D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld 10 april 2009
De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het
maken van de volgende nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere
vragen.
De leden van de PvdA-fractie zijn de staatsecretaris
erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van hun vragen in de memorie
van antwoord. Zij zien in de memorie van antwoord bevestigd, dat er maatschappelijk
behoefte bestaat aan het spoedshalve kunnen optreden tegen advocaten en notarissen,
waarvan ernstig wordt vermoed dat zij zich misdragen jegens cliënten
dan wel het aanzien van de beroepsgroep in diskrediet brengen en waartegen
onverwijld optreden noodzakelijk wordt geacht.
Eén onderwerp echter achtten zij onvoldoende in de memorie van
antwoord beantwoord. Het gaat dan om de mogelijkheid om schadevergoeding uit
te keren aan die advocaat of notaris, die spoedshalve is geschorst of een
andere tuchtmaatregel heeft opgelegd gekregen, en waarvan achteraf moet worden
geconcludeerd, dat dit ten onrechte is geschied dan wel het ernstig vermoeden
niet hard te maken bleek.
Alle partijen hebben hierover vragen gesteld, ongetwijfeld niet omdat
er voor dit wetsvoorstel als geheel geen draagvlak zou zijn, maar omdat een
schadevergoedingsregeling voor een ten onrechte opgelegde tuchtmaatregel een
logisch en te rechtvaardigen sluitstuk zou zijn in deze wet.
In de memorie van antwoord stelt de staatssecretaris dat de mogelijkheid
bestaat dat achteraf moet worden geconcludeerd, dat de maatregel niet had
moeten worden opgelegd. Zij ontkent evenwel dat dit altijd tot een aansprakelijkheid
voor geleden schade zou moeten leiden. Alleen indien er sprake is of is geweest
van onrechtmatig handelen (veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen,
bewust onjuiste klacht, etc.) meent zij dat er voldoende reden is om een civiele
onrechtmatige daadprocedure aan te vangen. Wil de staatssecretaris met deze
opmerking impliceren, dat bij onopzettelijke vergissingen er geen wettelijke
aansprakelijkheid zou kunnen zijn voor geleden schade?
Hoe groot schat zij de kans, dat een zeer ernstig lijkende gedraging (de 1
notaris lijkt de chauffeur van Osama Bin Laden te hebben gefaciliteerd)
achteraf een canard blijkt (degene aan wie de dienst werd verleend, was een
verre neef van de chauffeur met exact dezelfde naam)? Wordt daarmee de spoedmaatregel
onrechtmatig? Hoe gaat de notaris dat bewijzen? Als de spoedmaatregel terecht
en proportioneel was – hetgeen deze leden veronderstellen –, vervalt
dan voor de notaris de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen?
Als deze wettelijke aansprakelijkheid voor rechtmatig genomen maatregelen
niet zou bestaan, zo vragen deze leden zich af, waarom zijn de deken en ook
de leden van de Raad van Discipline dan voor hun handelen in de uitoefening
van hun functie WA verzekerd?
Of betekent deze mededeling van de staatssecretaris, dat advocaten aan
wie (via de deken en Raad van Discipline) een spoedshalve schorsing wordt
opgelegd, wèl achteraf verhaal hebben indien hun schorsing niet in
een bodemprocedure wordt bevestigd; en dat notarissen deze mogelijkheid missen?
Hoe wordt dit verschil in mogelijkheden tussen notarissen en advocaten
gemotiveerd?
Indien de staatssecretaris niet voornemens is om de voorzitters van de
Kamers van Toezicht op een gelijksoortige wijze WA te verzekeren als thans
de dekens en leden van de Raden van Discipline verzekerd zijn door de Orde,
is er dan toch niet alle reden om terug te komen op de vraag van de leden
van de PvdA-fractie of de ringvoorzitters in het notariaat niet een meer gelijksoortige
rol zouden moeten gaan vervullen, zoals de dekens in de advocatuur? Of is
er geen reden om terug te komen op haar stelling dat een regeling analoog
aan de artikelen 89 e.v. Wetboek van Strafvordering, waarnaar de leden van
SGP en CU hebben gevraagd, niet in de rede ligt?
Is er tenslotte wellicht aanleiding voor de staatssecretaris om met de
Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) in overleg te treden,
hoe met deze problematiek om te gaan? Het voor rekening en risico van de KNB
verzekerbaar maken van een ten onrechte opgelegde spoedmaatregel kan immers
ook de drempel verlagen om een dergelijke spoedprocedure aan te durven (men
loopt minder het risico met een OD-procedure belaagd te worden). De KNB stelt
zich volledig achter het creëren van een spoedshalve voorlopige voorziening-procedure,
de drempelverlaging lijkt daarom ook in het belang van de KNB.
Indien de staatssecretaris bewust zou hebben gekozen om notarissen anders
te behandelen dan advocaten, heeft de staatssecretaris dan bij haar beslissing
om géén generieke mogelijkheid tot schadevergoeding te creëren,
rekening gehouden met het feit, dat juist notarissen extra zullen worden getroffen
door een eventuele schorsing omdat het Bureau Financieel Toezicht onmiddellijk
zal ingrijpen, indien door de schorsing de deugdelijkheid van de financiële
organisatie van de notaris onder druk komt te staan?
Het is de staatssecretaris toch wel bekend, dat advocaten – wellicht
niet formeel maar wel materieel – iets langer dan notarissen de dans
kunnen ontspringen en zo feitelijk in de gelegenheid zijn om reparatiemaatregelen
te treffen?
Is het niet bezwaarlijk, dat de notaris, aan wie ten onrechte een spoedshalve
tuchtmaatregel is opgelegd, via een civielrechtelijke OD-procedure bij de
rechter een schadevergoeding (van wie?) moet opeisen met alle bewijsmoeilijkheden
(zie het voorbeeld zoals hierboven genoemd) en kosten van dien, terwijl een
advocaat onder dezelfde omstandigheden kan volstaan om bij de deken een verzekeringsclaim
in te dienen?
Deze leden veronderstellen, dat in de algehele Herziening van het Tuchtrecht
voor wettelijk geregelde beroepen, welke thans in voorbereiding is, voor alle
beroepen de mogelijkheid voor een spoedshalve tuchtrechtvoorziening getroffen
zal gaan worden. Is deze veronderstelling juist? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, is de staatssecretaris dan bereid om ook in deze wet te bezien,
hoe in de wettelijke aansprakelijkheid voor ten onrechte maar niet onrechtmatig
opgelegde spoedmaatregelen voorzien gaat worden?
De leden van de commissie Justitie zien de reactie van de staatssecretaris
met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,
Van de Beeten
De griffier van de vaste commissie voor Justitie,
Kim van Dooren