31 374
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

L
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 februari 2009

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft de nota naar aanleiding van het verslag inzake wetsvoorstel 31 374Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits en gasmarkt besproken en naar aanleiding daarvan hebben de leden van de SP-fractie in de commissie voor Economische Zaken nog een tweetal vragen.

Deze vragen zijn bij brief d.d. 27 januari 2009 aan de minister van Economische Zaken gestuurd.

De minister heeft op 12 februari 2009 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de commissie,

Warmolt de Boer

BRIEF AAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Den Haag, 27 januari 2009

Naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag inzake wetsvoorstel 31 374 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits en gasmarkt hebben de leden van de SP-fractie nog een tweetal vragen. Graag wil ik u hiervan in kennisstellen.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Warmolt de Boer

Nadere vragen van de SP-fractie inzake wetsvoorstel 31 374 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

De leden van de SP-fractie danken de minister van Economische Zaken voor haar Nota naar aanleiding van het verslag van de commissie voor Economische Zaken. Naar aanleiding daarvan hebben zij nog twee vragen.

Wat is volgens de minister van Economische Zaken de geschatte maximale negatieve en positieve afwijking (i.e. de bandbreedte) ten opzichte van de centrale projectie van het totaal van de kosten en baten?

Heeft de minister een risico-analyse gemaakt van het gehele project? Indien dit het geval is, wat is dan de kwantitatieve uitkomst van deze analyse?

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 februari 2009

Met belangstelling is kennis genomen van de twee nadere vragen die de leden van de SP-fractie bij brief van 27 januari 2009 hebben gesteld naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag. Hieronder wordt op beide vragen ingegaan.

De leden van de fractie van de SP vroegen ten eerste naar de geschatte maximale negatieve en positieve afwijking ten opzichte van de centrale projectie van het totaal van de kosten en baten van invoering van de op afstand afleesbare meetinrichting.

Een kosten-batenanalyse (KBA) is een systematische methode om de kosten en baten van een project voor een samenleving als geheel in kaart te brengen. Deze methode is goed verankerd in de welvaartstheorie en kent een lange traditie. Projecten worden met een zogenoemd nul-alternatief vergeleken: een combinatie van de beste andere aanwending van middelen en de best mogelijke andere oplossingen voor knelpunten. Als bij uitvoering van een project de totale baten voor de maatschappij groter zijn dan de totale kosten, is het uitgangspunt dat de samenleving als geheel erop vooruitgaat. Daar bij een project vaak «winnaars» en «verliezers» zijn, worden verdelingseffecten zichtbaar gemaakt. De weging daarvan is een politieke beslissing. Ook de onzekerheden en risico’s die met een project samenhangen worden geïnventariseerd.

Het KEMA-model bevat kosten- en batenposten en de bijbehorende invoerparameters. De invloed van de diverse invoerparameters op het projectresultaat (de netto contante waarde voor het project) wordt door het zogenaamde tornadodiagram weergegeven (zie bijlage A1 ). Dit tornadodiagram geeft weer hoe de onzekerheid in één enkele parameter doorwerkt in de uiteindelijke netto contante waarde van het project. Een grote invloed kan betekenen dat de betreffende parameter onzeker is (groot onzekerheidsgebied) óf dat de netto contante waarde van het project heel gevoelig is voor variaties in deze parameter. Over het algemeen kan gesteld worden dat onzekere of gevoelige parameters de meeste aandacht behoeven omdat ze een groter risico vormen voor het behalen van het geprognosticeerde projectresultaat.

Om de onzekerheden in de individuele parameters te vertalen naar de onzekerheid in het projectresultaat kan in eerste instantie voor iedere parameter eerst de waarde met de meest negatieve invloed op de netto contante waarde gebruikt worden en daarna de waarde met de meest positieve invloed. Dit geeft echter een groot en onrealistisch onzekerheidsgebied voor de netto contante waarde van het project omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat alle parameters tegelijkertijd deze extreme waarde aannemen. De kans dat dergelijke extreme waarden optreden is volgens KEMA voor de huidige modelparameters volkomen verwaarloosbaar.

