de Nederlandse ingezetenen van de Landsvolken van de Nederlands Antillen en Aruba moet worden beschouwd. Maar ook vanwege de precedentwerking van wat wordt voorgesteld is een nadere standpuntbepaling bepaald wenselijk.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis der Koningin,

Hermans

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis der Koningin,

Hester Menninga


XNoot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Meindertsma (PvdA), Bemelmans-Videc CDA), Dölle (CDA), Ten Hoeve (OSF), Kox (SP), Russell (CDA), Noten (PvdA), Putters (PvdA), vice-voorzitter, Engels (D66), Thissen (GL), Hendrikx (CDA), Van Kappen (VVD), De Boer (CU), Quik-Schuijt (SP), K.G. de Vries (PvdA), Schaap (VVD), Hermans (VVD), voorzitter, Ten Horn (SP), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Böhler (GroenLinks), Lagerwerf-Vergunst (CU), Rehwinkel (PvdA), Duthler (VVD), Vliegenthart (SP) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

Naar boven