Een algemeen geaccepteerde methode om de individuele onzekerheden van de invoerparameters op een realistische manier te vertalen naar de onzekerheid in de projectuitkomst is volgens de onderzoekers van KEMA de zogenaamde «Monte Carlo» methode. Hierbij wordt een groot aantal (tienduizenden) berekeningen uitgevoerd met invoerparameters die op toevallige wijze veranderen binnen hun onzekerheidsgebied. KEMA heeft naar aanleiding van de door de leden van de SP-fractie gestelde nadere vragen op mijn verzoek een dergelijke berekening uitgevoerd op basis van zijn kosten-batenanalyse van 2005. Het resultaat van de Monte Carlo berekening met 25 000 berekeningen van de netto contante waarde is in onderstaande figuur weergegeven. Dit is de kansdichtheid voor de netto contante waarde van het project.

Figuur 1 Verdeling van de kans dat een bepaalde netto contante waarde van het project optreedt. Het gedeelte ter linkerzijde van het linker pijltje geeft aan wanneer de netto contante waarde negatief is. Bron: computermodel KEMA, februari 2008.

kst-20082009-31374-l-1.gif

De gemiddelde waarde ligt dicht bij de centrale waarde uit het KEMA-rapport van 2005 van 1,3 miljard euro. Het onzekerheidsgebied ligt ruwweg tussen de 0,5 en de 2,8 miljard euro. Met 90% zekerheid ligt de netto contante waarde tussen de 0,1 en de 2,0 miljard euro. De kans dat de netto contante waarde van het project negatief wordt, is niet verwaarloosbaar, maar wel klein (kleiner dan 3,4%). Deze uitkomsten bevestigen derhalve het positieve beeld voor de maatschappelijke business case en sterken mij in de conclusie dat, mits zorgvuldig gemonitord, een spoedige migratie naar een slimme meetinfrastructuur verantwoord is.

Ten tweede vroegen deze leden of er een risico analyse is gemaakt van het gehele project en wat de kwantitatieve uitkomst van die analyse is geweest. Het wetsvoorstel, dat mede strekt tot implementatie van de richtlijn energie-efficiëntie, is voor wat betreft de kwantitatieve onderbouwing gebaseerd op:

– de KBA van KEMA 2005 en het advies van SenterNovem 2005

– een nader bevestiging van het kostenbeeld door Accenture 2005

– beschikbare KBA’s uit andere landen als referentietoets (o.a. Zweden, Italië, het VK)

– de door de sector geprognosticeerde baten van circa 100 miljoen structureel per jaar, zoals aangegeven in de brief van EnergieNed aan de minister van Economische Zaken van september 2005

– UCPartners onderzoek van 2008 naar de baten van het marktmodel.

In alle genoemde onderzoeken wordt gewerkt met scenario’s of onzekerheidsgebieden. De gemiddelde netto contante waarde is echter altijd positief.

Bovenstaande Monte Carlo berekening die door KEMA is uitgevoerd betreft een risicoanalyse. Andere risicoanalyses zijn niet gemaakt. De uitkomst van de bovenstaande berekening is positief (de kans dat de netto contante waarde van het project negatief wordt is kleiner dan 3,4%) en bevestigt het maatschappelijk positieve beeld dat op grond van de andere onderzoeken eerder is ontstaan. 100% zekerheid is echter nooit te verkrijgen. Omdat het hier onder meer gaat om gedragsverandering bij consumenten, zal er altijd enige onzekerheid blijven bestaan. Juist daarom is de proefperiode van belang. De proefperiode kan gebruikt worden om het onzekerheidsgebied van de gehanteerde onderzoeksparameters in de praktijk te toetsen en de gevoeligheidsmarges van de nu beschikbare KBA’s en van de op de KBA van KEMA 2005 gebaseerde risicoanalyse te beperken.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

Samenstelling:

Schuurman (CU), Van den Berg (SGP), Meindertsma (PvdA), Broekers-Knol (VVD), Terpstra (CDA), Kneppers-Heynert (VVD), (voorzitter), Kox (SP), Essers (CDA), Noten (PvdA), Sylvester (PvdA), Schouw (D66), Van Driel (PvdA), Doek (CDA), Franken (CDA), Thissen (GL), Willems (CDA), Reuten (SP), (vice-voorzitter), Hofstra (VVD), Asscher (VVD), Laurier (GL), Koffeman (PvdD), Elzinga (SP), Vliegenthart (SP), Kuiper (CU) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

XNoot
1

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning onder griffie nr. 141076.28.

Naar boven